ECLI:NL:RBNHO:2026:13666

ECLI:NL:RBNHO:2026:13666

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 01-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer 15/125054-26 en 15/232542-26 (t.t.z. gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Veroordeling wegens bedreiging van (ex)partner, diefstal met geweld (voltooid delict, geen poging) en mishandeling van PIW-er in JCS Schiphol. Gedeeltelijke toewijzing vergoedingen immateriële schade aan de hand van de Rotterdamse Schaal

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/125054-26 en 15/232542-26 (t.t.z. gev.) (P)

Uitspraakdatum: 1 oktober 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 september 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

niet ingeschreven op enig adres in de basisregistratie personen,

nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De zaak met parketnummer 15/125054-26 wordt hierna aangeduid als zaak A.

De zaak met parketnummer 15/232542-26 wordt hierna aangeduid als zaak B.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J.J. van Bree en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M.L. van Gaalen, advocaat te Amsterdam - Duivendrecht, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak A

1

hij op of omstreeks 14 februari 2026 te Zaandam, gemeente Zaanstad [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen "Me moeder, ik vermoord jou, mijn moeder, mijn moeder", "Op mijn moeder kankerhoer, ik kom naar binnen en schiet je kankermoeder dood" en/of "Jij gaat zien wat, kankerhoer, je gaat zien. Ik ga je moeder wegblazen en jou ga ik ook wegblazen, allebei." althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2

hij op of omstreeks 27 april 2026 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres] te Zaandam, alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), diverse sieraden en sieradenkistjes en/of portemonnee(s), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- die [benadeelde 2] te duwen,

- die [benadeelde 2] meermalen te slaan/stompen tegen het hoofd en/of de buik, in elk geval het bovenlichaam;

subsidiair

hij op of omstreeks 27 april 2026 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de [adres] te Zaandam, alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en),

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om diverse sieraden en sieradenkistjes en/of portemonnee(s) en/of andere (waardevolle) goederen van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde 2], te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

- die [benadeelde 2] heeft geduwd,

- die [benadeelde 2] meermalen heeft geslagen/gestompt tegen het hoofd en/of de buik, in elk geval het bovenlichaam,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak B

hij op of omstreeks 6 mei 2026 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, [benadeelde 3] (PIW'er) heeft mishandeld, door in het gezicht van die [benadeelde 3] te slaan, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is van de zaak kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de in zaak A onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten, alsmede van het in zaak B ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

Met betrekking tot feit 1 in zaak A heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de verdachte vrij te spreken van de in zaak A onder 2 primair ten laste gelegde diefstal met geweld. Volgens de raadsman is er naast de aangifte geen steunbewijs waaruit blijkt dat er daadwerkelijk goederen zijn weggenomen, zodat geen sprake is van een voltooid delict. Met betrekking tot de subsidiair ten laste gelegde poging tot diefstal met geweld heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De in zaak B ten laste gelegde mishandeling van aangever [benadeelde 3] kan wat de verdediging betreft bewezen worden.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de feiten die in zaak A onder 1 en 2 primair en in zaak B zijn ten laste gelegd op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Bewijsmotivering

Met betrekking tot zaak A, feit 2

De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van diefstal onder meer is vereist dat de dader zich zodanige feitelijke heerschappij over een goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, heeft verschaft dan wel dit zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende heeft onttrokken dat de wegneming van het goed als voltooid kan gelden.

Uit de aangifte van [benadeelde 2] volgt dat deze de verdachte en zijn medeverdachte heeft betrapt op de bovenverdieping van zijn woning, terwijl zij bezig waren waardevolle spullen in een tas te stoppen. De beide verdachten zijn met de tas met spullen naar beneden gerend. De medeverdachte heeft kans gezien te ontkomen en de verdachte is, na een worsteling, voor de woning aangehouden. De tas is in de woning achtergebleven. De aangever mist nog altijd drie sieradenkistjes met daarin sieraden van de aangever en zijn echtgenote. De rechtbank gaat ervan uit dat deze goederen door de medeverdachte zijn meegenomen. De rechtbank is verder van oordeel dat de verdachte, door (samen met de medeverdachte) de goederen in een tas te doen, zich zodanige feitelijke heerschappij over de goederen heeft verschaft dat ook met betrekking tot deze goederen de wegneming daarvan is voltooid. De omstandigheid dat de tas vervolgens in de woning is achtergebleven, is niet relevant, omdat de wegnemingshandeling toen al was voltooid. De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de feiten die in zaak A onder 1 en 2 primair en in zaak B zijn tenlastegelegd heeft begaan, met dien verstande dat

Zaak A

1

hij op 14 februari 2026 te Zaandam, gemeente Zaanstad, [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen "Me moeder, ik vermoord jou, mijn moeder, mijn moeder", "Op mijn moeder kankerhoer, ik kom naar binnen en schiet je kankermoeder dood" en "Jij gaat zien wat, kankerhoer, je gaat zien. Ik ga je moeder wegblazen en jou ga ik ook wegblazen, allebei.";

2

hij op 27 april 2026 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander, in een woning, te weten aan de [adres] te Zaandam, alwaar verdachte en zijn mededader zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, diverse sieraden en sieradenkistjes en portemonnees, die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om zich die wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd gevolgd van geweld tegen [benadeelde 2], gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- die [benadeelde 2] te duwen en

- die [benadeelde 2] meermalen te slaan/stompen tegen het hoofd;

Zaak B

hij op 6 mei 2026 te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, [benadeelde 3] (PIW'er) heeft mishandeld, door in het gezicht van die [benadeelde 3] te slaan, terwijl het misdrijf werd gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A, feit 1

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van zaak A, feit 2 primair

Diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van zaak B

Mishandeling, gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft erop gewezen dat de verdachte na de mishandeling van PIW-er [benadeelde 3] naar de grond is gewerkt en al disciplinair gestraft is. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de oriëntatiepunten van het LOVS voor bedreiging en mishandeling uitgaan van een geldboete en dat met betrekking tot feit 2 in zaak A aansluiting dient te worden gezocht bij de oriëntatiepunten voor een poging tot diefstal en insluiping.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte is, samen met een ander, op klaarlichte dag een woning binnengegaan en heeft daar kostbaarheden weggenomen. Toen de bewoner hen betrapte, heeft de verdachte in een poging om te ontkomen fors geweld gebruikt. Het slachtoffer is geduwd en is meermalen door de verdachte in het gezicht geslagen. Het incident heeft grote impact gehad. Het slachtoffer is beroofd van sieraden met een materiële maar ook emotionele waarde, zoals trouw- en verlovingsringen. Daarnaast zijn de fysieke en psychische gevolgen voor het slachtoffer ingrijpend. Het slachtoffer ondervindt nog elke dag pijn aan zijn neus en kampt met ademhalingsproblemen. Hij zal hiervoor nog een operatie moeten ondergaan. Ook ervaart hij nog steeds gevoelens van angst, stress en onveiligheid, met als gevolg slaapproblemen en nachtmerries. Hiervoor krijgt hij psychologische behandeling, waaronder EMDR-therapie. Door de confrontatie met twee indringers in zijn woning, is de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer ernstig geweld aangedaan. Dit alles valt de verdachte zwaar aan te rekenen.

Daarnaast heeft de verdachte zijn ex-partner via spraakberichten met de dood bedreigd, waardoor het slachtoffer zich angstig en onveilig heeft gevoeld.

Tot slot heeft de verdachte tijdens zijn detentie een PIW-er, tijdens de uitoefening van zijn functie, onverhoeds hard in het gezicht geslagen. Het slachtoffer heeft hierdoor pijn ondervonden. Dergelijke agressie tegen een PIW-er, die niet meer doet dan zijn werk, is ontoelaatbaar.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte, gedateerd 17 augustus 2026, waaruit blijkt dat hij reeds meerdere malen is veroordeeld wegens vermogensdelicten en éénmaal wegens geweld tegen beroepsbeoefenaren. De rechtbank weegt dit ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het (beknopte) reclasseringsadvies van 29 april 2026, dat is opgesteld ten behoeve van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris. Vanwege de proceshouding van de verdachte heeft de reclassering geen gedegen delictanalyse kunnen opstellen. Wel ziet de reclassering instabiliteit op diverse leefgebieden, waarvan het merendeel verband houdt met het feit dat de verdachte geen geldige verblijfsstatus heeft.

De op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat op het handelen van de verdachte niet anders kan worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur. De rechtbank heeft daarbij ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van vijftien maanden passend is. De rechtbank zal deze straf dan ook aan de verdachte opleggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. Beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven pet (voorwerpnummer BZBD3173) dient te worden teruggegeven aan de verdachte, nu het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven tas (voorwerpnummer BZBD3174) dient te worden teruggegeven aan [benadeelde 2], aangezien die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [benadeelde 2]

De vordering

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 24.804,90 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde materiële schade betreft:

1. Kosten psycholoog € 600,00

2. Toekomstige kosten psycholoog € 180,00

3. Hersteloperatie van de neus € 4.700,00

4. Trouwringen € 1.000,00

5. Verlovingsring € 653,00

6. Manchetknopen € 150,00

7. Reiskosten bezoek KNO-arts € 21,90

Totaal materiële schade: € 7.304,90

Wegens immateriële schade wordt een bedrag gevorderd van € 17.500,-, bestaande uit:

- Neusletsel € 12.000,00

- PTSS € 5.500,00.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en toegelicht en daarom in zijn geheel kan worden toegewezen. Daarbij heeft de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toekenning van de wettelijke rente gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering, die ruim € 24.000,- bedraagt, niet tijdig is ingediend waardoor de verdediging onvoldoende gelegenheid heeft gehad zich tegen die vordering te verweren, hetgeen in strijd is met de beginselen van een goede procesorde dan wel het recht op equality of arms zoals bepaald in artikel 6 van het Europese verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Aanhouding van de zaak voor nader onderzoek levert een onevenredige belasting op van het strafgeding. De benadeelde partij dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Subsidiair heeft de raadsman gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat alleen de voornaam van het slachtoffer onder de vordering staat, zodat niet kan worden vastgesteld dat de vordering door het slachtoffer is ondertekend.

Meer subsidiair heeft de raadsman het volgende gesteld. Met betrekking tot de materiële schade moet de benadeelde partij voor wat betreft de volgende posten niet-ontvankelijk worden verklaard:

de kosten van de psycholoog, omdat de benadeelde partij al voor 27 april 2026 onder behandeling was bij de psycholoog. Niet kan worden vastgesteld dat een causaal verband bestaat tussen het feit en alle behandelsessies bij de psycholoog;

de toekomstige kosten voor de psycholoog, omdat niet vast staat dat de geclaimde behandelsessies daadwerkelijk zullen plaatsvinden;

de kosten van een toekomstige operatie van de neus. De benadeelde partij heeft de verplichting tot het beperken van de (omvang van de) schade, zodat hij een andere kliniek had moeten zoeken die de operatie goedkoper uitvoert. De omvang van de schade staat daarom niet vast. Ook blijkt niet uit de stukken dat de operatie niet zal worden vergoed;

de posten die zien op weggenomen goederen, omdat niet vast staat dat de verdachte deze goederen daadwerkelijk heeft weggenomen.

Voor zover de vordering is onderbouwd met stukken die niet in het Nederlands zijn opgesteld of door een beëdigd vertaler zijn vertaald, is de vordering onvoldoende onderbouwd en moet de vordering worden afgewezen.

Met betrekking tot de immateriële schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag buitenproportioneel is. De raadsman heeft de rechtbank verzocht het bedrag aanzienlijk te matigen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de vordering een dag voor de zitting is ingediend en niet bijzonder ingewikkeld of omvangrijk is. De rechtbank is van oordeel dat de verdediging in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om verweer tegen de vordering te voeren, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om de benadeelde partij op deze grond niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank stelt verder vast dat de vordering is ondertekend en namens de benadeelde partij is ingediend en ter zitting is toegelicht door [jurist Slachtofferhulp Nederland] van Slachtofferhulp Nederland. Zij heeft ter zitting verklaard dat de handtekening onder de vordering de handtekening is van de benadeelde partij. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om daaraan te twijfelen en is van oordeel dat de benadeelde partij in zoverre kan worden ontvangen in de vordering.

Materiële schade

Met betrekking tot de post ‘toekomstige kosten psycholoog’ ten bedrage van € 180,00 (3 sessies à € 60,00) overweegt de rechtbank dat voor twee toekomstige behandelsessies voldoende vaststaat dat deze kosten daadwerkelijk gemaakt zullen worden. Uit de brief van de behandelend psycholoog van 11 september 2026 blijkt namelijk dat nog minimaal twee behandelsessies nodig zijn. De rechtbank zal deze post daarom toewijzen tot een bedrag van € 120,00 (2 x € 60,00).

De rechtbank is van oordeel dat het overige deel van de vordering dat ziet op materiële schade voldoende is onderbouwd en namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd is betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het in zaak A onder 2 primair bewezen verklaarde feit. Gelet op de mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting dat de politie geen sieraden in beslag heeft genomen, en deze ook niet bij de verdachte zijn aangetroffen, gaat de rechtbank er vanuit dat de goederen die de benadeelde partij mist, zijn weggenomen door de medeverdachte.

De rechtbank wijst het deel van de vordering dat ziet op materiële schade daarom toe tot een bedrag van € 7.244,90 (€ 7.304,90 -/- € 60,00).

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Dit betekent dat een wettelijke grondslag bestaat voor de vordering en ook andere – niet als lichamelijk letsel te kwalificeren – gevolgen mogen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.

Uit de toelichting op de vordering blijkt dat het incident tot lichamelijk letsel bij de benadeelde partij heeft geleid. Er is sprake van gezichtsletsel in de vorm van scheefstand van het neustussenschot en inzakking van het neusprofiel. De psychische gevolgen voor de benadeelde partij bestaan uit angst-, spannings- en stressklachten, slaapproblemen en herbelevingen. Door een psycholoog is PTSS vastgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat het lichamelijk letsel past in categorie 9.1 C sub II van de Rotterdamse Schaal. Een bedrag van € 3.000,00 komt de rechtbank billijk voor.

Met betrekking tot de PTSS zoekt de rechtbank aansluiting bij categorie 14.2 sub D (‘minder ernstig’) en komt haar een bedrag van € 4.000,00 billijk voor.

Gelet op aanbeveling 5 bij de Rotterdamse Schaal, weegt de rechtbank het zwaarste letsel (PTSS) ter hoogte van € 4.000,00 volledig mee en het tweede letsel (neusletsel) voor 50% van het normbedrag (te weten 50% van € 3.000,00, derhalve € 1.500,00). De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de immateriële schade daarom toewijzen tot een bedrag van € 5.500,00.

Slotsom

Dit betekent dat de door de benadeelde partij [benadeelde 2] gevorderde schadevergoeding wordt toegewezen tot een bedrag van in totaal € 12.744,90, bestaande uit € 7.244,90 materiële schade en € 5.500,00 immateriële schade.

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag toe vanaf 27 april 2026 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 12.744,90 aan de Staat moet betalen.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 88 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

Benadeelde partij [benadeelde 3]

De vordering

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.500,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het in zaak B ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar categorie 13 onder C, ‘licht letsel met een herstelperiode van twee maanden’, van de Rotterdamse Schaal, geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 1.100,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toekenning van de wettelijke rente.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, subsidiair dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de gestelde schade niet met stukken is onderbouwd. Meer subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht het bedrag te matigen.

Oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Dit betekent dat een wettelijke grondslag bestaat voor de vordering en ook andere – niet als lichamelijk letsel te kwalificeren – gevolgen mogen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de schade naar billijkheid.

Uit de toelichting op de vordering en het zich in het dossier bevindend journaal van de huisarts blijkt dat het incident tot lichamelijk letsel bij de benadeelde partij heeft geleid. Er is sprake van een zwelling op de wang en aanhoudende pijn aan het oor.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het lichamelijk letsel past in categorie 13 onder C, ‘licht letsel met een herstelperiode van twee maanden’, van de Rotterdamse Schaal. Een bedrag van € 1.100,00 komt de rechtbank billijk voor.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.100,00.

De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag toe vanaf 6 mei 2026 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 1.100,00 aan de Staat moet betalen.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 11 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De artikelen 36f, 57, 285, 300, 304 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zijn van toepassing.

10. Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Gelast de teruggave aan de verdachte van een pet (voorwerpnummer BZBD3173).

 Gelast de teruggave aan de rechthebbende, te weten [benadeelde 2], van een tas (voorwerpnummer BZBD3173).

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 2] geleden schade tot een bedrag van € 12.744,90 (twaalfduizend zevenhonderdvierenveertig euro en negentig cent), bestaande uit € 7.244,90 als vergoeding voor de materiële en € 5.500,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

 Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 12.744,90 (twaalfduizend zevenhonderdvierenveertig euro en negentig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 88 (achtentachtig) dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 3] geleden schade tot een bedrag van € 1.100,00 (duizend honderd euro), als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 mei 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 3], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

 Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.100,00 (duizend honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. L. Boonstra, voorzitter,

mr. M.S. Neervoort en mr. M. van Doesburg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. L. Boonstra
  • mr. M.S. Neervoort
  • mr. M. van Doesburg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand