RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/068724-26 en 02/222677-25 (TUL) (P)
Uitspraakdatum: 6 oktober 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 september 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum], geboorteplaats en -land onbekend,
verblijvende op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Pieplenbosch en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. C. Peters, advocaat te Zaandam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1
Primair
hij op of omstreeks 8 februari 2026 te Wijdewormer, gemeente Wormerland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
-een of meermalen tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of lichaam van die [benadeelde 1] heeft geslagen,
-de keel van die [benadeelde 1] heeft dichtgeknepen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiair
hij op of omstreeks 8 februari 2026 te Wijdewormer, gemeente Wormerland [benadeelde 1] heeft mishandeld, door
-een of meermalen tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of lichaam van die [benadeelde 1] te slaan,
-aan de haren van die [benadeelde 1] te trekken en/of
-de keel van die [benadeelde 1] dicht te knijpen;
Feit 2
hij op of omstreeks 25 februari 2026 te Wijdewormer, gemeente Wormerland [benadeelde 1] heeft mishandeld, door
-een of meermalen tegen het gezicht, althans het hoofd, en/of lichaam van die [benadeelde 1] te slaan;
Feit 3
hij op of omstreeks 25 februari 2026 te Wijdewormer, gemeente Wormerland opzettelijk [benadeelde 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door
-in de nacht de woning van die [benadeelde 1] zonder toestemming te betreden,
-de voordeur van de woning van die [benadeelde 1] op slot te draaien,
-(vervolgens) die [benadeelde 1] vast te houden in haar slaapkamer en/of te mishandelen in haar woning en/of
-die [benadeelde 1] te beletten te gaan en te staan waar zij wilde;
Feit 4
hij op of omstreeks 6 maart 2026 te Zaandijk, gemeente Zaanstad, [benadeelde 2] (arrestantenverzorger bij Eenheid Noord-Holland) heeft mishandeld, door die [benadeelde 2] tegen het lichaam te trappen, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. De standpunten
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 en 4 ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Bij het subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman verzocht de verdachte partieel vrij te spreken, voor zover de tenlastelegging ziet op het dichtknijpen van de keel. Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 heeft de raadsman integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de trappende beweging die de verdachte naar de aangeefster heeft gemaakt niet raak is geweest. De aangeefster is volgens de verdediging ten val gekomen doordat de verdachte door haar collega’s de cel in werd bewogen, waardoor zij in contact met het been van de verdachte is gekomen. De verdachte heeft op dat moment geen trappende beweging naar de aangeefster gemaakt. Volgens de raadsman is dan ook geen sprake geweest van opzet op mishandeling op dat moment.
4. Oordeel van de rechtbankDe rechtbank zal hieronder per feit bespreken wat haar oordeel is over de tenlastegelegde feiten. Op de standpunten van de officier van justitie en die van de raadsman zal hierbij, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
Feit 1
De voornaamste vraag die aan de rechtbank voorligt bij het eerste ten laste gelegde feit is of het handelen van de verdachte op 8 februari 2026 een poging tot zware mishandeling oplevert. Om tot een bewezenverklaring te komen voor een poging tot zware mishandeling moet de verdachte het (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster [benadeelde 1]. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is sprake indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn, dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.
Partiële vrijspraak feit 1
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het dichtknijpen van de keel van aangeefster [benadeelde 1]. Gelet op haar aangifte en het proces-verbaal van de verbalisant ter plaatse met een beschrijving van het waargenomen letsel, gaat de rechtbank er weliswaar vanuit dat de verdachte de keel van aangeefster heeft dichtgeknepen. Het dossier geeft echter onvoldoende duidelijkheid over de aard, de duur en de intensiteit van het dichtknijpen van de keel. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat met dit handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans bestond dat hij de aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat die handeling geen poging tot zware mishandeling oplevert.
Bewijsoverweging feit 1
De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte aangeefster [benadeelde 1] meerdere keren hard tegen het gezicht heeft geslagen met zijn vuist.
Naar algemene ervaringsregels roept het hard slaan in het gezicht de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt, zeker als dit met de vuist gebeurt. Het gezicht is namelijk een kwetsbaar lichaamsdeel, omdat zich daar belangrijke zintuigen en kwetsbare botstructuren bevinden. Door het hard slaan tegen het gezicht kunnen zintuigen aangetast worden of breuken worden veroorzaakt in de botstructuren, waarvoor medisch ingrijpen noodzakelijk kan zijn en/of volledig herstel lang kan duren. Uit het dossier volgt dat de verdachte aangeefster op meerdere plekken in huis heeft geslagen. De eerste klap viel in de slaapkamer, waarna aangeefster zich in de badkamer heeft verschanst. De verdachte is daar achter haar aangegaan en heeft haar ook in de badkamer geslagen. Ook toen zij daaruit kwamen, bleef hij haar slaan. Hierbij heeft hij haar veelvuldig op het hoofd en tegen het gezicht geraakt. Uit de letselverklaring van de spoedeisende hulp blijkt dat aangeefster als gevolg van het slaan van de verdachte (onder meer) letsel heeft opgelopen bij de oogkas, een kwetsbaar deel van het gezicht. Het zo vaak en hard slaan tegen het gezicht zoals de verdachte heeft gedaan, kan naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel, dat de rechtbank – bij het ontbreken van contra-indicaties – van oordeel is dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard.
Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Feiten 2 en 3
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen wat de verdachte onder feit 3 is ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 2 (de mishandeling) stelt de rechtbank vast dat de verbalisant ter plaatse een rood met blauwe vlek in de hals van aangeefster [benadeelde 1] beschrijft. Aangeefster verklaart op dat moment dat deze verwonding is ontstaan doordat de verdachte haar bij de keel gegrepen had. De rechtbank overweegt dat dit letsel en de verklaring van aangeefster ter plaatse niet passen bij de in de aangifte en tenlastelegging beschreven handelingen die op 25 februari 2025 zouden hebben plaatsgevonden, namelijk het slaan tegen het gezicht, hoofd en/of lichaam. Het beschreven letsel kan dan ook niet als steunbewijs dienen. Nu het dossier geen ander steunbewijs voor dit feit bevat, moet de verdachte ook worden vrijgesproken van wat hem onder feit 2 ten laste is gelegd.
Feit 4
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. Uit het dossier blijkt dat de verdachte op het politiebureau uit zijn cel is ontsnapt, waarna meerdere politiemedewerkers hem terug zijn cel in proberen te dragen. Aangeefster [benadeelde 2] houdt daarbij de verdachte bij zijn linkervoet vast. De verdachte verzet zich fysiek tegen het terugplaatsen in de cel. Op de camerabeelden is door de rechtbank een schoppende beweging in de richting van aangeefster [benadeelde 2] waargenomen, waarna zij direct op de grond valt. De impact van het schoppende been van de verdachte is ook duidelijk door aangeefster in de aangifte beschreven. Gelet op het directe gevolg van de trap door de verdachte, namelijk het vallen van aangeefster [benadeelde 2], kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de verdachte aangeefster [benadeelde 2] daadwerkelijk tegen het lichaam heeft geraakt. Hiermee is, anders dan de raadsman heeft betoogd, dan ook sprake van opzet op de mishandeling.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feiten 1 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan, in die zin dat:
Feit 1
hij op 8 februari 2026 te Wijdewormer, gemeente Wormerland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- meermalen tegen het gezicht van die [benadeelde 1] heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 4
hij op 6 maart 2026 te Zaandijk, gemeente Zaanstad, [benadeelde 2] (arrestantenverzorger bij Eenheid Noord-Holland) heeft mishandeld, door die [benadeelde 2] tegen het lichaam te trappen, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1: poging tot zware mishandeling
Feit 4: mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
6. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
7. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 233 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd. De bijzondere voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. Ook dient aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) in de vorm van een contactverbod met [benadeelde 1] en een locatieverbod voor het adres van die [benadeelde 1] te worden opgelegd voor de duur van twee jaar, met twee weken vervangende hechtenis per keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van zes maanden. Ook deze vrijheidsbeperkende maatregel dient dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. De officier heeft verder gevorderd het tegen de verdachte verleende geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd die de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht overstijgt. Aan een voorwaardelijk strafdeel zouden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is de door officier van justitie gevorderde vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, nu aangeefster [benadeelde 1] duidelijk kenbaar heeft gemaakt geen strafvervolging of straf te wensen en ook geen contact- of locatieverbod te willen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte.Ernst van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit, namelijk aan een poging tot zware mishandeling van zijn toenmalige partner door haar – onder andere – meerdere keren hard met de vuist tegen haar gezicht te slaan. Hiermee heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De mishandeling vond plaats in de woning van het slachtoffer, bij uitstek de plek waar zij zich veilig moet voelen. Deze situatie moet voor het slachtoffer uiterst beangstigend zijn geweest, hetgeen ook blijkt uit de door haar gedane aangifte bij de politie. Zij heeft gedacht dat de verdachte haar dood zou maken. Andere huisgenoten waren ook getuige van de mishandeling, waardoor ook bij hen gevoelens van onveiligheid zijn ontstaan.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het mishandelen van een politieagente, terwijl zij als arrestantenverzorgster aan het werk was. Geweld tegen personen met een publieke taak, zoals politieambtenaren, is volstrekt onaanvaardbaar. Dergelijk gedrag tegen politieambtenaren tijdens het uitoefenen van hun werkzaamheden getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. De politiemedewerkster moet in het belang van de openbare orde en veiligheid veilig kunnen functioneren zonder daarbij geconfronteerd te worden met geweld. Bovendien heeft het gedrag van de verdachte voor de betrokken politiemedewerkster persoonlijk enorm grote gevolgen gehad. Uit de toelichting op de vordering tot schadevergoeding blijkt (onder meer) dat zij kampt met klachten als gevolg het handelen van de verdachte. De rechtbank rekent de verdachte dit alles zwaar aan.
Persoon van de verdachte Uit het strafblad van de verdachte van 26 augustus 2026 blijkt dat hij in het verleden meerdere keren is veroordeeld wegens geweldsdelicten. In oktober 2025 is de verdachte nog onherroepelijk veroordeeld voor mishandeling van slachtoffer [benadeelde 1]. Daarnaast is de verdachte in december 2025 onherroepelijk veroordeeld voor geweld tegen de politie. Bovendien liep de verdachte ten tijde van het plegen van deze feiten in een proeftijd. De rechtbank weegt dat in haar afweging bij de op te leggen straf in strafverzwarende zin mee.
Uit het rapport van de reclassering van 18 augustus 2026 volgt verder dat het risico op herhaling van (gewelds)delicten als gemiddeld-hoog wordt ingeschat en het risico op letsel als hoog. Hierbij is met name gekeken naar de meerdere justitiecontacten met een geweldscomponent binnen een relatief korte periode. De reclassering ziet bij de verdachte een gebrek aan agressieregulatie en adequate oplossingsvaardigheden binnen relaties. Zij adviseren gelet hierop een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling gericht op agressiebeheersing en dagbesteding. De reclassering adviseert verder, gelet op het recidiverisico en de kans op schade bij anderen, de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De verdachte heeft zelf aangegeven dat hij hulp nodig heeft om te voorkomen dat dit soort feiten in de toekomst weer gebeuren. Hij wil dan ook aan de bijzondere voorwaarden meewerken. Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft de verdachte zich gehouden aan alle voorwaarden die aan de schorsing waren verbonden. De verdachte heeft zich op de zitting schuldbewust opgesteld. De rechtbank zal het voorgaande ten voordele van de verdachte in haar afweging mee nemen.
Strafoplegging Gelet op de aard en de ernst van de gepleegde feiten – huiselijk geweld en geweld tegen de politie – en het feit dat de verdachte hiervoor eerder onherroepelijk is veroordeeld, ziet de rechtbank aanleiding om een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Om recidive te voorkomen is het echter belangrijk dat de verdachte wordt behandeld en dat deze behandeling snel op gang komt. Wanneer de verdachte nu terug moet naar de gevangenis, zal dit de benodigde behandeling doorkruizen en bestaat het risico dat beschermende factoren – zoals een woning en de inmiddels gerealiseerde dagbesteding – wegvallen. Dat zal niet bijdragen aan beperking van de kans op herhaling. De rechtbank heeft verder bij het bepalen van de hoogte van de straffen gekeken naar straffen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden opgelegd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke strafdeel gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht passend is. De rechtbank zal de verdachte dan ook een gevangenisstraf voor de duur van 214 dagen opleggen, waarvan 40 dagen geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, ambulante behandeling en dagbesteding verbinden.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank is van oordeel dat er, zonder de benodigde behandeling, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte weer een dergelijk misdrijf zal begaan. De verdachte is immers eerder veroordeeld voor geweldsdelicten, waaronder gericht tegen eenzelfde slachtoffer in de onderhavige zaak en tegen de politie. Daarom zal zij bevelen dat de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Geen maatregel De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel met contact- en locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, gelet op de wensen van het slachtoffer [benadeelde 1]. Verder zijn er op dit moment geen aanwijzingen dat de verdachte zich opnieuw (na het wijzen van het vonnis) belastend zal gedragen jegens het slachtoffer, nu de relatie al geruime tijd verbroken is en er geen onderling contact meer is geweest.
Voorlopige hechtenis De rechtbank zal het tegen de verdachte verleende geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 16.536,75 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 4 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De benadeelde partij heeft verzocht dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De gestelde materiële schade van € 1.199,25 bestaat uit de kosten voor huishoudelijke hulp, gebaseerd op De Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp. De immateriële schade is opgebouwd uit € 1.337,50 voor het fysieke letsel en € 4.000,00 voor het geestelijk letsel dat zij als gevolg van het bewezenverklaarde feit heeft geleden. De hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de benadeelde partij mede onderbouwd met een verwijzing naar de Rotterdamse schaal en De Richtlijn Licht Letsel van De Letselschade Raad. Daarnaast heeft [benadeelde 2] voor eventuele toekomstige schade een bedrag gevorderd van € 10.000,00.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 6.536,75 te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor het overige dient de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu dit toekomstige schade betreft. De officier van justitie heeft verder verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Ook ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de beoordeling hiervan een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte betwist. Gelet op deze betwisting is de namens de benadeelde partij gegeven onderbouwing onvoldoende. De benadeelde partij heeft onvoldoende aangetoond dat zij in het geheel niet in staat is huishoudelijke taken uit te voeren. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of 'op andere wijze' in haar persoon is aangetast. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. In beginsel moet degene die zich hierop beroept de aantasting in de persoon met concrete gegevens onderbouwen. In bepaalde gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending echter meebrengen dat relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen.
De benadeelde partij heeft gesteld dat zij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten bloeduitstortingen, spierpijn, stijfheid en klachten aan de rug, nek en armen. Op foto’s die direct na het feit zijn genomen is te zien dat zij blauwe plekken heeft opgelopen. Uit de context van het feit, de schop en aansluitende val is aannemelijk dat zij pijn en letsel heeft gehad door het handelen van de verdachte. De rechtbank is van oordeel dat door de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd dat haar lichamelijk letsel binnen categorie 13 sub a (herstelperiode van ongeveer vier tot zes maanden) van de Rotterdamse Schaal valt. Zij heeft weliswaar gesteld dat zij zich onder behandeling van een fysiotherapeut heeft moeten stellen, maar stukken hiervan ontbreken. Ook uit het overgelegde huisartsenjournaal blijkt niet van fysiek letsel met een langere herstelduur. Wel ziet de rechtbank dat het lichamelijk letsel past binnen categorie 13 sub c (herstelperiode van ongeveer twee maanden) van de Rotterdamse schaal. De omvang van de immateriële schade met betrekking tot het lichamelijk letsel stelt de rechtbank naar billijkheid vast op een bedrag van € 500,00 en verklaart het overige gevorderde niet-ontvankelijk.
Op basis van de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij kan de rechtbank vaststellen dat de benadeelde partij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit ook geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de verklaring van de psycholoog van ARQ volgt dat de benadeelde partij last heeft van klachten die passend zijn bij een posttraumatische stressstoornis naar aanleiding van een ‘incident met een arrestant’. Daarnaast wordt traumabehandeling ‘gericht op de gebeurtenis met de arrestant’ geadviseerd. Hieruit concludeert de rechtbank dat het geestelijk letsel rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij heeft tot op heden last van deze klachten.
Net als de benadeelde partij zoekt de rechtbank voor het geestelijk letsel aansluiting bij de sub c (middelzwaar) van categorie 14.1, zijnde bedragen tussen € 4.000,00 en € 13.000,00. De rechtbank zal de omvang van de immateriële schade voor het geestelijk letsel naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 4.000,00, zoals gevorderd door de benadeelde partij.
De rechtbank zal de opgenomen stelpost van € 10.000,00 voor wat betreft toekomstige schade niet-ontvankelijk verklaren.
Toegewezen bedrag
In totaal zal de vordering dan ook tot een bedrag van € 4.500,00 worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
Daarnaast zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 4 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: mishandeling begaan tegen een ambtenaar] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen. Dit betekent dat de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat (het CJIB) dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 4.500,00 aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2026 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
9. Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 14 oktober 2025 in de zaak met parketnummer 02/222677-25 heeft de rechtbank te Zeeland-West-Brabant de verdachte ter zake van mishandeling en vernieling veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 3 november 2025 aan de verdachte toegezonden.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 29 oktober 2025 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf om te zetten naar een taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De rechtbank zal daarbij bepalen dat de opgelegde gevangenisstraf zal worden omgezet in een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van zestig uur, te vervangen door twee weken hechtenis bij het niet nakomen.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.
11. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feiten 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder feiten 1 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder feiten 1 en 4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tweehonderdveertien (214) dagen. Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot veertig (40) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. Meldplicht bij de reclassering
de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland in de plaats waar hij gaat verblijven.
2. Ambulante behandeling
de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een forensische polikliniek te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing.
3. Dagbesteding
de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Benadeelde partij
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 2] geleden schade tot een bedrag van € 4.500,00, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering tot tenuitvoerlegging
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 02/222677-25, in die zin dat in plaats van de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf, opgelegd bij vonnis van de rechtbank op 14 oktober 2025, wordt opgelegd een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van zestig (60) uren, subsidiair twee (2) weken hechtenis.
Voorlopige hechtenis
Heft met ingang van heden op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R.V. Loeve, voorzitter,
mr. N. Rogmans en mr. S. Mac Donald, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.T. Golstein,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 oktober 2026.