ECLI:NL:RBNHO:2026:13409

ECLI:NL:RBNHO:2026:13409

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 02-10-2026
Zaaknummer 15/373088-24 (A); 15/058591-24 (tul); 15/102106-24 (B) (ttz gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

De verdachte heeft zich twee keer naar aanleiding van een woordenwisseling fysiek agressief gedragen richting vrouwen. Vrijspraak zware mishandeling. Bewezenverklaring mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge. Bewezenverklaring mishandeling. Oplegging gevangenisstraf van twee maanden met aftrek. Toewijzing vordering tenuitvoerlegging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/373088-24 (A); 15/058591-24 (tul); 15/102106-24 (B) (ttz gev.) (P)

Uitspraakdatum: 22 september 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

8 september 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].

De rechtbank heeft de zaken die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Funke Küpper, en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.S. Kat, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

15/373088-24 (zaak A)

primair

hij op of omstreeks 22 november 2024 te Oostzaan, althans in Nederland, aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of een of meerdere (gecompliceerde) botbreuk(en) in de arm, heeft toegebracht door

- die [benadeelde 1] (met kracht) tegen het lichaam te duwen (tengevolge waarvan die [benadeelde 1] ten val is gekomen) en/of

- die [benadeelde 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/in/op het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam, te slaan (terwijl die [benadeelde 1] op de grond lag) en/of

- die [benadeelde 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het lichaam te schoppen (terwijl die [benadeelde 1] op de grond lag);

subsidiair

hij op of omstreeks 22 november 2024 te Oostzaan, althans in Nederland, [benadeelde 1] heeft mishandeld door

- die [benadeelde 1] (met kracht) tegen het lichaam te duwen (tengevolge waarvan die [benadeelde 1] ten val is gekomen) en/of

- die [benadeelde 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen/in/op het gezicht en/of het hoofd en/of het lichaam, te slaan (terwijl die [benadeelde 1] op de grond lag) en/of

- die [benadeelde 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het lichaam te schoppen (terwijl die [benadeelde 1] op de grond lag),

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of een of meerdere (gecompliceerde) botbreuk(en) in de arm, ten gevolge heeft gehad;

15/102106-24 (zaak B)

hij op of omstreeks 9 oktober 2023 te Wormerveer, gemeente Zaanstad [benadeelde 2] heeft mishandeld door een klap tegen het lichaam te hebben gegeven.

2. Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaken, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de (primair) ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van zaak A heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van de primair ten laste gelegde zware mishandeling, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte de aangeefster heeft geslagen en geschopt. Het geven van een harde duw maakt niet dat de verdachte het opzet had om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Wat betreft de subsidiair ten laste gelegde mishandeling heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van het slaan en schoppen.

Ten aanzien van zaak B heeft de raadsvrouw primair vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van objectief ondersteunend bewijs voor de aangifte. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt. De aangeefster heeft de verdachte aangevallen en in reactie daarop heeft hij haar geslagen. Ook om die reden moet vrijspraak volgen.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het primaire feit in zaak A (zware mishandeling van [benadeelde 1])

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet op het zwaar mishandelen van de aangeefster heeft gehad en overweegt daartoe als volgt.

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de verdachte en de aangeefster [benadeelde 1] op 22 november 2024 aan het werk waren bij de BP benzinepomp te Oostzaan. Op enig moment is er tussen hen een woordenwisseling ontstaan. De verdachte heeft bekend dat hij de aangeefster tijdens die woordenwisseling een harde duw heeft gegeven, waardoor zij op de grond is gevallen. De verbalisant die de camerabeelden heeft bekeken, beschrijft dat daarop is te zien dat de verdachte de aangeefster met twee handen een duw geeft, waarna zij op de grond valt. De aangeefster heeft verklaard dat zij met haar gezicht op de grond viel en daarbij ‘krak’ hoorde. Zij heeft een breuk in haar arm en een gebroken neus opgelopen.

De aangeefster heeft verklaard dat zij van collega’s heeft gehoord dat de verdachte haar vervolgens meermaals heeft geslagen toen zij op de grond lag. De verdachte heeft dat tijdens zijn politieverhoor en ter terechtzitting ontkend en heeft verklaard dat hij uit frustratie tegen (platen van) een kar trapte en sloeg, die naast de aangeefster stond/lag.

De rechtbank overweegt dat enkel de getuige [getuige] heeft verklaard dat zij zag dat de verdachte de aangeefster meermaals heeft geslagen. Uit de (beschrijving van de) camerabeelden blijkt dat deze getuige op enkele meters afstand stond, zich tijdens het voorval deels afwendde en van het incident wegliep. Andere getuigen, die beter zicht op het incident hadden, hebben niet verklaard dat zij hebben gezien dat de verdachte de aangeefster heeft geslagen en/of geschopt. Uit de (beschrijving van de) camerabeelden blijkt dat de aangeefster, nadat zij op de grond was gevallen, niet meer was te zien en dat de slaande en trappende bewegingen die de verdachte maakte, weliswaar in haar richting, maar ook in de richting van de kar waren. Niet te zien is of de verdachte de aangeefster daarbij heeft geraakt.

De rechtbank kan op basis van de bewijsmiddelen in het dossier dan ook niet vaststellen dat de verdachte de aangeefster heeft geschopt en/of geslagen. Niet uit te sluiten valt dat wat de verdachte verklaard heeft, namelijk dat deze schoppende en slaande bewegingen gericht waren tegen de kar, klopt. Daarbij komt dat het letsel van de aangeefster kan worden verklaard door de val op de grond. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte de aangeefster heeft geslagen of geschopt.

De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de verdachte met het geven van een harde duw (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier zwaar lichamelijk letsel - is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De verdachte heeft de aangeefster één harde duw gegeven, waardoor zij ten val is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke kans dat de aangeefster daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De verdachte zal dan ook worden vrijgesproken van het in zaak A primair ten laste gelegde feit.

Partiële vrijspraak van het subsidiaire feit in zaak A (mishandeling van [benadeelde 1])

Onder verwijzing naar wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte de aangeefster heeft geslagen of geschopt. De verdachte zal dan ook van die onderdelen van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring van het subsidiaire feit in zaak A (mishandeling van [benadeelde 1] met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge)

De rechtbank komt tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring van het in zaak A subsidiair ten laste gelegde feit. De rechtbank is van oordeel dat het letsel van de aangeefster, te weten een gebroken neus en gebroken arm, is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel, gelet op de aard van het letsel (twee botbreuken), de noodzaak en aard van medisch ingrijpen (een schroeffixatie van de breuk in het ellebooggewricht, langdurige fysiotherapie) en de duur van het herstel (anderhalf jaar na dato nog pijnklachten en beperkingen).

Bewezenverklaring van het feit in zaak B (mishandeling van [benadeelde 2])

Op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. De verdachte en de aangeefster [benadeelde 2] troffen elkaar op 9 oktober 2023 op straat in Wormerveer. De verdachte was aan het werk als pakketbezorger toen de aangeefster hem erop aansprak dat zijn bus in de weg stond. Er is vervolgens tussen beiden een woordenwisseling ontstaan. De verdachte heeft verklaard dat hij de aangeefster een klap heeft gegeven. De aangeefster heeft hierdoor pijn en letsel aan haar gezicht opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte de aangeefster heeft geslagen.

De verdediging heeft een beroep op noodweer gedaan.

Verwerping van het beroep op noodweer

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de verdachte zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding (een noodweersituatie) of een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Hierin ligt besloten dat de gedraging ter verdediging moet voldoen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit.

De rechtbank overweegt dat de verdachte ter zitting heeft verklaard dat aangeefster haar auto voor zijn bus had gezet, hem filmde en hem in zijn gezicht en hals krabde. Ze bleef op verdachte afkomen, duwen en krabben. In een reactie heeft hij toen de klap uitgedeeld, om de aangeefster van zich af te houden, zijn pakketje te kunnen bezorgen en weg te kunnen gaan.

Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat de aangeefster zijn nek en lip open kraste, hij haar daarop wegduwde waardoor zij ten val kwam. Vervolgens stond zij op, gaf hem een vuist tegen zijn hoofd en kraste nogmaals zijn nek. Toen de aangeefster hem weer een vuist wilde geven, gaf hij haar een klap, aldus de verdachte.

De rechtbank merkt op dat er relevante verschillen zitten tussen de verklaring die de verdachte bij de politie aflegde en de verklaring die hij tijdens de zitting aflegde. In zijn eerste verklaring was een voorgenomen (tweede) vuistslag van de aangeefster de aanleiding om een klap uit te delen. Ter zitting heeft verdachte geen (voorgenomen) vuistslag van de aangeefster genoemd.

De rechtbank overweegt voorts dat beide verklaringen van de verdachte niet overeenkomen met de beschrijving door een verbalisant van het camerafragment dat de aangeefster van het incident heeft gemaakt. De verbalisant hoorde op de camerabeelden, kort gezegd, dat de aangeefster op enig moment herhaaldelijk tegen de verdachte zegt: “Je (fucking) moeder” en dat de verdachte dan aan haar vraagt: “Wat. Je moeder? Weet je het zeker.” Kort daarna hoorde de verbalisant op het videofragment dat de aangeefster vroeg “Wat wou je doen”, waarna ze zei: “Kom kom kom maar”. Vervolgens zijn er bladeren in beeld, is er veel gebonk te horen en is te horen dat de aangeefster kreunt en zucht.

Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdachte, naar aanleiding van het schelden van de aangeefster op zijn moeder, naar haar toeliep en haar sloeg. Hoewel uit het dossier blijkt dat de verdachte enig (kras)letsel had in zijn gezicht en hals, bevestigt het filmpje niet dat aangeefster steeds op hem af bleef komen en hem krabde of sloeg. Uit de beschrijving van het camerafragment blijkt juist het tegendeel.

Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake was van een noodweersituatie en verwerpt het beroep op noodweer.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de klap die de verdachte tegen het lichaam van de aangeefster heeft gegeven wederrechtelijk was en zal de in zaak B tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen achten.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de (subsidiair) ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat

15/373088-24 (zaak A)

subsidiair

hij op 22 november 2024 te Oostzaan, [benadeelde 1] heeft mishandeld door die [benadeelde 1] tegen het lichaam te duwen ten gevolge waarvan die [benadeelde 1] ten val is gekomen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en een botbreuk in de arm, ten gevolge heeft gehad.

15/102106-24 (zaak B)

hij op 9 oktober 2023 te Wormerveer, gemeente Zaanstad [benadeelde 2] heeft mishandeld door een klap tegen het lichaam te geven.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Zaak A: mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Zaak B: mishandeling.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de verdachte een taakstraf van 180 uren op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de strafoplegging bepleit dat het opleggen van bijzondere voorwaarden geen meerwaarde heeft, gelet op het positieve rapport van de reclassering. Ten aanzien van zaak B heeft de raadsvrouw opgemerkt dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn voormalig collega [benadeelde 1], een 46-jarige vrouw, door haar met twee handen tegen het lichaam te duwen, waardoor zij ten val is gekomen en zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit het dossier blijkt dat de verdachte zich naar aanleiding van een woordenwisseling zeer agressief heeft gedragen en zich daarbij door meerdere collega’s niet liet tegenhouden. De verdachte heeft met zijn handelen een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het incident is zeer beangstigend en bedreigend geweest voor het slachtoffer en zij ondervindt daarvan nog altijd de gevolgen, zo blijkt uit de namens haar ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Zij heeft een lang revalidatietraject moeten volgen, heeft zich lange tijd onveilig, angstig en onzeker gevoeld en durft nog steeds niet alleen naar buiten.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [benadeelde 2], een 61-jarige voor de verdachte onbekende vrouw, door haar in het gezicht te slaan. Ook dit geweld vond plaats naar aanleiding van een woordenwisseling. Deze woordenwisseling vond plaats in de openbare ruimte. Ook bij dit feit heeft de verdachte een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Zij is daardoor gewond geraakt en heeft langdurig last gehad van angstgevoelens.

De rechtbank vindt het zorgelijk dat de verdachte zich twee keer naar aanleiding van een woordenwisseling fysiek agressief heeft gedragen tegenover twee vrouwen en rekent dit de verdachte aan.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 juli 2026 (zijn strafblad), waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan zaak A al eerder wegens een soortgelijk feit onherroepelijk is veroordeeld. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting. Bovendien liep de verdachte ten tijde van de mishandeling in zaak A in een proeftijd in verband met een eerdere veroordeling. Dit heeft hem er blijkbaar niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een (ernstig) strafbaar feit.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 21 augustus 2026, waarin de reclassering schrijft dat er sprake is van een delictpatroon inzake geweldsdelicten. Gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis in zaak A heeft de verdachte zich ingezet voor gedragsverandering en zich gehouden aan de bijzondere voorwaarden. Hij heeft een forensische behandeling gericht op agressieregulatie positief afgerond. Hij toont probleembesef en inzicht in zijn problematiek en heeft voldoende gewerkt aan gedragsverandering. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert het volwassenenstrafrecht toe te passen en vindt interventies of toezicht in de vorm van bijzondere voorwaarden niet (meer) nodig.

Op te leggen straf

De aard en ernst van de gepleegde feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en gelet op straffen die door rechters in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Ook houdt de rechtbank rekening met de jonge leeftijd van de verdachte en het feit dat hij sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. Omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, zal zij een lagere straf opleggen dan is geëist. Alles afwegende acht de rechtbank in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken passend en geboden.

De rechtbank ziet echter in het tijdsverloop in zaak B aanleiding om de straf te verlagen. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in zaak B is aangevangen op 6 maart 2024, omdat de verdachte op deze datum is verhoord voor dat feit en hij daaraan in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Omdat dit vonnis op 22 september 2026 wordt gewezen en de rechtbank van oordeel is dat de overschrijding niet aan de verdachte valt toe te rekenen of anderszins is gebleken van bijzondere omstandigheden, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim zes maanden. Een overschrijding van de redelijke termijn wordt in de regel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Het tijdsverloop in deze zaak, waardoor de verdachte lang in onzekerheid heeft moeten verkeren over de afloop ervan, resulteert erin dat de rechtbank de op te leggen gevangenisstraf vermindert: twee maanden in plaats van tien weken gevangenisstraf, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd.

Gelet op het advies van de reclassering ziet de rechtbank geen reden tot het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel. Mede om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding tot het opleggen van een contactverbod in de vorm van een bijzondere voorwaarde met het slachtoffer [benadeelde 1]. Bovendien heeft de verdachte zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis op 24 januari 2025 aan het contactverbod gehouden.

7. Vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De vordering van [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft, na wijziging ter terechtzitting, een vordering tot schadevergoeding van € 41.053,58 ingediend tegen de verdachte wegens schade die zij als gevolg van het in zaak A ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De vordering bestaat uit een bedrag van € 16.053,58 als vergoeding voor geleden materiële schade, bestaande uit de volgende posten:

- ziekenhuisdaggeldvergoeding € 70,00;

- eigen risico 2024 en 2026 in totaal € 378,18;

- gederfde inkomsten € 6.933,30;

- kosten traumatherapie € 1.611,49;

- medicatie € 60,61;

- ( toekomstig) gederfde inkomsten 2026 en 2027 € 7.000,00.

Ook wordt een bedrag van € 25.000,00 gevorderd als vergoeding voor geleden immateriële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade kan worden toegewezen. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade moet worden gematigd tot € 15.000,00. Het toegewezen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat enkel de kosten van het eigen risico in 2024 voor toewijzing in aanmerking komen, omdat niet blijkt dat de kosten van 2026 in verband staan tot het strafbare feit. Dit deel van de vordering moet worden afgewezen of de benadeelde partij moet niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering.

De raadsvrouw heeft voorts verzocht de post gederfde inkomsten van € 6.933,30 af te wijzen, omdat dit onvoldoende is onderbouwd. Uit het rapport van het UWV blijkt dat het slachtoffer inzetbaar was voor 24 uur per week en dat is ook het aantal uren dat zij voor het incident per week werkte.

De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering ten aanzien van de gevorderde toekomstige gederfde inkomsten ter hoogte van € 7.000,-, omdat dit toekomstige schade betreft.

De gevorderde kosten voor traumatherapie zijn onvoldoende onderbouwd.

Ten aanzien van de gevorderde ziekenhuisdaggeldvergoeding en de kosten voor medicatie heeft de raadsvrouw geen verweer gevoerd.

De raadsvrouw heeft verzocht de gevorderde immateriële schade te matigen tot € 3.500,00.

Oordeel van de rechtbank

Materiële (vermogens)schade

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden. De hoogte van het gevorderde bedrag voor ziekenhuisdaggeldvergoeding, eigen risico over 2024 en medicatie is door de verdediging niet betwist. De rechtbank vindt ook aannemelijk dat de benadeelde partij kosten ten behoeve van het eigen risico van 2026 heeft gemaakt, te weten € 43,82 voor diclofenac. Uit de toelichting bij het schadevergoedingsverzoek blijkt immers dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit nog steeds pijn heeft. De gevorderde kosten voor traumatherapie vindt de rechtbank ook voldoende onderbouwd door de declaratieoverzichten van de zorgverzekeraar en in rechtstreeks verband staan tot het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de gevorderde gederfde inkomsten dat het gaat om een complex civielrechtelijk vraagstuk dat een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist, mede gelet op het verweer van de verdediging. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit - mede gelet op het verweer van de verdediging - leidt tot een te grote en onevenredige belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering.

De rechtbank is ook van oordeel dat de benadeelde partij ten aanzien van de toekomstige gederfde inkomsten in 2026 en 2027 niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat deze schade nog niet is geleden en het onzeker is of deze schade in de toekomst als gevolg van het bewezen verklaarde feit wordt geleden.

De rechtbank zal daarom de gevorderde materiële schade gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 2.120,28, bestaande uit:

- ziekenhuisdaggeldvergoeding € 70,00;

- eigen risico 2024 en 2026 € 378,18;

- kosten traumatherapie € 1.611,49; en

- medicatie € 60,61.

Immateriële schade

De rechtbank is verder van oordeel dat aannemelijk is dat de benadeelde partij immateriële schade heeft ondervonden van het in zaak A bewezen verklaarde feit. Aangezien haar lichamelijk letsel is toegebracht komt deze schade op grond van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) voor vergoeding in aanmerking. Uit de medische stukken blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van de verdachte een neusfractuur en een gebroken elleboog heeft opgelopen, waarvoor een operatie aan de arm met schroeffixatie heeft plaatsgevonden. Uit de onderbouwde stukken bij het schadevergoedingsverzoek volgt dat het herstel moeizaam verloopt, dat de benadeelde partij tot op heden nog beperkingen en pijn heeft aan haar arm en dat de prognose van het herstel onduidelijk is. Uit het verzoek tot schadevergoeding volgt verder dat de benadeelde partij naar aanleiding van de mishandeling ook met psychische klachten kampt en hiervoor is verwezen naar een psycholoog. De rechtbank vindt echter onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een posttraumatische stressstoornis (PTSS). De rechtbank baseert de hoogte van de immateriële schadevergoeding daarom niet mede op de aanwezigheid van PTSS. De rechtbank heeft gekeken naar de bedragen aan immateriële schadevergoeding die door rechters in vergelijkbare zaken zijn toegewezen en neemt de Rotterdamse Schaal (een ordening van smartengeldenbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen) in aanmerking. De rechtbank zoekt voor het elleboogletsel aansluiting bij categorie C van paragraaf 5.8 (gering elleboogletsel) en voor de neusfractuur aansluiting bij hoofdstuk 13 (licht letsel). Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 10.000,00 billijk is.

Conclusie

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 12.120,28. De rechtbank zal het toegewezen bedrag aan materiële schade vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het indienen van de vordering tot schadevergoeding, zijnde 1 augustus 2026, tot aan de dag van de algehele voldoening. Er zijn namelijk onvoldoende aanknopingspunten om voor de verschillende materiële schadeposten te kunnen vaststellen wanneer deze schade exact is geleden. Het bedrag aan immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, zijnde 22 november 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het resterende gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.

Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

De vordering van [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 750,00 ingediend wegens immateriële schade die zij als gevolg van het in zaak B ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet is onderbouwd met een medische verklaring waaruit blijkt dat sprake is van langdurig ervaren gevolgen van het strafbare feit. De raadsvrouw heeft verzocht het eigen aandeel van de benadeelde partij in het ontstaan van het conflict mee te wegen en heeft verzocht het gevorderde bedrag te matigen tot € 250,00.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat de benadeelde partij immateriële schade heeft ondervonden van het in zaak B bewezen verklaarde feit. Aangezien haar lichamelijk letsel is toegebracht komt deze schade op grond van artikel 6:106 onder b BW voor vergoeding in aanmerking. Uit de medische stukken blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van de verdachte een forse zwelling van het jukbeen heeft opgelopen en enige tijd moeite had om haar kaken op elkaar te doen. Uit het verzoek tot schadevergoeding volgt verder dat de benadeelde partij naar aanleiding van de mishandeling ook met psychische klachten kampt. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade heeft de rechtbank gekeken naar de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Ook neemt de rechtbank de Rotterdamse Schaal in aanmerking en heeft zij gekeken naar de bedragen aan immateriële schadevergoeding die door rechters in (tot op zekere hoogte) vergelijkbare zaken zijn toegewezen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 oktober 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. De rechtbank ziet geen aanleiding om de schadevergoedingsplicht op grond van artikel 6:101 BW te verminderen. Uit de camerabeelden volgt weliswaar dat de benadeelde de verbale confrontatie met de verdachte niet uit de weg is gegaan, maar dat betekent niet dat de schade is ingetreden mede als gevolg van het gedrag van de benadeelde.

Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt ten behoeve van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast, zoals hieronder in de beslissing weergegeven. De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

8. Vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde taakstraf

Bij vonnis van 22 oktober 2024 in de zaak met parketnummer 15/058591-24 heeft de politierechter van de rechtbank Noord-Holland de verdachte veroordeeld wegens poging tot zware mishandeling in vereniging tot onder meer een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging niet opportuun is, gelet op het tijdsverloop en het positieve ontwikkelingen die de verdachte heeft doorgemaakt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd over de vordering te oordelen en de officier van justitie is daarin ontvankelijk. De verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd schuldig gemaakt aan een nieuw (soortgelijk) strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf overtreden. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging daarom toewijzen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte in zaak A primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de in zaak A subsidiair en in zaak B ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 12.120,28 (zegge: twaalfduizend honderdtwintig euro en achtentwintig cent), bestaande uit € 2.120,28 materiële schade en € 10.000,00 immateriële schade.

Voornoemd bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente, ten aanzien van de materiële schade vanaf 21 augustus 2026 en ten aanzien van de immateriële schade vanaf

22 november 2024, telkens tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de benadeelde partij, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van voornoemde benadeelde partij van een bedrag van € 12.120,28, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door maximaal 85 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente ten aanzien van de materiële schade vanaf 21 augustus 2026 en ten aanzien van de immateriële schade vanaf 22 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij geheel toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 750,00 euro (zegge: zevenhonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade.

Voornoemd bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 oktober 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de benadeelde partij, voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van voornoemde benadeelde partij van een bedrag van € 750,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door maximaal 7 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/058591-24 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 40 (veertig) uren, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Noord-Holland van 22 oktober 2024. De taakstraf wordt vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis als deze door de verdachte niet (goed) wordt uitgevoerd.

Voorlopige hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J. Riem, voorzitter,

mr. J.M. Jongkind en mr. A. Talmricht, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.I. Hoedjes,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 september 2026.

Bijlage

De bewijsmiddelen

(…)

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.J. Riem
  • mr. J.M. Jongkind
  • mr. A. Talmricht

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand