ECLI:NL:RBNHO:2026:13663

ECLI:NL:RBNHO:2026:13663

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 01-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer 15/003094-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Geweldpleging in 2022 in het uitgaansgebied van Volendam na voetbalwedstrijd. Poging tot zware mishandeling door vanaf de kade te schoppen tegen het hoofd van een persoon die in het water stond. Overweging met betrekking tot voorwaardelijk opzet. Tevens bewezenverklaring openlijke geweldpleging. Overschrijding redelijke termijn. Taakstraf 120 uur en voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/003094-23 (P)

Uitspraakdatum: 1 oktober 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 september 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.J. Booij en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. T. Nieuwburg, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1hij op of omstreeks 12 november 2022 te Volendam, gemeente Edam-Volendam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een tot op heden onbekend gebleven persoon opzettelijk van het leven te beroven, (terwijl deze persoon in het water stond) met geschoeide voet en/of vanaf een hoger gelegen positie, met kracht en onverhoeds op/tegen (de zijkant van) het hoofd van de onbekend gebleven persoon heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 12 november 2022 te Volendam, gemeente Edam-Volendam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een tot op heden onbekend gebleven persoon opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (terwijl deze persoon in het water stond) met geschoeide voet en/of vanaf een hoger gelegen positie, met kracht en onverhoeds op/tegen (de zijkant van) het hoofd van de onbekend gebleven persoon heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2hij op of omstreeks 12 november 2022 te Volendam, gemeente Edam-Volendam openlijk, te weten, aan de Meerzijde en/of de Dril, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer perso(o)n(en) en/of een of meer goed(eren) door- met een of meerdere fietsen en/of barkrukken en/of stoelen en/of dozen te slaan en/of te gooien naar personen, althans voornoemde goederen ter hand te nemen en gereed te houden voor gebruik en/of met de goederen te dreigen en/of- personen (met broekriemen) te slaan en/of te schoppen, althans (met broekriemen) slaande en schoppende bewegingen te maken naar personen en/of- personen uit te dagen en (daarbij) een gevechtshouding aan te nemen en/of op personen af te rennen en/of- personen in het water te duwen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het slaan met de broekriem. Daar dient de verdachte partieel van te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak poging doodslag (feit 1 primair) Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt wel tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

Bewijsmotivering poging zware mishandeling (feit 1 subsidiair)

Op basis van het dossier en hetgeen is besproken op de terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 12 november 2022 werd in het stadion van FC Volendam een voetbalwedstrijd gespeeld tussen FC Volendam en FC Utrecht. Ondanks het uitgevaardigde horecaverbod voor FC Utrecht supporters, was een aantal FC Utrecht supporters in het horecagebied van Volendam aanwezig om de wedstrijd in een café te bekijken. De verdachte is na afloop van de wedstrijd met een aantal andere FC Volendam supporters ook naar een café in Volendam gegaan. Even later op de avond is het onrustig geworden en hebben er meerdere confrontaties tussen de FC Utrecht supporters en FC Volendam supporters plaatsgevonden. Daarbij is door zowel de FC Utrecht supporters als de FC Volendam supporters onder meer geschopt en geslagen, is over en weer met spullen (waaronder barkrukken en fietsen) gegooid en zijn FC Utrecht supporters in het water geduwd.

Op camerabeelden is te zien dat een persoon in het water staat en dat de verdachte zijn rechterbeen met geschoeide voet van achteren naar voren zwaait in de richting van het hoofd van die persoon. Het hoofd van die persoon klapt naar achteren en hij valt om, weg van de kade. De voet van de verdachte zwaait verder door de lucht. Anders dan door de verdediging is gesteld, concludeert de rechtbank dat de verdachte wel degelijk met kracht tegen het hoofd van de persoon in het water heeft geschopt. De verdachte stond daarbij op de kade, die een stuk hoger lag dan het water waar de persoon in stond en schopte onverhoeds, van korte afstand gericht tegen het hoofd van die persoon.

Voor een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling is van belang of de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank kan op grond van het voorgaande niet vaststellen dat de verdachte willens en wetens geprobeerd heeft de persoon in het water zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte met zijn handelen wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de persoon die hij tegen het hoofd heeft geschopt daardoor zwaar lichamelijk letsel kon oplopen (voorwaardelijk opzet). Als gevolg van een dergelijke schop is de kans dat zwaar lichamelijk letsel optreedt naar algemene ervaringsregels immers aanmerkelijk te achten, dat wil zeggen een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. De verdachte heeft bewust het risico genomen dat zijn geschoeide voet met kracht tegen kwetsbare delen van het hoofd, zoals de slaap, maar ook delen van het gezicht zoals de kaak, oogkas of jukbeen, had kunnen komen. Daarnaast was de persoon in het water niet op de schop bedacht, waardoor hij een onbeschermd doelwit was.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Openlijke geweldpleging (feit 2)

Gelet op het dossier en de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. Nu uit het dossier niet blijkt dat de verdachte dan wel iemand anders uit de groep van de verdachte met een broekriem heeft geslagen, zal de rechtbank de verdachte hier partieel van vrijspreken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1

subsidiairhij op 12 november 2022 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een tot op heden onbekend gebleven persoon opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, terwijl deze persoon in het water stond, met geschoeide voet en vanaf een hoger gelegen positie, met kracht en onverhoeds tegen (de zijkant van) het hoofd van de onbekend gebleven persoon heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2hij op 12 november 2022 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, openlijk, te weten aan de Meerzijde en de Dril, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen en goederen door- met fietsen en barkrukken en stoelen te gooien naar personen, althans voornoemde goederen ter hand te nemen en gereed te houden voor gebruik en met de goederen te dreigen en- personen te slaan en te schoppen, althans slaande en schoppende bewegingen te maken naar personen en- personen uit te dagen en daarbij een gevechtshouding aan te nemen en op personen af te rennen en- personen in het water te duwen.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

1 subsidiair: poging tot zware mishandeling;

2: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

De officier van justitie vordert daarnaast een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor de duur van drie jaren, inhoudende een gebiedsverbod betreffende het voetbalstadion in Volendam. Voor iedere overtreding van deze maatregel moet een week vervangende hechtenis worden toegepast, met een maximum van zes maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de omstandigheden dat het de FC Utrecht supporters verboden was zich in het horecagebied in Volendam te begeven, zij ook gewelddadig zijn geweest tegenover de FC Volendam supporters (waaronder de verdachte) en het incident al bijna vier jaar geleden heeft plaatsgevonden. Hij heeft verzocht te volstaan met een voorwaardelijke taakstraf. Ook heeft hij zich verzet tegen de oplegging van een stadionverbod.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging en een poging tot zware mishandeling. Na een wedstrijd tussen FC Volendam en FC Utrecht is door supporters van beide clubs veel geweld gebruikt. Er is onder meer met fietsen, barkrukken en stoelen naar elkaar gegooid en er is over en weer geslagen en geschopt. De verdachte heeft een fiets naar FC Utrecht supporters gegooid, daarbij iemand geraakt, en een persoon in het water geduwd. De verdachte had in de openlijke geweldpleging een groot aandeel en stond meerdere keren vooraan in de groep. Hij zocht bewust de confrontatie op en heeft zich uitermate agressief gedragen. Niet alleen heeft hij hiermee letsel aan anderen kunnen toebrengen, maar ook de voetbalsport en de eigen voetbalclub in diskrediet gebracht. Daarnaast heeft de verdachte een te water geraakte persoon met kracht tegen zijn hoofd geschopt. Het schoppen met geschoeide voet tegen het hoofd had verstrekkende en ernstige gevolgen kunnen hebben.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 11 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten niet is veroordeeld voor andere strafbare feiten. De rechtbank zal het strafblad dan ook niet in strafverzwarende zin meewegen.

De rechtbank heeft ook gelet op wat de verdachte heeft verklaard over zijn persoonlijke omstandigheden. Hij is eigenaar van een goed lopende onderneming en heeft rond de 100 man personeel in dienst. Hij heeft een eigen woning en heeft samen met zijn vriendin een zoon van zes maanden oud. Verder heeft hij verklaard dat hij door het bestuur van FC Volendam is benaderd om een rol te gaan vervullen als contactpersoon tussen de club en de ‘jonge harde kern’ van de club. De rechtbank merkt op dat het positief te noemen is dat de verdachte door het bestuur van FC Volendam gevraagd is om een voorbeeldfunctie te gaan vervullen voor de club. Dat laat zien dat de club vertrouwen in de verdachte heeft en het betekent dat de verdachte jongeren zal moeten laten inzien dat (voetbalgerelateerd) geweld in geen enkele situatie de oplossing is en afgekeurd moet worden. De verdachte kan zich in een dergelijke rol geen misstap permitteren en zal zich van ieder (voetbal gerelateerd) geweld moeten onthouden.

Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar het rapport van de reclassering van 19 januari 2026. De reclassering ziet, gelet op de stabiele leefsituatie van de verdachte, het feit dat de verdachte niet meer in aanraking is geweest met de politie en de tijd die is verstreken sinds het incident, geen aanknopingspunten voor reclasseringstoezicht.

Redelijke termijn

Op grond van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient de verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van zodanige omstandigheden is in deze zaak niet gebleken. De termijn is in deze zaak aangevangen op 3 januari 2023, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van drie jaar en bijna negen maanden verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn voor deze feiten bedraagt dus bijna 21 maanden. Ter compensatie van deze schending van de redelijke termijn zal de rechtbank een andere en lagere straf opleggen dan wanneer de redelijke termijn niet zou zijn overschreden.

De op te leggen straf

Gelet op de aard en de ernst van de gepleegde feiten acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en in de ruimschootse overschrijding van de redelijke termijn aanleiding om hem geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, maar een forse taakstraf. Om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen, maar ook om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken, ziet de rechtbank aanleiding om de verdachte daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan de verdachte een taakstraf van 120 uren moet worden opgelegd en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

7. Vrijheidsbeperkende maatregel

Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een maatregel ex artikel 38v Sr. Daarbij is van belang dat de bewezenverklaarde feiten al van geruime tijd geleden zijn en de verdachte hierna niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Daar komt bij dat de verdachte bij oplegging van deze maatregel zijn nieuwe functie bij de club niet kan uitoefenen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren. Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 120 (honderdtwintig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

M. van Doesburg, voorzitter,

mr. L. Boonstra en mr. M.S. Neervoort, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. L. Boonstra
  • mr. M.S. Neervoort

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand