RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Alkmaar
raadkamernummer : 26-019390
datum : 24 september 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager],
gevestigd aan [adres],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. C.F.C. van Lookeren Campagne, advocaat te Amsterdam (Achillesstraat 79, 1076 PX Amsterdam),
hierna te noemen: de klaagster, tevens beslagene.
Feiten
Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv, blijkt dat op 16 juni 2026 onder de klaagster in beslag is genomen: een personenauto van het merk BMW (X5 Xdrive50e) met kenteken [kenteken].
Procedure
Het klaagschrift is op 1 juli 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 10 september 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
Namens de klaagster is in raadkamer verschenen: de heer [gemachtigde], gevolmachtigd bestuurder van de klaagster.
De rechtbank heeft de klager, de advocaat, mr. C.F.C. van Lookeren Campagne en de officier van justitie op zitting gehoord.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen personenauto aan de klager.
Door de raadsman is in raadkamer – samengevat – aangevoerd dat het voertuig (vermoedelijk) eigendom was van een Belgische leasemaatschappij en dat de (onbekend gebleven) lessee het voertuig heeft verduisterd en uitgevoerd naar Duitsland. Klaagster heeft het voertuig te goeder trouw aangekocht bij een Duitse professionele autohandelaar ‘[bedrijf]’ en geïmporteerd naar Nederland. Het voertuig heeft een Nederlands kenteken gekregen en stond in de systemen niet als gestolen of vermist geregistreerd.
Het voertuig is op grond van artikel 39 van de SIS-verordening in het kader van de waarheidsvinding in beslag genomen. Het voertuig stond gesignaleerd ter opsporing en om de identiteit van de bezitter vast te stellen. Dat is op 16 juni 2026 gebeurd. Er is geen strafvorderlijk belang meer om de auto onder beslag te houden. Het door het Openbaar Ministerie fysiek onder zich houden van een auto, waarbij klaagster is aangesteld als bewaarder, ten behoeve van de Leasemaatschappij en een eventuele civiele vordering, is geen belang als bedoeld in artikel 94 Sv. Het beslag dient dan ook te worden opgeheven.
Verder is de klaagster de redelijkerwijs rechthebbende van het voertuig. Klaagster heeft alles gedaan wat in haar macht lag om te voldoen aan de onderzoeksplicht. Zij heeft de auto aangekocht bij een professionele Duitse autohandelaar, zij heeft alle kentekenbewijzen ontvangen, twee originele sleutels, terwijl de auto niet als gestolen stond geregistreerd in de verschillende systemen. De RDW heeft na de invoer van de auto ook een Nederlandse kenteken afgegeven. Daarmee heeft klaagster het voertuig te goeder trouw aangeschaft en wordt zij beschermd tegen de eventuele beschikkingsonbevoegdheid van de vervreemder. Slechts bij diefstal komt de leasemaatschappij het driejarige revindicatierechte van artikel 3:86, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) toe.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond verklaard dient te worden. Het voertuig is op verzoek van de Belgische autoriteiten in beslag genomen en het strafvorderlijk belang van Belgie dient te prevaleren.
Subsidiair heeft de officier van justitie verzocht de behandeling van het klaagschrift aan te houden zodat de Belgische leasemaatschappij als belanghebbende opgeroepen kan worden.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen de twee jaren na inbeslagneming. De klager is daarom ontvankelijk in het beklag.
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast.
Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave als het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer dat voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, -ook in een zaak betreffende een ander dan de klager-, wanneer dat voorwerp kan dienen om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen of indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of de onttrekking aan het verkeer van dat voorwerp zal bevelen.
De rechtbank stelt vast dat de klaagster het inbeslaggenomen voertuig heeft gekocht bij [bedrijf], een autobedrijf gevestigd in [plaats] (Duitsland)
voor een marktconform bedrag van € 71.000,-. Bij de verkoop waren de benodigde kentekenpapieren, documenten en twee authentieke autosleutels aanwezig. Voorafgaand aan de verkoop heeft de klaagster online het bij het voertuig behorend VIN gecontroleerd.
De klaagster heeft het voertuig bij de RDW aangeboden om in Nederland in te voeren en op
Nederlands kenteken te zetten. De tenaamstelling verliep verder zonder problemen. De RDW noch de Belastingdienst hebben melding van een diefstalsignalering of het bestaan van een aangifte van diefstal, verduistering of fraude. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de klaagster als koper te goeder trouw en dus als rechthebbende dient te worden beschouwd, zodat de bescherming van artikel 3:86, eerste lid, BW haar toekomt. De uitzondering van artikel 3:86, derde lid, BW is hier niet aan de orde nu het drie jarige revindicatierecht van de eigenaar alleen in stand blijft als hij het bezit is verloren door diefstal (HR 12 oktober 1999, NJ 2000/36, ECLI:NL:HR: 1999:AC2680), waaronder niet valt verduistering. Op grond van het Duitse recht gelden eenzelfde soort bepalingen.
Het voertuig behoorde (kennelijk) toe aan een Belgische leasemaatschappij en is door de lessee verkocht aan de Duitse autohandelaar. Dat levert naar Nederlands recht verduistering op.
Verder stelt de rechtbank vast dat de auto in het kader van waarheidsvinding in beslag is genomen naar aanleiding van een SIS melding waarin werd verzocht om opsporing van het object en het vaststellen van de identiteit bezitter. De rechtbank stelt vast dat daaraan is voldaan. Een eventuele handhaving van het beslag zal dan enkel tot doel hebben om een waarborg te bieden voor de (tot nu toe nog onbekende) aangever in een nog aanhangig te maken civiele procedure. Dit is echter geen belang dat valt onder de reikwijdte van artikel 94 Sv.
Nu er geen strafvorderlijk belang meer bestaat bij het voortduren van het beslag en de rechtbank niet is gebleken dat een ander dan de klaagster redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van de auto is aan te merken, zal de rechtbank het klaagschrift gericht tegen het op grond van artikel 94 Sv gelegde beslag gegrond verklaren en de teruggave van de auto aan de klaagster gelasten.
Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de officier van justitie om aanhouding van de behandeling van het klaagschrift om de belanghebbende leasemaatschappij op te roepen, overweegt de rechtbank dat zij in aanloop naar de zitting diverse keren bij het Openbaar Ministerie verzocht heeft om gegevens van de leasemaatschappij die de auto heeft gesignaleerd. Ondanks verschillende keren rappelleren zijn die gegevens niet verstrekt. Ook ter zitting heeft de Officier van Justitie deze gegevens niet kunnen verstrekken, zelfs niet de naam van de betrokken leasemaatschappij. Bij deze stand van zaken zal de rechtbank de zaak niet aanhouden, nu reeds ruimschoots de gelegenheid is geweest om gegevens over deze belanghebbende te verstrekken, en het niet de verwachting is dat deze partij op korte termijn op zitting kan worden gehoord. Bovendien is daarbij van belang dat het alsnog oproepen van de belanghebbende geen verschil maakt voor bovenstaande beoordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave aan de klaagster van de personenauto van het merk BMW (X5 Xdrive50e) met kenteken [kenteken].
Deze beslissing is gegeven door
mr. A. Buiskool, rechter,
in tegenwoordigheid van D. Bokma, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beslissing.