RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem
alimentatie/tegenspraak
zaak-/rekestnr.: C/15/342741 / FA RK 23-3764
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 30 januari 2026
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de man,
(per 10 december 2025 heeft mr. W.N. Sardjoe zich als advocaat van de man onttrokken),
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. N.H. Fridsma, kantoorhoudende te Heemskerk.
1. Procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de beschikking van deze rechtbank van 26 april 2024 en de daarin genoemde stukken;
- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 5 juni 2024;
- het verweerschrift op zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 15 augustus 2024;
- het F-formulier, met bijlage, van de vrouw, ingekomen op 12 december 2025.
De mondelinge behandeling van de zaak is voortgezet op de zitting van 15 december 2025 in aanwezigheid van partijen, waarbij de vrouw is bijgestaan door mr. N.H. Fridsma.
Partijen hebben ter zitting nadere stukken overlegd. De man heeft een loonspecificatie van oktober 2025 overlegd en een verklaring van de verloskundige waaruit blijkt dat zijn huidige partner zwanger is en uitgerekend is op [datum] . De vrouw heeft ter zitting een werkgeversverklaring overlegd, ondertekend door haar werkgever op 18 augustus 2025.
Na de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw op verzoek van de rechtbank op 17 december 2025 een nader stuk in het geding gebracht, waarin staat aangegeven dat het bedrijf van de vrouw ‘ [bedrijf] ’ is uitgeschreven uit het Handelsregister.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zij zijn uit elkaar gegaan in 2019.
Het minderjarige kind van partijen is:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] . Partijen zijn gezamenlijk met het gezag over [de minderjarige 1] belast.
Bij het uit elkaar gaan in 2019 zijn partijen overeengekomen dat de man € 250 per maand betaalt aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] .
De man heeft met zijn huidige partner ook een dochter, [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] . Zijn partner is momenteel in verwachting en uitgerekend op [datum] .
3. De gang van zaken tot nu
Bij beschikking van deze rechtbank van 26 april 2024 heeft de rechtbank bepaald dat de ouders gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over [de minderjarige 1] worden belast. Daarnaast is een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld waarbij met een opbouw zal worden toegewerkt naar een zorgregeling waarbij [de minderjarige 1] in de oneven weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijft met een dwangsom voor de moeder. Ook heeft de rechtbank een (video)belregeling en een vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld. De beslissing over de bijdrage in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] is pro forma aangehouden in afwachting van het verweerschrift van de moeder en bericht van partijen over de wijze waarop zij de procedure wensen voort te zetten.
4. De verdere beoordeling
Aan de orde is nog het verzoek van de man van 8 april 2024 waarbij hij verzoekt te bepalen dat de in onderling overleg overeengekomen kinderbijdrage dient te worden gewijzigd althans dient te worden vastgesteld op een bedrag ter hoogte van € 125 per maand, met ingang van 1 mei 2024. De vrouw heeft hierop verweer gevoerd en bij zelfstandig verzoek verzocht te bepalen dat de man een kinderbijdrage dient te betalen van € 250 per maand, met ingang van 1 mei 2024.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat een herbeoordeling van de kinderbijdrage plaats moet vinden op grond van artikel 1:401 lid 5 dan wel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Wel is in geschil of die herbeoordeling tot aanpassing van de afspraak uit 2019 zou moeten leiden.
De rechtbank rondt in haar beoordeling bedragen telkens op hele euro’s af.
ingangsdatum
Partijen zijn het erover eens dat de rechtbank een kinderbijdrage zal vaststellen met ingang van 1 mei 2024.
behoefte [de minderjarige 1]
De rechtbank hanteert voor de vaststelling van de behoefte van [de minderjarige 1] de behoeftetabel die behoort bij het Rapport alimentatienormen 2019 omdat partijen in dat jaar uit elkaar zijn gegaan. Uitgangspunt van deze tabel is dat ouders een bepaald percentage van hun gezinsinkomen aan hun kinderen besteden. Naast het aantal kinderen is het netto besteedbare gezinsinkomen van partijen een belangrijke factor bij de bepaling van de hoogte van de behoefte. Dit inkomen wordt in de regel gevormd door de middelen die ouders gebruikelijk voorafgaand aan het verbreken van de samenleving ter beschikking stonden.
