ECLI:NL:RBNHO:2026:13329

ECLI:NL:RBNHO:2026:13329

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 17-09-2026
Datum publicatie 01-10-2026
Zaaknummer 15/020888-26; 15/140555-26 (ttz gev); 15/107978-26 (ttz gev); 15/367052-24 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Veroordeling voor diefstal met geweld in vereniging, vernieling en opzetheling. Vrijspraak van diefstal in vereniging d.m.v. valse sleutel (feit 2) wegens onvoldoende bewijs. Bewijsoverweging m.b.t. de betrouwbaarheid van twee verklaringen en medeplegen. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden (met aftrek van voorarrest) waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd 2 jaar en bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht en opname in een zorginstelling. Beslissingen op vorderingen benadeelde partijen. Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf geheel toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/020888-26; 15/140555-26 (ttz gev); 15/107978-26 (ttz gev); 15/367052-24 (tul)

Uitspraakdatum: 17 september 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

3 september 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. De in die zaken ten laste gelegde feiten zijn hierna voor de leesbaarheid doorgenummerd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Pieplenbosch en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E. Stam, advocaat te Heerhugowaard, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

(parketnummer 15/020888-26)

1.

hij op of omstreeks 2 juli 2025 te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

- een telefoon en/of

- een tas en/of

- 255 euro, althans een geldbedrag en/of

- een of meerdere portemonnee(s) en/of

- een of meerdere passen, waaronder een pinpas,

in elk geval enig goed/goederen, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- een of meerdere malen die [benadeelde 1] (met kracht) naar achteren te duwen en/of

- een of meerdere malen die [benadeelde 1] met vuistslagen in het gezicht te slaan/stompen en/of

- die [benadeelde 1] op de knie, althans tegen het been, te schoppen/trappen waardoor die [benadeelde 1] ten val kwam en/of

- dreigend de woorden toe te voegen dat hij, verdachte, een mes bij zich heeft en dit mes op de ribben van die [benadeelde 1] zet/gaat zetten en/of

- tegen die [benadeelde 1] te zeggen "daar zitten mensen van ons. Als je niet meteen weggaat of rare dingen gaat doen ben je van ons. Je mag nooit meer naar 0228 komen. Ik weet waar je woont en ik weet waar je ouders wonen. Als je naar politie gaat doen wij je ouders wat aan en zoeken we jou op", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2.

hij op of omstreeks 2 juli 2025 te Enkhuizen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meermaals een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door onbevoegd gebruik te maken van een pinpas en/of een pincode op naam van die [benadeelde 1];

(parketnummer 15/140555-26)

3.

hij op of omstreeks 15 mei 2026 te Alkmaar, opzettelijk en wederrechtelijk ventilatieroosters, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 3] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

(parketnummer 15/107978-26)

4.

hij op of omstreeks 27 maart 2026 te Alkmaar, een accu van een fatbike, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

2. Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaken, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de feiten 1 en 2, omdat niet bewezen kan worden dat sprake is van medeplegen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] onvoldoende betrouwbaar zijn en daarom van het bewijs moeten worden uitgesloten. Niet kan worden bewezen dat de verdachte één van de twee personen is geweest die de aangever van zijn spullen heeft beroofd. Ten aanzien van de feiten 3 en 4 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op het verweer van de raadsvrouw zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 2

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte onder 2 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat [getuige 3] heeft bekend met de pinpas van de aangever te hebben gepind waarbij hij heeft verklaard dat hij dit in opdracht van [medeverdachte] heeft gedaan. [getuige 3] heeft niet verklaard dat de verdachte daar op enige wijze bij betrokken is geweest. Het enkele feit dat [getuige 3] de pintransacties deed kort nadat telefonisch contact plaatsvond tussen de verdachte en [getuige 3] , is – anders dan de officier van justitie heeft aangevoerd – onvoldoende om vast te stellen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hen bij het pinnen met de pinpas van aangever.

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Bewijsoverweging feit 1

Betrouwbaarheid verklaringen [getuige 3] en [getuige 2]

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 2] betrouwbaar en zal zij deze voor het bewijs gebruiken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat zowel [getuige 3] als [getuige 2] niet alleen belastend over de verdachte hebben verklaard, maar ook over zichzelf. Ten aanzien van [getuige 2] geldt bovendien dat zij ook belastend heeft verklaard over haar vriend, [medeverdachte] . Aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 2] draagt verder bij dat zij bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij bij de politie de waarheid heeft verteld en dat haar verklaring wordt ondersteund door de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van de verdachte.

De rechtbank is anders dan de verdediging niet van oordeel dat de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 2] wordt aangetast doordat zij heeft verklaard dat de verdachte de aangever met een tas met daarin een koekenpan zou hebben geslagen, terwijl dit niet overeenkomt met de verklaring van de aangever of van de andere getuigen. Uit de verklaring van [getuige 2] volgt immers dat zij niet zelf heeft waargenomen dat er een koekenpan in de tas zat, maar dat zij dit later van de verdachte heeft gehoord. Omdat haar verklaring voor het overige in hoofdlijnen overeenkomt met de inhoud van de aangifte, is dit verschil onvoldoende zwaarwegend om aan de betrouwbaarheid van haar verklaring te twijfelen. De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsvrouw.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het onder 1 ten laste gelegde feit af dat de verdachte één van de twee personen was die de aangever met geweld en bedreiging met geweld van zijn spullen heeft beroofd. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten, die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 2 juli 2025 te Bovenkarspel, gemeente Stede Broec tezamen en in vereniging met anderen,

- een tas en

- 255 euro en

- portemonnees en

- passen, waaronder een pinpas,

die aan [benadeelde 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door

- meerdere malen die [benadeelde 1] (met kracht) naar achteren te duwen en

- meerdere malen die [benadeelde 1] met vuistslagen in het gezicht te stompen en

- die [benadeelde 1] op de knie te schoppen waardoor die [benadeelde 1] ten val kwam en

- dreigend de woorden toe te voegen dat hij, verdachte, een mes bij zich heeft en dit mes op de ribben van die [benadeelde 1] gaat zetten en

- tegen die [benadeelde 1] te zeggen “daar zitten mensen van ons. Als je niet meteen weggaat of rare dingen gaat doen ben je van ons. Je mag nooit meer naar 0228 komen. Ik weet waar je woont en ik weet waar je ouders wonen. Als je naar politie gaat doen wij je ouders wat aan en zoeken we jou op”;

3.

hij op 15 mei 2026 te Alkmaar, opzettelijk en wederrechtelijk een ventilatierooster, dat aan [benadeelde 3] toebehoorde heeft vernield;

4.

hij op 27 maart 2026 te Alkmaar, een accu van een fatbike, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

feit 4:

opzetheling.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een proeftijd van twee jaar. Daarbij heeft hij gevorderd aan het voorwaardelijk strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden en te bepalen dat de verdachte zich gedurende een periode van maximaal zes maanden laat opnemen in een zorginstelling.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Het slachtoffer had met een meisje afgesproken bij het station in Bovenkarspel, maar bij aankomst bleek zij vergezeld van twee vriendinnen. Vervolgens is het slachtoffer door hen naar een speeltuin in de buurt gelokt. Eenmaal aangekomen in de speeltuin kwamen de verdachte en een mededader uit de bosjes tevoorschijn en hebben zij het slachtoffer geduwd, geslagen en geschopt. Op enig moment is het slachtoffer op de grond getrapt en werd gedreigd dat er een mes op zijn ribben zou worden gezet. Ook hebben de verdachte en zijn mededader de telefoon van het slachtoffer vernield. Uiteindelijk zijn de tas van het slachtoffer en zijn twee portemonnees met inhoud weggenomen.

Met hun handelen hebben de verdachte en zijn mededaders een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en hebben zij hem financiële schade toegebracht. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat het handelen van de verdachte en zijn mededaders gericht was op eigen geldelijk gewin, zonder dat zij hebben stilgestaan bij de mogelijke gevolgen daarvan voor het slachtoffer. De rechtbank rekent dit de verdachte zeer aan. Bovendien heeft de verdachte ook geen openheid van zaken gegeven over wat zich heeft afgespeeld. Hij heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn strafbare gedragingen.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een fietsaccu en vernieling van een ventilatierooster. Dit zijn hinderlijke feiten die overlast en schade veroorzaken. De verdachte heeft met zijn handelen geen respect getoond voor de eigendommen van de rechthebbenden.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 27 juli 2026. Daaruit blijkt dat hij op 23 juni 2025 onherroepelijk is veroordeeld voor (schuld)heling en vernieling. Daarmee is sprake van recidive. Daarnaast heeft hij de onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten begaan gedurende de proeftijd van de voorwaardelijke straf die hem bij die veroordeling is opgelegd. De rechtbank zal hiermee in strafverzwarende zin rekening houden.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 31 augustus 2026. De reclassering concludeert dat sprake is van een hoog risico op recidive. Volgens de reclassering is sprake van instabiliteit op het gebied van huisvesting, dagbesteding, financiën, sociaal netwerk en psychosociaal functioneren. Voorafgaand aan zijn detentie was de verdachte dakloos, nadat hij uit twee woongroepen was weggestuurd, en had hij geen structurele dagbesteding. Daarnaast is sprake van openstaande schulden, waarvoor, voor zover bekend, nog geen betalingsregelingen zijn getroffen. De verdachte beschikt niet over een vast inkomen, omdat hij geen baan heeft en geen uitkering ontvangt. Ook lijkt sprake te zijn van een negatief sociaal netwerk.

Verder is bij de verdachte sprake van gebrekkige emotieregulatie en beperkt cognitief functioneren. Tijdens zijn detentie ervaart hij somberheidsklachten en heeft hij een suïcidepoging gedaan. Er heeft psychologisch onderzoek plaatsgevonden door Forlight. De verdachte heeft hieraan echter onvoldoende meegewerkt, waardoor dit niet heeft geleid tot een advies en de reclassering geen gedegen en passend plan van aanpak heeft kunnen opstellen. De verwachting is dat een klinische observatie meer inzicht zal bieden. De verdachte heeft zich bereid verklaard hieraan mee te werken.

Gelet op het voorgaande wordt geadviseerd bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen en daaraan de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden: een meldplicht bij de reclassering en opname in een zorginstelling.

De op te leggen straf

Gelet op de ernst van het onder 1 bewezen verklaarde feit, te weten diefstal met geweld in vereniging, acht de rechtbank een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden moet worden opgelegd, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank het noodzakelijk de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank ziet aanleiding om de duur van de klinische opname te bepalen op maximaal één jaar, in plaats van de gevorderde zes maanden. De rechtbank acht deze termijn aangewezen omdat er nog onvoldoende zicht is op de aard en ernst van de bij de verdachte spelende problematiek doordat de verdachte onvoldoende heeft meegewerkt aan het psychologisch onderzoek.

7. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

Vordering van [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 679,88 ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die hij als gevolg van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden. De materiële schade bestaat uit het weggenomen contante geld (€ 250,-), de kosten voor een nieuw identiteits- en rijbewijs (€ 145,60), de waarde van de vernielde smartphone (€ 200,-) en de bij de tankstations gepinde bedragen (€ 48,29 en € 35,99).

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade geheel kan worden toegewezen. Wat betreft de immateriële schade heeft de benadeelde partij geen schadebedrag opgevoerd. Volgens de officier van justitie heeft de benadeelde partij echter wel recht op vergoeding van immateriële schade, omdat sprake is van letsel. Gelet op vergelijkbare zaken acht de officier van justitie een bedrag van € 350,- billijk. Hij heeft gevorderd dit bedrag bij schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vordering, gelet op de door haar bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Het gedeelte van de vordering dat ziet op het weggenomen contante geld, de kosten voor een nieuw identiteits- en rijbewijs en de waarde van de vernielde smartphone is voldoende onderbouwd en door of namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder 1 bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering, een bedrag van € 595,60, daarom toe.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk, omdat deze schade voortvloeit uit het onder 2 ten laste gelegde feit en de verdachte van dat feit wordt vrijgesproken.

Wettelijke rente

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 2 juli 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Proceskosten

Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en begroot de kosten daarom op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 595,60 aan de Staat moet betalen. De rechtbank ziet – anders dan de officier van justitie – geen aanleiding om immateriële schade in vorm van een schadevergoedingsmaatregel aan de benadeelde partij toe te kennen, aangezien de benadeelde partij niet op de zitting aanwezig was en evenmin kenbaar heeft gemaakt dat hij immateriële schadevergoeding wenst.

Voornoemd bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en proceskosten niet meer aan de benadeelde partij of aan de Staat te betalen.

Vordering van [benadeelde 4]

De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft een (op de zitting gewijzigde) vordering tot schadevergoeding van € 949,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De materiële schade bestaat uit de kosten voor een nieuwe fatbike.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel moet worden afgewezen. De schade zou zijn ontstaan door het losrukken van de accu van de fiets, terwijl aan de verdachte heling is ten laste gelegd. Gelet daarop bestaat er onvoldoende causaal verband tussen de schade en het ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat er onvoldoende causaal verband bestaat tussen de schade en het ten laste gelegde feit.

Oordeel van de rechtbank

Alleen schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit, komt voor vergoeding in aanmerking. In dit geval is geen sprake van rechtstreekste schade, omdat de schade het gevolg is van de diefstal van de accu, terwijl ten aanzien van de verdachte opzetheling van de accu bewezen is verklaard. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.

8. Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 23 juni 2025 in de zaak met parketnummer 15/367052-24 heeft de politierechter te Noord-Holland de verdachte ter zake van doxing, smaadschrift, tweemaal vernieling en mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 100 uren. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is op 11 juli 2025 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 8 juli 2025.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 312, 350 en 416 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 (onder parketnummer 15/020888-26) is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 (onder parketnummer 15/020888-26), 3 (onder parketnummer 15/140555-26 ) en 4 (onder parketnummer 15/107978-26 ) ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak enzolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact opnemen met de verdachte voor de eerste afspraak;

- zich voor maximaal één jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een nader te bepalen zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op klinische observatie voor het actualiseren van de diagnostiek en een indien geïndiceerd daarop aansluitende behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, dan werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

wijst de vordering van [benadeelde 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 595,60;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2025 tot de dag van volledige betaling, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander/anderen (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;

verklaart [benadeelde 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de verdachte ook hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat € 595,60 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2025 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 5 dagen gijzeling;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of (een van) zijn mededader(s) op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;

verklaart [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering;

wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/367052-24 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 100 uur, opgelegd bij vonnis van de politierechter te Noord-Holland d.d. 23 juni 2025. De werkstraf wordt vervangen door 50 dagen jeugddetentie als deze niet goed wordt uitgevoerd.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Mac Donald, voorzitter,

mr. M. Rigter en mr. N. Ćulafić, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.E.H de Koning,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. Mac Donald

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand