ECLI:NL:RBNHO:2026:13667

ECLI:NL:RBNHO:2026:13667

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 01-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer 15/227216-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Invoer van cocaïne in reizigersbagage via Schiphol. Overweging met betrekking tot opzet op de invoer. Verklaring van verdachte onaannemelijk

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/227216-26 (P)

Uitspraakdatum: 1 oktober 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 september 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] op [geboorteplaats],

wonende op het adres [adres],

nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Nieuwersluis.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. J.J. van Bree en van wat de verdachte en haar raadsvrouw, mr. I. Tol, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij, op of omstreeks 8 augustus 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten een hoeveelheid cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, in elk geval aanwezig heeft gehad.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is van de zaak kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, in die zin dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van cocaïne in Nederland.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft ontkend enige wetenschap te hebben gehad van de cocaïne die is aangetroffen in de voering van haar koffer en in flesjes in de koffer. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat uit niets blijkt dat de verdachte de cocaïne willens en wetens heeft meegenomen naar Nederland, zodat niet bewezen kan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op de invoer van cocaïne.

Ook van opzet in voorwaardelijke zin is volgens de verdediging geen sprake. De verdachte heeft in goed vertrouwen de koffer geleend van een vriend en de flesjes sinaasappelsap en verzorgingsartikelen van hem cadeau gekregen. Aan de koffer en de flesjes was niets te zien. Niet blijkt dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat haar bagage cocaïne zou bevatten. Haar kan onvoorzichtigheid worden verweten, maar dat is onvoldoende om tot voorwaardelijk opzet te komen.

Concluderend heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde opzet.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Bewijsmotivering

Feiten en omstandigheden

De verdachte is op 8 augustus 2026 met een vlucht vanuit Curaçao aangekomen op Schiphol. Bij controle in de bagagekelder werden in het deksel en de bodem van een op haar naam gestelde koffer vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen. De koffer is op de bagageband geplaatst en douanebeambten hebben waargenomen dat de verdachte in de aankomsthal de koffer van de bagageband heeft gepakt en hiermee richting de uitgang liep. Op dat moment is de verdachte staande gehouden en is de koffer nader onderzocht. In de voering van het deksel bleken twee pakketten met een witte substantie te zitten, die een positieve kleurreactie gaf op de MMC-cocaïnetest. Daarnaast zaten in de koffer in totaal negen flesjes, met daarin cocaïne in vloeibare vorm dan wel cocaïnepasta. In totaal is er 4.076,78 gram cocaïne aangetroffen.

Opzet op de invoer

De verdachte heeft verklaard dat zij niet wist dat er cocaïne in de koffer en flesjes zat.

De rechtbank stelt voorop dat in zaken zoals deze, waarbij in ruimbagage drugs worden aangetroffen, als uitgangspunt geldt dat een passagier die per vliegtuig (ruim)bagage met zich meevoert, met de inhoud daarvan bekend is en voor die inhoud ook verantwoordelijk is. Van dit uitgangspunt wordt alleen afgeweken als sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat die wetenschap niet heeft bestaan en het (voorwaardelijk) opzet op de invoer van cocaïne dus ontbreekt. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake.

De verklaring van de verdachte houdt in de kern het volgende in.

De verdachte wilde voor familiebezoek naar Nederland reizen. Omdat zij geen koffer had, heeft zij op Curaçao aan een kennis ([naam]) gevraagd of zij van hem een koffer kon lenen. De verdachte heeft ergens op straat – zij weet niet meer waar – een koffer van [naam] in ontvangst genomen en deze mee naar huis genomen. Zij heeft niets ongewoons aan de koffer gemerkt. Naast de koffer heeft zij van [naam] als cadeau een zak gekregen met daarin zeven flesjes met verzorgingsproducten en twee flesjes sinaasappelsap. Er is de verdachte niets aan deze spullen opgevallen. Zij heeft de vulopeningen van de flesjes zelf afgeplakt om te voorkomen dat deze in de koffer zouden gaan lekken. [naam] niet gewaarschuwd om de toiletartikelen niet te gebruiken of niet te drinken van het sap. In Nederland moest zij de koffer aan iemand afgeven, zodat de koffer uiteindelijk weer bij [naam] terecht zou komen. Waar of aan wie zij de koffer moest afgeven wist zij niet. Verder had [naam] haar niet gezegd dat zij ook de flesjes moest afgeven. Waarom [naam] haar via Whatsapp had gevraagd om te laten weten als ze de koffer had, weet zij niet.

Aan de hand van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting, waaronder de verklaring van de verdachte, overweegt de rechtbank als volgt.

In de bagage van de verdachte is afgerond 4 kilogram cocaïne aangetroffen. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat de persoon of organisatie die achter de smokkel zit een dergelijke hoeveelheid cocaïne met een aanzienlijke straatwaarde toevertrouwt aan een geheel onwetende koerier. Wanneer de verdachte werkelijk onwetend was geweest met betrekking tot de cocaïne, zou dat voor de persoon of organisatie enorme risico’s met zich mee hebben gebracht, zoals het risico op verlies van de cocaïne. Zij had kunnen besluiten de flesjes überhaupt niet mee naar Nederland te nemen, de verzorgingsproducten kunnen gebruiken of een slok van de sinaasappelsap kunnen nemen, hetgeen ook nog eens levensgevaarlijk geweest zou zijn. Dergelijk risico’s zal geen enkele organisatie voor zijn rekening willen nemen. Daarnaast stond de meegenomen hoeveelheid verzorgingsproducten in geen verhouding tot de geplande reisduur van twee weken en roken de verbalisanten direct bij het openen van de flesjes een sterke cocaïnegeur. Het kan niet anders dan dat de verdachte dit bij het dichtplakken van de flesjes ook moet hebben geroken.

Op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte volstrekt onaannemelijk en stelt zij deze terzijde.

De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte wist dat zich in de voering van de koffer en in de flesjes cocaïne bevond. De verdachte had dus opzet op het invoeren van deze cocaïne in Nederland.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

zij op 8 augustus 2026 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk een hoeveelheid cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder met name haar zeer jonge leeftijd, het feit dat zij een opleiding tot verpleegkundige volgt en dat het haar zwaar valt om haar familie op Curaçao te missen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van cocaïne, deels in de vorm van pasta en deels in vloeibare vorm. Cocaïne is een harddrug en schadelijk voor de gezondheid van personen. Gezien de hoeveelheid cocaïne van in totaal (netto) 4.076,78 gram, moet dit bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan vaak gepaard met ondermijning en vele andere vormen van criminaliteit, waaronder levensdelicten. Om deze redenen worden forse straffen opgelegd voor de invoer van harddrugs.

Persoonlijke omstandigheden

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van de verdachte, gedateerd 18 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder vanwege enig misdrijf in Nederland is veroordeeld.

De rechtbank weegt verder mee dat de verdachte nog zeer jong is. Zij staat pas op de drempel van volwassenheid en heeft nog een heel leven voor zich. Op de zitting heeft zij op de rechtbank een kwetsbare, naïeve en beïnvloedbare indruk gemaakt. De rechtbank acht niet uitgesloten dat de proceshouding van de verdachte is ingegeven door angst voor de opdrachtgever(s).

De op te leggen straf

De ernst van het feit rechtvaardigt in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur. Rekening houdend met de persoon van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden moet worden opgelegd.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De artikelen 2 en 10 van de Opiumwet zijn van toepassing.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.S. Neervoort, voorzitter,

mr. L. Boonstra en M. van Doesburg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.S. Neervoort
  • mr. L. Boonstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand