RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/335571-24 (P)
Uitspraakdatum: 22 september 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
8 september 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. van den Driest, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. V. Mes, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij in of omstreeks de periode van 31 december 2023 tot en met 31 oktober 2024 te Hoorn, althans in Nederland, een visuele weergave van seksuele aard, te weten diverse (naakt)foto's en/of video's, van een persoon, te weten [benadeelde], waarop te zien was dat die [benadeelde] geheel ontbloot is en/of seksuele handelingen verricht en/of zichzelf bevredigt, openbaar heeft gemaakt, terwijl verdachte wist dat die openbaarmaking nadelig voor die [benadeelde] kon zijn;
Feit 2 hij in of omstreeks de periode van 31 december 2023 tot en met 31 oktober 2024 te Hoorn, althans in Nederland, een of meer persoonsgegevens van een ander/of een derde, te weten het telefoonnummer en/of identiteitsbewijs van [benadeelde], zich heeft verschaft, heeft verspreid en/of anderszins ter beschikking heeft gesteld, met het oogmerk om die [benadeelde]- vrees aan te (laten)jagen en/of- ernstige overlast aan te (laten) doen;
Feit 3 hij in of omstreeks de periode van 31 december 2023 tot en met 31 oktober 2024 te Hoorn, althans in Nederland, een ander, te weten [benadeelde], door bedreiging met smaad en/of smaadschrift gericht tegen die [benadeelde], heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het beëindigen van de relatie door te dreigen dat hij, verdachte, anders haar naakt- en/of seksueel getinte foto’s en/of video’s zal verspreiden;
Feit 4 hij in of omstreeks de periode van 31 december 2023 tot en met 31 oktober 2024 te Hoorn, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten de naam en foto’s en/of video’s van [benadeelde], althans een ander, heeft gebruikt, door op de naam van die [benadeelde] een Snapchat account aan te maken en/of daarop (seksueel getinte) teksten en/of afbeeldingen te delen en/of anderen te benaderen, als ware hij, verdachte, die [benadeelde] was, met het oogmerk om zijn/haar identiteit te verhelen en/of de identiteit van de ander te verhelen en/of te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 in de periode van 8 juni 2024 tot en met 23 september 2024. Ten aanzien van feit 2 en feit 4 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van deze feiten gepleegd in de periode van 10 juni 2024 tot en met 1 augustus 2024. Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring in de periode van 31 december 2023 tot en met 1 oktober 2024.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het overige moet worden vrijgesproken.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit voor de pleegperiode buiten 8 juni 2024 tot en met 23 september 2024. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit voor de pleegperiode buiten 10 juni 2024 tot en met 1 augustus 2024, omdat vanaf 10 juni 2024 pas sprake is geweest van het daadwerkelijk verspreiden van persoonsgegevens. De raadsman heeft voor feit 3 vrijspraak bepleit voor de periode buiten 23 september 2024, aangezien de verdachte enkel op die datum heeft gezegd beelden te zullen verspreiden als de relatie zou worden beëindigd. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman vrijspraak bepleit voor de periode buiten de datum van het aanmaken van het account op naam van de aangeefster, te weten 10 juni 2024.
Voor het overige heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Nadere bewijsoverwegingen
De rechtbank is ten aanzien van alle feiten van oordeel dat een kortere pleegperiode wettig en overtuigend bewezen is dan ten laste is gelegd en zal hieronder per feit uitleggen waarom.
Feit 1 (het openbaar maken van een visuele weergave van seksuele aard)
De verdachte heeft ter zitting toegegeven dat hij beeldmateriaal van seksuele aard heeft verspreid. Op basis van de bewijsmiddelen in het dossier stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 8 juni 2024 voor het eerst en op 23 september 2024 voor het laatst seksueel beeldmateriaal van de aangeefster heeft verspreid. Op de eerstgenoemde datum heeft hij naaktfoto’s van de aangeefster naar haar broer [betrokkene 1] gestuurd en op de laatstgenoemde datum heeft hij een filmpje waarop aangeefster zichzelf bevredigd gestuurd naar een medewerker van Veilig Thuis genaamd [betrokkene 2]. Een andere broer van aangeefster, [betrokkene 3], heeft op 19 september 2024 verklaard dat hij ongeveer twee maanden daarvoor van de verdachte via WhatsApp pornografische video’s heeft ontvangen waarop aangeefster te zien is. Dat is dus ongeveer medio juli 2024 geweest.
Op 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven (WSM) in werking getreden. Het openbaar maken van seksueel getint beeldmateriaal is sinds de inwerkingtreding van de WSM strafbaar gesteld in artikel 254ba van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Deze nieuwe wetsbepaling is onder feit 1 aan de verdachte ten laste gelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat (enkel) wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte seksueel beeldmateriaal van de aangeefster heeft verspreid in de zin van artikel 254ba Sr in de periode 1 juli 2024 tot en met 23 september 2024.
Feit 2 (doxing)
De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij in 2024 het telefoonnummer van de aangeefster en een foto van haar identiteitskaart via Snapchat heeft gedeeld. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte het betreffende Snapchat-account op 10 juni 2024 heeft aangemaakt. Op 1 augustus 2024 heeft de aangeefster aangifte gedaan van dit feit. Daarom acht de rechtbank (net als de officier van justitie en de raadsman) wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 10 juni 2024 tot en met 1 augustus 2024 persoonsgegevens van de aangeefster heeft verspreid. De verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij wist dat dit voor aangeefster nadelige gevolgen zou kunnen hebben en dat hij boos was. De verdachte heeft bij deze persoonsgegevens teksten geplaatst als ‘app me mensen’ en ‘vraag na me filmpjes’. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte het oogmerk had om de aangeefster ernstige overlast te bezorgen.
Feit 3 (dwang)
Uit de bewijsmiddelen in het dossier en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting leidt de rechtbank af dat de verdachte op meerdere momenten in de periode van 31 december 2024 tot en met 1 oktober 2024 heeft gedreigd om seksueel beeldmateriaal van de aangeefster te verspreiden. Zo dreigde de verdachte niet alleen dat hij “het” online zou zetten, als aangeefster de relatie zou beëindigen, maar ook als de aangeefster niet naar hem zou luisteren, als de aangeefster niet “normaal” of iets “doms” zou doen, of als ze niet naar hem zou toekomen. Uit de aard van het dreigement en de verklaring van de aangeefster blijkt dat deze uitingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden hebben geleid tot een zodanige psychische druk dat de aangeefster werd gedwongen om iets te doen, niet te doen of te dulden. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gedreigd met smaadschrift in die periode. De rechtbank beperkt de bewezenverklaring daarmee niet enkel tot de feitelijkheid dat de verdachte met deze dwang het doel had om te voorkomen dat de aangeefster de relatie zou verbreken. Het gaat er immers om dat de verdachte de aangeefster in haar vrijheid van handelen heeft beperkt door dwang op haar uit te oefenen in voormelde zin.
Feit 4 (identiteitsfraude)
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met de persoonsgegevens van de aangeefster een Snapchat-account heeft aangemaakt en daarop teksten en afbeeldingen heeft verspreid waarbij hij zich voordeed als de aangeefster, terwijl hij wist dat dit nadelig kon zijn voor de aangeefster. De rechtbank heeft hiervoor al vastgesteld dat de verdachte dit account op 10 juni 2024 heeft aangemaakt. Hierop heeft hij onder meer haar telefoonnummer en identiteitsbewijs geplaatst met daarbij de vermelding ‘ben het echt’. Op 1 augustus 2024 heeft de aangeefster aangifte gedaan van dit feit. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 10 juni 2024 tot en met 1 augustus 2024 misbruik heeft gemaakt van de persoonsgegevens van de aangeefster terwijl hij wist dat dit nadelige gevolgen voor haar kon hebben.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat
Feit 1
hij in de periode van 1 juli 2024 tot en met 23 september 2024 in Nederland, visuele weergaven van seksuele aard, te weten foto's en/of video's van een persoon, [benadeelde], waarop te zien was dat die [benadeelde] geheel ontbloot is en/of seksuele handelingen verricht en/of zichzelf bevredigt, openbaar heeft gemaakt, terwijl verdachte wist dat die openbaarmaking nadelig voor die [benadeelde] kon zijn;
Feit 2 hij in de periode van 10 juni 2024 tot en met 1 augustus 2024 in Nederland, persoonsgegevens van een ander, te weten het telefoonnummer en identiteitsbewijs van [benadeelde], heeft verspreid, met het oogmerk om die [benadeelde]- ernstige overlast aan te (laten) doen;
Feit 3 hij in de periode van 31 december 2023 tot en met 1 oktober 2024 in Nederland, een ander, [benadeelde], door bedreiging met smaadschrift gericht tegen die [benadeelde], heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, door te dreigen dat hij, verdachte, anders haar naakt- en/of seksueel getinte foto’s en/of video’s zou verspreiden;
Feit 4 hij in de periode van 10 juni 2024 tot en met 1 augustus 2024 in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander te weten de naam en foto’s en/of video’s van [benadeelde], heeft gebruikt, door op de naam van die [benadeelde] een Snapchat account aan te maken en daarop (seksueel getinte) teksten en/of afbeeldingen te delen, alsof hij, verdachte, die [benadeelde] was, met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen en de identiteit van de ander te misbruiken, waardoor enig nadeel kon ontstaan.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1: openbaar maken van een visuele weergave van seksuele aard van een persoon, terwijl diegene weet dat die openbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn.
Feit 2: het verspreiden van persoonsgegevens van een ander met het oogmerk om die ander ernstige overlast aan te doen dan wel aan te laten doen.
Feit 3: een ander door bedreiging met smaadschrift dwingen iets te doen/niet te doen/te dulden.
Feit 4: opzettelijk en wederrechtelijk identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van een ander gebruiken met het oogmerk om zijn identiteit te verhelen/de identiteit van een ander te misbruiken, waardoor uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met aftrek van het voorarrest, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een contactverbod met de aangeefster. Ook heeft de officier van justitie gevorderd de verdachte een taakstraf van 180 uren op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de strafmaat ermee rekening te houden dat de verdachte jong is, first offender is en verantwoordelijkheid neemt voor zijn (impulsieve) handelen. De verdachte heeft inmiddels zijn leven op orde, verwacht een baby en draagt de zorg voor zijn moeder. De feiten zijn gedateerd en er is sprake van samenloop. De raadsman heeft verzocht om een taakstraf van 120 uren op te leggen, waarvan de helft voorwaardelijk met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De verdachte heeft geen bezwaar tegen het gevorderde contactverbod.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft over langere periode gedreigd beeldmateriaal van seksuele aard van de aangeefster, destijds zijn vriendin, te verspreiden. Hij heeft daarmee getracht zijn wil aan haar op te leggen. Ook heeft hij haar vertrouwen beschaamd en haar klem gezet, waardoor zij zich maandenlang onvrij en geestelijk gekweld moet hebben gevoeld. De verdachte heeft vervolgens de daad bij het woord gevoegd door dit beeldmateriaal van de aangeefster via WhatsApp met haar gezinsleden en een hulpverlener te delen. Ook heeft de verdachte dit materiaal met onbekenden via Snapchat gedeeld, waarbij hij zich heeft voorgedaan als de aangeefster door haar persoonsgegevens te misbruiken. Hiermee heeft hij haar identiteit, lichamelijke integriteit en goede naam op grove wijze geschonden. Het op het internet delen van dergelijk beeldmateriaal brengt het risico met zich dat dit een lange tijd beschikbaar blijft of zelfs nooit meer verdwijnt. Met de gevoelens van onzekerheid en onveiligheid die daarmee gepaard gaan, zal de aangeefster nu moeten leren leven. De rechtbank rekent dit de verdachte zeer aan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 juli 2026 (zijn strafblad), waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder wegens soortgelijke feiten is veroordeeld.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport van 11 maart 2026, waaruit het volgende kan worden afgeleid. De reclassering adviseert om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Er is geen sprake van een delictpatroon. Niet-adequate probleemoplossingsvaardigheden en een gebrekkige frustratietolerantie hebben geleid tot het delictgedrag. De verdachte is sociaal-maatschappelijk goed geïntegreerd en er is sprake van een stabiel netwerk. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag-gemiddeld en de reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan als bijzondere voorwaarden verbonden een meldplicht en een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard bereid te zijn om mee te werken aan deze voorwaarden.
Op te leggen straf
De aard, de duur en de ernst van de gepleegde feiten en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een hogere straf dan door de officier van justitie is geëist.
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte vindt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend. De rechtbank zal daarom aan de verdachte een hogere voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank gelet op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel naast de algemene voorwaarde ook als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en het verplicht deelnemen aan een gedragstraining verbinden. Daarnaast acht de rechtbank een contactverbod met [benadeelde] noodzakelijk. Dat verbod zal de rechtbank dan ook als bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf verbinden.
Om recht te doen aan de ernst van de feiten zal de rechtbank ook een hogere taakstraf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
7. Beslag
Onder de verdachte zijn de volgende goederen inbeslaggenomen en niet teruggegeven:
1. STK GSM (Omschrijving: PL1100-2024172066-1659499) (16594999);
2. 1 STK GSM (G1659500).
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen goederen verbeurd worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de onder de verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven telefoons verbeurd moeten worden verklaard. Uit het dossier en onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de bewezen verklaarde feiten met behulp van deze telefoons zijn begaan.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 57, 231b, 254ba, 284 en 285d Sr.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
- binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie Solo of COVA (Plus) van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact legt of laat leggen met het slachtoffer [benadeelde], geboren op [geboortedatum 2], zolang het openbaar ministerie dit verbod nodig vindt.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 200 (tweehonderd) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht (twee dagen) bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, in die zin dat voor elke dag die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.
Beslag
Verklaart verbeurd:
- 1 STK GSM (Omschrijving: PL1100-2024172066-1659499) (16594999);- 1 STK GSM (G1659500).
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. Talmricht, voorzitter,
mr. J.M. Jongkind en mr. S.J. Riem, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.I. Hoedjes,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 september 2026.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(…)