RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Alkmaar
Parketnummer: 15/224872-25
Raadkamernummer: 013092-26
Uitspraakdatum: 22 september 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 98, vierde lid jo. artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. L.E. Verwey, advocaat, kantoorhoudende aan de Apollolaan 151, 1077 AR Amsterdam,
hierna te noemen: de klager, tevens beslagene.
Procedure
Het strafrechtelijk onderzoek met bovengenoemd parketnummer richt zich op mogelijke mensenhandel, in het bijzonder de (financiële) uitbuiting van [benadeelde 1] door de verdachte [verdachte] (hierna: de verdachte) in de periode van 1 september 2022 tot en met
4 november 2025.
In het onderzoek is naar voren gekomen dat Veilig Thuis in 2017 een melding heeft gedaan van mogelijk “financieel misbruik en emotioneel geweld” door de verdachte van een ander persoon, te weten, de heer [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2]). [benadeelde 2] is overleden op [overlijdensdatum].
Op 4 november 2025 heeft een doorzoeking plaatsgevonden op het adres van de verdachte. Tijdens deze doorzoeking is beslag gelegd op verschillende documenten, te weten:
1. een testament van de heer [benadeelde 2] van 23 augustus 2016, verleden door kandidaat-notaris [betrokkene] als waarnemer van de klager (zaaknummer [zaaknummer 1]EK, repertoriumnummer [repertoirnummer]);
2. een concepttestament van de heer [benadeelde 2] (zaaknummer [zaaknummer 2]/EK);
3. een eerder, inmiddels herroepen testament van de heer [benadeelde 2] van 17 maart 2005 en verleden door de klager (dossiernummer [dossiernummer], repertoriumnummer: [reptertoirnummer]);
4. vier brieven en drie declaraties aan het adres van de verdachte, allemaal met betrekking tot zaaknummer [zaaknummer 3], te weten de nalatenschap van de heer [benadeelde 2].
Bij brief van 19 november 2025 heeft de rechter-commissaris aan de klager verzocht om zich uit te laten over de vraag of het inbeslaggenomen concepttestament en het inmiddels herroepen testament (hiervoor genoemd onder 2. en 3.) al dan niet onder zijn verschoningsrecht vallen. De klager heeft op 25 november 2025 de rechter-commissaris bericht dat de “(concept)testamenten (dossiernummers [zaaknummer 1] en [dossiernummer])” onder zijn geheimhoudingsplicht vallen en dat hij daarom een beroep op zijn verschoningsrecht doet.
Bij beslissing van 3 december 2025 heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat de voortduring van het beslag van de onder hiervoor onder 1. tot en met 3. genoemde stukken is toegestaan en dat deze documenten aan de officier van justitie kunnen worden verstrekt ter kennisname en gebruikt mogen worden in het strafrechtelijke onderzoek naar de verdachte.
Op 17 december 2025 heeft de klager een klaagschrift ingediend tegen de beslissing van de rechter-commissaris ten aanzien van de hiervoor onder 2. en 3. genoemde stukken. Op 14 april 2026 heeft de rechtbank het beklag gegrond verklaard.
Op 15 april 2026 heeft de rechter-commissaris de motivering van zijn beslissing ten aanzien van de hiervoor onder 4. genoemde documenten als volgt aangevuld:
“Evenals de bescheiden die onderwerp waren van voornoemde klaagschriftprocedure, zien de onderhavige bescheiden op de heer [benadeelde 2] en op niet de heer [benadeelde 1], waar de verdenking op ziet. Dit maakt naar het oordeel van de rechter-commissaris echter niet dat er om die reden geen sprake kan zijn van documenten die zijn aan te merken als corpora of instrumenti delicti.”
Op 24 april 2026 heeft de klager een klaagschrift ingediend tegen de beslissing van de rechter-commissaris ten aanzien van diens beslissing met betrekking tot de vier brieven en drie declaraties aan het adres van de verdachte, allemaal met betrekking tot zaaknummer [zaaknummer 3], te weten de nalatenschap van de heer [benadeelde 2] (zie hiervoor onder 4.).
De officier van justitie heeft op voorhand schriftelijk haar standpunt kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 8 september 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
Standpunt van de klager
De klager heeft zich in het klaagschrift op het standpunt gesteld dat de rechter-commissaris er ten onrechte aan voorbij gaat dat de beoordeling of stukken onder het professioneel verschoningsrecht vallen, toekomt aan de geheimhouder (in dit geval de klager), en dat dit oordeel van de geheimhouder op grond van vaste jurisprudentie moet worden gerespecteerd. Voorts is geen rekening gehouden met het feit dat de klager geen verdachte is. Bij gebrek aan nadere motivering van de beslissing van de rechter-commissaris, is onduidelijk voor de klager welke omstandigheden er volgens de rechter-commissaris toe zouden moeten leiden dat het verschoningsrecht van de klager doorbroken zou moeten worden in het belang van de gestelde waarheidsvinding. Zoals de rechter-commissaris zijn oordeel nu heeft geformuleerd, lijkt daaruit te volgen dat iedere mogelijke bron van relevante informatie voor een strafrechtelijk onderzoek in het kader van waarheidsvinding niet meer onder het verschoningsrecht zou hoeven vallen. Dit is in strijd met het algemene fundamentele rechtsbeginsel van geheimhouding, zoals aangenomen door de Hoge Raad, dat beoogt een vrije toegang tot de rechtsbedeling te waarborgen: het is daartoe noodzakelijk dat eenieder zich vrijelijk tot een notaris kan wenden voor juridische bijstand of advies en daarbij verzekerd is van het vertrouwelijk karakter van hetgeen aan de notaris wordt toevertrouwd. Ook wijst de klager erop dat de rechter-commissaris - anders dan gebruikelijk - geen (kenbaar) advies heeft ingewonnen bij de Ringvoorzitter van de Ring Noord-Holland van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB), alvorens zonder nadere motivatie het verschoningsrecht van de klager (niet zijnde een verdachte) terzijde te schuiven. De klager kan zich op grond van het voorgaande dan ook niet vinden in voornoemde beslissing van de rechter-commissaris.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift gegrond kan worden verklaard, gelet op het feit dat de rechtbank op 14 april 2026 het klaagschrift ten aanzien van soortgelijk beslag gegrond heeft verklaard. Daartegen is door het openbaar ministerie geen cassatie ingesteld.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het klaagschrift is ingediend binnen veertien dagen na de beslissing van de
rechter-commissaris. De klager is daarom ontvankelijk in het beklag.
Toetsingskader
Op grond van artikel 98 Sv mogen bij personen met een bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in artikel 218 Sv zonder hun toestemming brieven of andere geschriften tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt, niet in beslag worden genomen.
Uit artikel 98 lid 5 Sv volgt dat zonder toestemming van de verschoningsgerechtigde, brieven of geschriften in beslag mogen worden genomen indien die het voorwerp van het strafbare feit uitmaken (corpora delicti) of tot het begaan daarvan hebben gediend (instrumenta delicti). Zulke brieven en geschriften vallen niet onder het verschoningsrecht.
De aard van bevoegdheid tot verschoning brengt mee dat het oordeel over de vraag of brieven of geschriften onder het verschoningsrecht vallen in beginsel toekomt aan de tot verschoning gerechtigde persoon. Wanneer deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven of geschriften die noch voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan hebben gediend en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, moet dit standpunt door politie en justitie worden geëerbiedigd, tenzij er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan dat dit standpunt van de verschoningsgerechtigde onjuist is.
Het oordeel dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat het in dit verband door de verschoningsgerechtigde ingenomen standpunt onjuist is, komt in eerste instantie toe aan de rechter-commissaris. Voor zover dat noodzakelijk is, mag daartoe door de
rechter-commissaris van de desbetreffende stukken worden kennisgenomen.
De vraag of een inbeslaggenomen stuk ‘voorwerp van het strafbare feit uitmaakt’ of ‘tot het begaan daarvan heeft gediend’ laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar is in het bijzonder afhankelijk van de aard van het inbeslaggenomen stuk en de aard van het delict dat zou zijn begaan door de (rechts)persoon tegen wie de verdenking is gericht, alsmede de feitelijke gedragingen die hem in dat verband worden verweten (vgl. HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:8). De enkele omstandigheid dat het inbeslaggenomen stuk kan bijdragen aan de waarheidsvinding is in elk geval onvoldoende.