Het netto besteedbaar inkomen (NBI) bestaat uit het bruto inkomen uit arbeid, uitkering en/of vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking worden genomen. Ook worden hierbij de netto uitgaven voor inkomensvoorzieningen, zoals de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering, in aanmerking genomen. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning en de bijtelling vanwege een auto van de zaak. Het NBI wordt vermeerderd met het kindgebonden budget waarop recht bestond ten tijde van de samenleving.
De rechtbank overweegt dat partijen geen stukken hebben ingediend over het jaar 2019, het jaar dat partijen uit elkaar zijn gegaan. Partijen hebben wel beiden de financiële stukken over het jaar 2022 ingediend, waardoor de rechtbank aanleiding ziet om voor de behoefte van [de minderjarige 1] met de gegevens uit deze stukken te rekenen.
Uit de door de vrouw overgelegde IB-aangifte 2022 volgt dat de vrouw in 2022 in totaal € 17.463 bruto heeft verdiend in loondienst bij [werkgever] en [werkgever] . Daarnaast was de vrouw ZZP’er in de zorg en bedroeg haar winst uit onderneming € 3.244 bruto. Tot slot ontving de vrouw € 6.034 bruto vanuit een uitkering (€ 5.608 uit Ziektewet en € 426 uit andere uitkeringen). Uitgaande van deze informatie en rekening houdend met de aanspraak van de vrouw op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de MKB winstvrijstelling en de inkomensafhankelijke combinatiekorting bedroeg haar NBI € 2.073 per maand.
De man is in loondienst werkzaam bij [werkgever] . In 2022 bedroeg het jaarinkomen van de man € 38.523 bruto. Dit volgt uit de IB-aangifte 2022. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting, bedroeg het NBI van de man € 2.402 per maand.
Gelet op het voorgaande bedroeg het netto besteedbare gezinsinkomen € 4.475 (€ 2.402 + € 2.073) per maand.
Nu de rechtbank weet wat de ouders te besteden hadden, kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan [de minderjarige 1] werd uitgegeven en wat dus haar behoefte is. De rechtbank maakt daarbij gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Uit die tabellen volgt dat de ouders bij een gezinsinkomen van € 4.475 per maand, in 2019 gemiddeld € 601 per maand aan [de minderjarige 1] uitgaven. Geïndexeerd naar 2024 bedraagt de behoefte van [de minderjarige 1] € 710 per maand en geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van [de minderjarige 1] € 791 per maand.
draagkracht van partijen
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of partijen over voldoende draagkracht beschikken om elk hun eigen aandeel in de behoefte van [de minderjarige 1] te kunnen betalen. De rechtbank zal daarbij de draagkracht berekenen van partijen voor de volgende periodes:- de periode vanaf 1 mei 2024 tot de geboorte van de baby;
- de periode vanaf de geboorte van baby.
Voor het berekenen van de draagkracht over beide periodes zal de rechtbank, zoals hierna aan de orde zal komen, rekenen met de inkomensgegevens van partijen van 2025.
De draagkracht van partijen vanaf 1 mei 2024 wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Rapport alimentatienormen van 2024, vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 1.270].
Voor het berekenen van de draagkracht van partijen vanaf de geboorte van de baby wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Rapport alimentatienormen 2026, vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 1.365]. Deze benadering houdt in dat op het NBI 30% in mindering wordt gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening wordt gehouden met een vast bedrag aan overige lasten en dat wordt uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70.
De vrouw is volgens de overlegde werkgeversverklaring eind 2024 in loondienst getreden bij [werkgever] . Hieruit volgt dat zij op jaarbasis een jaarinkomen heeft van € 25.193 bruto, exclusief € 2.015 vakantietoeslag en € 2.099 eindejaarsuitkering. De vrouw had in 2024 een lager inkomen, omdat zij verlies maakte met haar [bedrijf] en een klein inkomen had als ZZP’er in de zorg. De vrouw acht het reëel om voor haar draagkracht vanaf 1 mei 2024 aan te sluiten bij haar huidige (hogere) inkomen, omdat haar huidige inkomen in lijn ligt met haar inkomen voordat zij een [bedrijf] had. De rechtbank zal dan ook met de hiervoor genoemde inkomensgegevens rekenen. Voor zover de man stelt dat de vrouw nog steeds extra inkomsten genereert met haar [bedrijf] , gaat de rechtbank daar niet in mee. De vrouw heeft immers na de zitting een uittreksel van de Kamer van Koophandel overlegd waarin staat aangegeven dat de [bedrijf] is uitgeschreven uit het Handelsregister.
Uitgaande van voorgaande informatie en rekening houdend met de aanspraak van de vrouw op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, het kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting bedraagt haar NBI vanaf 1 mei 2024 tot de geboorte van de baby ten behoeve van de kinderbijdrage € 2.921 per maand. Vanaf de geboorte van de baby van de man bedraagt het NBI van de vrouw € 2.942 per maand.
Op grond van de draagkrachtformule van 2024 bedraagt de draagkracht van de vrouw vanaf 1 mei 2024 tot de geboorte van de baby € 542 per maand.
Op grond van de draagkrachtformule van 2026 bedraagt de draagkracht van de vrouw vanaf de geboorte van de baby € 486 per maand.
De rechtbank zal ook de draagkracht van de man berekenen op basis van zijn loon in 2025, omdat hij over 2024 geen gegevens heeft overlegd. De man heeft ter zitting een loonstrook overlegd waaruit blijkt dat zijn cumulatief inkomen tot en met oktober 2025 € 38.183 bedroeg (€ 33.600 salaris + € 4.583 ziektegeld). Hieruit volgt dat hij een jaarinkomen (exclusief vakantiegeld) heeft van € 45.819 bruto (€ 38.183/10 maanden * 12 maanden). Inclusief vakantiegeld bedraagt het jaarinkomen van de man zodoende € 49.485 bruto.
Uitgaande van voorgaande informatie en rekening houdend met de aanspraak van de man op de algemene heffingskorting en de arbeidskortingen bedraagt zijn NBI vanaf 1 mei 2024 tot de geboorte van de baby ten behoeve van de kinderbijdrage € 3.152 per maand. Vanaf de geboorte van de baby bedraagt het NBI van de man, waarbij ook wordt rekening gehouden met het kindgebonden budget voor [de minderjarige 2] en de baby, € 3.420 per maand.
Op grond van de draagkrachtformule van 2024 bedraagt de draagkracht van de man vanaf 1 mei 2024 tot de geboorte van de baby € 655 per maand.
Op grond van de draagkrachtformule van 2026 bedraagt de draagkracht van de man vanaf de geboorte van de baby € 720 per maand.
Samenloop: behoefte [de minderjarige 2] en de baby
Uit de relatie tussen de man en zijn huidige partner is [de minderjarige 2] geboren. Daarnaast is de huidige partner van de man zwanger en is zij uitgerekend op [datum] . De vrouw stelt dat geen rekening gehouden dient te worden met [de minderjarige 2] en de baby die op komst is, omdat de man geen financiële gegevens heeft overgelegd van zijn huidige partner. De rechtbank gaat hier niet in mee, omdat de man ook voor deze kinderen onderhoudsplichtig is en het van belang is dat een kinderbijdrage wordt vastgesteld waar de man (ook in de toekomst) aan kan blijven voldoen.
De man heeft ter zitting verklaard dat zijn huidige partner (net als de vrouw) in de zorg werkt, maar minder verdient dan hij waardoor hij meer bijdraagt/zal bijdragen in de kosten voor [de minderjarige 2] en de baby. De rechtbank acht het gelet op het voorgaande reëel om ervan uit te gaan dat de huidige partner van de man ongeveer hetzelfde inkomen heeft als de vrouw op dit moment. Dus een jaarinkomen van € 25.193 bruto, exclusief € 2.015 vakantietoeslag en € 2.099 eindejaarsuitkering. Voor de man wordt, zoals hiervoor aangegeven, rekening gehouden met een jaarinkomen van € 49.485 bruto. Daarnaast is er sprake van een kindgebonden budget van € 179 per maand. Doordat met dezelfde inkomens rekening wordt gehouden als bij de behoefte van [de minderjarige 1] , acht de rechtbank het redelijk om de behoefte van [de minderjarige 2] tot de geboorte van de baby op € 710 per maand te bepalen. Gelet op de behoeftetabel 2026 zal de behoefte vanaf de geboorte van de baby worden bepaald op € 1.343 per maand voor [de minderjarige 2] en de baby gezamenlijk (€ 672 per kind per maand).
verdeling draagkracht man van 1 mei 2024 – geboorte baby
De man dient in de periode vanaf 1 mei 2024 tot de geboorte van de baby zijn draagkracht te verdelen over twee kinderen, namelijk [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Welk bedrag van de draagkracht van de man voor [de minderjarige 1] beschikbaar is, wordt berekend volgens de formule: ieders behoefte gedeeld door de totale behoefte vermenigvuldigd met de draagkracht, oftewel:
[de minderjarige 1] : € 710 / € 1.420 * € 655 = € 328 per maand.
[de minderjarige 2] : € 710 / € 1.420 * € 655 = € 328 per maand.
draagkracht partner man van 1 mei 2024 – geboorte baby 4.24. Gelet op voorgaand geschat jaarinkomen van de partner van de man (jaarinkomen van € 25.193 bruto, exclusief € 2.015 vakantietoeslag en € 2.099 eindejaarsuitkering) en rekening houdend met de aanspraak op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, bedraagt haar NBI tot de geboorte van de baby € 2.442 per maand. Op grond van de draagkrachtformule van 2024 bedraagt de draagkracht van de partner van de man tot de geboorte van de baby € 307 per maand.
draagkrachtvergelijking van 1 mei 2024 – geboorte baby in de behoefte van [de minderjarige 2]
Een draagkrachtvergelijking is hier niet nodig, omdat de man en zijn huidige partner niet genoeg draagkracht hebben om in de behoefte van [de minderjarige 2] te voorzien. Hun gezamenlijk draagkracht is € 635 per maand (€ 328 + € 307), terwijl de kosten € 710 per maand zijn. Zij komen daardoor € 75 per maand te kort. De man moet zodoende zijn draagkracht volledig gebruiken.
Draagkrachtvergelijking partijen van 1 mei 2024 – geboorte baby
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 870 (€ 542 + € 328) per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van [de minderjarige 1] van € 710 per maand, waardoor er aanleiding is om een draagkrachtvergelijking te maken. De verdeling van de kosten van [de minderjarige 1] over partijen wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: € 542 / € 870 x € 710 = € 442 per maand.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: € 328 / € 870 x € 710 = € 268 per maand.
zorgkorting van 1 mei 2024 – geboorte baby
Op het berekende aandeel dient de zorgkorting in mindering te worden gebracht. Tussen partijen is in geschil met welk percentage rekening gehouden dient te worden, waarbij de vrouw stelt dat er met 0% zorgkorting gerekend dient te worden en de man stelt dat gerekend moet worden met een percentage van 25%. De rechtbank acht het gelet op de zorgregeling die door de rechtbank is vastgelegd redelijk om rekening te houden met een zorgkorting van 15%. Omdat de behoefte van [de minderjarige 1] € 710 per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 107 per maand.
conclusie kinderbijdrage van 1 mei 2024 – geboorte baby 4.28. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man met ingang van 1 mei 2024 tot de geboorte van de baby een kinderbijdrage aan de vrouw dient te voldoen van € 161 per maand (€ 268 - € 107, in INA door afronding € 267 - € 106). De rechtbank ziet geen aanleiding om dit bedrag te indexeren, omdat gerekend is met de inkomensgegevens van 2025.
verdeling draagkracht man met ingang van de geboorte van de baby
De man dient vanaf de geboorte van de baby zijn draagkracht te verdelen over drie kinderen, namelijk [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en de baby. Welk bedrag van de draagkracht van de man voor [de minderjarige 1] beschikbaar is, wordt berekend volgens de formule: behoefte gedeeld door de totale behoefte vermenigvuldigd met de draagkracht, oftewel:[de minderjarige 1] : € 791 / € 2.135 * € 720 = € 267 per maand.[de minderjarige 2] : € 672 / € 2.135 * € 720 = € 227 per maand.Baby: € 672 / € 2.135 * € 720 = € 227 per maand.
draagkracht partner man met ingang van de geboorte van de baby
Gelet op voorgaand geschat jaarinkomen van de partner van de man (jaarinkomen van € 25.193 bruto, exclusief € 2.015 vakantietoeslag en € 2.099 eindejaarsuitkering) en rekening houdend met de aanspraak op de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, bedraagt haar NBI vanaf de geboorte van de baby € 2.442 per maand. Op grond van de draagkrachtformule van 2026 bedraagt de draagkracht van de partner van de man vanaf de geboorte van de baby € 241 per maand.
draagkrachtvergelijking met ingang van de geboorte van de baby in de behoefte van [de minderjarige 2] en de baby
Een draagkrachtvergelijking is hier niet nodig, omdat de man en zijn huidige partner niet genoeg draagkracht hebben om in de behoefte van [de minderjarige 2] en de baby te voorzien. Hun gezamenlijk draagkracht is € 695 per maand (€ 227 + € 227 + € 241), terwijl de kosten € 1.344 per maand zijn. Zij komen daardoor € 649 per maand tekort. De man moet zodoende zijn draagkracht volledig gebruiken.
Draagkrachtvergelijking partijen met ingang van de geboorte van de baby
Een draagkrachtvergelijking is ook tussen partijen hier niet nodig omdat partijen samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van [de minderjarige 1] . Hun gezamenlijke draagkracht is € 753 per maand (€ 486 + € 267), terwijl de kosten van [de minderjarige 1] € 791 per maand zijn. Zij komen dus samen een bedrag van € 38 per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken.
zorgkorting met ingang van de geboorte van de baby
De rechtbank zal, gelet op de vastgelegde zorgregeling tussen [de minderjarige 1] en de man, ook in de periode vanaf dat de baby wordt geboren rekening houden met een zorgkorting. Omdat er echter een tekort is om volledig in de behoefte van [de minderjarige 1] te voorzien, dienen beide partijen ieder de helft van het tekort te dragen, dus een bedrag van € 19 per maand. Dit betekent dat de rechtbank rekening houdt met een zorgkorting van € 100 (15% * € 791 =€ 119 - € 19).
conclusie kinderbijdrage met ingang van de geboorte van de baby
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man met ingang van de geboorte van de baby (omstreeks [datum] ) een kinderbijdrage aan de vrouw dient te voldoen van € 167 per maand (€ 267 - € 100).
5. Beslissing
De rechtbank:
bepaalt, met wijziging in zoverre van de onder 2.3. genoemde overeenkomst tussen partijen, dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [de minderjarige 1] :
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ,
met ingang van 1 mei 2024 tot en met de geboorte van de baby dient te voldoen € 161 per maand en met ingang van de geboorte van de baby (omstreeks [datum] ) dient te voldoen € 167 per maand, en voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. van Diepen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N.L. de Groot, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.