Het verschoningsrecht van de notaris, dat onder meer in de artikelen 98 en 218 Sv tot uitdrukking komt, is in zoverre niet absoluut dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt - ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap de notaris als zodanig is toevertrouwd - zwaarder moet wegen dan het verschoningsrecht. De beantwoording van de vraag welke omstandigheden als zeer uitzonderlijk moeten worden aangemerkt, laat zich niet in een algemene regel samenvatten. Factoren die een rol kunnen spelen bij de beoordeling hiervan zijn de vraag of het gaat om een verdenking jegens de verschoningsgerechtigde, de aard en de ernst van het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat het is begaan, de aard en de inhoud van het materiaal waarover zich het verschoningsrecht uitstrekt in verband met het belang dat door het verschoningsrecht wordt gediend, de mate waarin de betrokken belangen van de cliënt worden geschaad als het verschoningsrecht wordt doorbroken en de omstandigheid dat de gegevens niet op een andere manier kunnen worden verkregen (vgl. onder meer HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1369 en HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205).
Wat betreft het belang van de waarheidsvinding geldt als beoordelingsmaatstaf of de betreffende gegevens redelijkerwijs in een zodanig direct verband staan met het strafbare feit waarvan het vermoeden bestaat dat dit is begaan, dat deze gegevens kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen (vgl. HR 30 oktober 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD7280).
Beoordeling
De rechtbank stelt allereerst vast dat de klager een notaris is en op grond van artikel 218 Sv het verschoningsrecht toekomt. De inbeslaggenomen documenten zijn stukken die de klager in het kader van zijn ambt heeft opgesteld. De klager heeft zich op het standpunt gesteld dat deze documenten onder zijn verschoningsrecht vallen. Het oordeel van de
rechter-commissaris, dat de stukken worden aangemerkt als geheimhoudersstukken, die in beginsel vallen onder het verschoningsrecht, staat daarmee niet ter discussie.
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of de geheimhoudersstukken onder de uitzondering van artikel 98 lid 5 Sv vallen.
De rechtbank stelt vast dat gelet op de toelichting van de officier van justitie bij de behandeling in raadkamer op 31 maart 2026, de verdenking tegen de verdachte uitsluitend ziet op de uitbuiting van [benadeelde 1]. Naar een eventuele uitbuiting door de verdachte van [benadeelde 2] wordt geen onderzoek gedaan. [benadeelde 2] speelt volgens de officier van justitie “een rol in de marge” en de resultaten die het onderzoek naar de inbeslaggenomen documenten kunnen opleveren, kunnen mogelijk relevant zijn in het kader van een duiding van een modus operandi van de verdachte en/of relevant zijn in het kader van de strafmaat, aldus de officier van justitie. In onderhavige klaagschriftprocedure heeft de officier van justitie daarover geen ander standpunt ingenomen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de documenten geen voorwerp van het strafbare feit uitmaken en niet zijn aan te merken als een voorwerp dat tot het begaan van het strafbare feit heeft gediend. De verdenking ten aanzien van de verdachte ziet immers op de uitbuiting van [benadeelde 1] en niet (mede) op die van [benadeelde 2]. Er is dus geen sprake van de uitzonderingsituatie beschreven in artikel 98 lid 5 Sv.
Dat betekent dat inbeslagname van voornoemde stukken op grond van artikel 98 lid 1 Sv niet is toegestaan, tenzij sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die meebrengen dat het belang dat de waarheid aan het licht komt, zwaarder moet wegen dan het verschoningsrecht. De officier van justitie heeft zich niet op het standpunt gesteld dat hier sprake van is. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen grond voor het oordeel dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden die maken dat het verschoningsrecht in dit geval moet worden doorbroken. Daarbij speelt onder meer een rol dat het niet gaat om een verdenking jegens de verschoningsgerechtigde.
Het beklag van klager zal gelet op het voorgaande gegrond worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag gegrond.
Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum
Deze beslissing is gegeven door:
mr. J.M. Jongkind, voorzitter,
mr. A. Talmricht en mr. S.J. Riem, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.I. Hoedjes,
en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beslissing.