RECHTBANK NOORD-HOLLAND
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] (verzoeker) en [verzoekster] (verzoekster), uit Tuitjenhorn, verzoekers
De burgemeester van de gemeente Schagen
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/4368
(gemachtigde: mr. C.G.J.E. Lut),
en
(gemachtigde: A. Van Reeuwijk en S. Smit).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Volkshuisvestingsgroep Wooncompagnie uit Hoorn.
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 7 september 2026 heeft de burgemeester verzoekers onder oplegging van bestuursdwang gelast hun woning aan [adres] in Tuitjenhorn uiterlijk 15 september 2026 om 10.00 uur te sluiten voor de duur van drie maanden. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster en mr. P. Ghasemi (als waarnemer voor voornoemde gemachtigde van verzoekers) en de gemachtigden van de burgemeester.
De voorzieningenrechter heeft na afloop van de zitting uitspraak gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Totstandkoming last onder bestuursdwang
De politie heeft op 5 augustus 2026 na een MMA-melding het perceel [adres] in Tuitjenhorn doorzocht. In de melding is aangegeven dat er een dealer actief is in Schagen, die wordt rondgereden in een [kleur] auto. De dealer zou een wapen bij zich dragen. In de melding is vermeld dat de drugs opgeslagen liggen bij verzoeker op [adres] in Tuitjenhorn en dat ook het wapen daar door verzoeker wordt bewaard.
Tijdens de doorzoeking op 5 augustus 2026 zijn verdovende middelen aangetroffen, te weten 189,12 (bruto) gram Hasj, 974,82 (bruto) gram Hennep en 41,72 (bruto) gram GHB, een hennep lolly, een paarse pil en twee zwarte pillen. Verder zijn nog twee potjes met elk 60 erectiepillen gevonden evenals een boksbeugel, een airsoftwapen, een luchtdrukwapen, 50 lege gripzakjes en enkele lege ponypacks. In de bak waarin de hasj lag ook € 400,00 contant geld, bestaande uit acht briefjes van € 50,00. Een en ander is op 13 augustus 2026 neergelegd in een bestuurlijke rapportage.
De burgemeester heeft op basis van de bestuurlijke rapportage geconcludeerd dat sprake is van een overtreding van artikel 2 en artikel 3 van de Opiumwet. Gelet op de hoeveelheid aangetroffen soft- en harddrugs, de verschillende verpakkingsmaterialen, het contante geld, de aangetroffen wapens en de ontvangen MMA-melding is volgens de burgemeester aannemelijk dat de drugs geheel of gedeeltelijk bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking. De burgemeester acht zich op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet daarom bevoegd de last op te leggen. Hij vindt ook dat hij van de bevoegdheid gebruik kon maken. De opgelegde sluiting is in overeenstemming met het Damoclesbeleid en een geschikt middel om de openbare orde te herstellen, de bekendheid als drugspand weg te nemen en de woning uit het drugscircuit te halen. Het middel is ook noodzakelijk omdat een lichter middel niet dezelfde effecten zou hebben. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid drugs en de overige vondsten is aannemelijk dat de drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld en dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel. De sluiting is volgens de burgemeester ook evenwichtig. Verzoeker kan een ernstig verwijt van de overtreding worden gemaakt omdat hij er zelf voor heeft gekozen een grote hoeveelheid drugs in de woning op te slaan. Uit door verzoeker overgelegde medische stukken blijkt niet dat zijn medische situatie noodzaakt tot verblijf in juist deze woning of dat tijdelijk verblijf elders voor hem medisch onmogelijk is. Verzoekers hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat zij niet tijdelijk bij familie of elders kunnen verblijven. Volgens de burgemeester zijn de financiën van verzoekers ook toereikend om gedurende de sluiting te voorzien in alternatieve woonruimte. De oudste zoon van verzoekers heeft een verstandelijke beperking en een specifieke zorgbehoefte, maar dat brengt volgens de burgemeester geen bijzondere binding met juist deze woning met zich. Vanuit de afdeling Toegang is namelijk begrepen dat het leerlingenvervoer waarvan de oudste zoon afhankelijk is tijdelijk kan worden omgezet naar een ander adres. Bij het zoeken naar een tijdelijke verblijfplaats kan verder rekening gehouden worden met de behoefte van dat kind aan continuïteit. De aanwezigheid van huisdieren is betrokken, maar voor hen zullen verzoekers een tijdelijke oplossing moeten vinden. De burgemeester ziet geen reden om op grond van artikel 4:84 Awb van het Damoclesbeleid af te wijken. De ernst van de overtreding weegt daarbij zwaar. Het gaat verder om een tijdelijke sluiting van drie maanden. De persoonlijke omstandigheden van verzoekers wegen in dit geval niet zodanig zwaar dat de burgemeester gehouden is van zijn beleid af te wijken.
Was de burgemeester bevoegd de woning te sluiten?
3. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was de burgemeester bevoegd om op grond van artikel 13b, eerste lid, Opiumwet aan verzoekers een last onder bestuursdwang op te leggen. Daartoe is – onder meer – van belang dat verzoekers er niet in zijn geslaagd aannemelijk te maken dat de grote hoeveelheid aangetroffen softdrugs, met een brutogewicht van ruim 1,1 kilo, niet voor de handel, maar voor eigen gebruik bedoeld was. De overige vondsten tijdens de huiszoeking dragen bij aan dat oordeel.
Was de sluiting evenredig?
Noodzakelijkheid van de sluiting
Verzoekers betogen dat de burgemeester in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid. Niet is gebleken dat:
- het pand als drugspand bekend staat;
- er loop naar de woning bestond;
- er gevreesd moet worden voor herhaling;
- er niet kon worden volstaan met een waarschuwing;
- het woon- en leefklimaat in de wijk is aangetast en dat er onveiligheidsgevoelens waren bij buurtbewoners;
- de openbare orde is verstoord door de aanwezigheid van drugs;
- et cetera.
De woning is alleen betreden na een MMA-melding. Van antecedenten op het gebied van handel en/of voorhanden hebben van verdovende middelen is geen sprake. Het aantreffen van de verdovende middelen is enkel een bijvangst na een doorzoeking. Het handhavingsdoel – het stoppen met voorhanden hebben van verdovende middelen – is met de inbeslagname al gediend.
De burgemeester stelt zich hierover op het standpunt dat de doelen (herstel van de openbare orde, het wegnemen van de bekendheid als drugspand en het halen van de woning uit het drugscircuit) niet kunnen worden bereikt met een waarschuwing of een last onder dwangsom. Gelet op hetgeen in de woning is aangetroffen, is aannemelijk dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Hierdoor is sluiting een noodzakelijk middel, aldus de burgemeester.
De voorzieningenrechter begrijpt uit het bestreden besluit dat het doel van de sluiting is om de openbare orde te herstellen, de bekendheid als drugspand weg te nemen en de woning uit het drugscircuit te halen. De voorzieningenrechter overweegt dat in zijn algemeenheid kan worden gesteld dat met een sluiting de bekendheid van een pand als drugspand wordt weggenomen en dat door de sluiting de ‘loop’ naar dat pand eruit wordt gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. In het onderhavige geval is de betrokkenheid van de woning in de drugsketen evenwel enkel gebaseerd op de hoeveelheid aangetroffen drugs, de vondst van aanverwante zaken en de omstandigheid dat een en ander overeenkwam met de MMA-melding. Van een – verdere – bekendheid van de woning, bijvoorbeeld met een ‘loop’ naar de woning, geeft het bestreden besluit geen blijk. Uit de melding volgt verder ook niet dat verzoeker de in die melding genoemde dealer is. Als er geen of in mindere mate sprake is van een ‘loop’ naar de woning, kan dit, gelet op het beoogde karakter van de herstelmaatregel, afdoen aan de noodzaak om te sluiten. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester onder voornoemde omstandigheden in ieder geval op dit moment onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom het noodzakelijk was in dit geval tot een sluiting over te gaan.
Evenwichtigheid van de sluiting
Verzoekers voeren aan dat zij gebonden zijn aan hun woning omdat zij daar wonen met hun twee kinderen en diverse huisdieren. Verzoeker moet vanwege het ongeluk binnenkort weer geopereerd worden. Hangende de sluiting elders geschikte woonruimte zoeken is om die reden ondoenlijk. Verzoekers hebben ook de financiële middelen niet om een tweede woning te bekostigen tijdens de sluiting. Bij familie en vrienden kunnen verzoekers en hun kinderen en dieren niet terecht. Daarbij geldt dat een van de kinderen een specifieke zorgbehoefte heeft en afhankelijk is van lokaal Wmo-leerlingenvervoer. Een plotselinge verhuizing is voor hem ook uiterst belastend. Verder geldt dat een eventuele nachtopvang als oplossing volstrekt ongepast is, gelet op de (kwetsbare) kinderen.
Gelet op alle omstandigheden had de burgemeester moeten afwijken van het Damoclesbeleid en moeten volstaan met een waarschuwing, aldus verzoekers.
Daargelaten de afdoening van de overige door verzoekers gestelde omstandigheden, waarbij de burgemeester (zie hiervoor samengevat onder 3.3) ook medische standpunten lijkt in te nemen, wijst de voorzieningenrechter op het volgende. Verzoekers hebben twee minderjarige kinderen. Het bestreden besluit behelst de sluiting van de woning waarin deze minderjarigen met hun ouders wonen. Omdat deze minderjarige kinderen door de sluiting rechtstreeks worden getroffen en met de sluiting hun recht op huisvesting in het geding is, behoort de sluiting tot de maatregelen waarop artikel 3 lid 1 IVRK betrekking heeft. Dit artikel bepaalt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging (‘a primary consideration’) vormen. Dat betekent dat in geschillen die onder de reikwijdte van deze bepaling vallen (“maatregelen betreffende kinderen”), bijzonder gewicht dient toe te komen aan de belangen van de kinderen in kwestie. Dat betekent niet dat, indien het in het belang van de betrokken kinderen is dat zij in het gehuurde kunnen blijven wonen, een beslissing tot sluiting van die woning nooit in stand kan blijven, maar wel dat de belangen van deze minderjarigen bijzonder gewicht in de schaal leggen. De belangen van in het gehuurde wonende kinderen moeten als ‘eerste overweging’ in aanmerking worden genomen. Dat betekent dat daaraan een hoge prioriteit toekomt.
Het bestreden besluit en in aanvulling daarop het verweerschrift geven naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter van een dergelijke prioritering van de belangen van de minderjarige kinderen van verzoekers geen blijk. Het zich enkel rekenschap geven van de aanwezigheid van de minderjarige kinderen, zoals de burgemeester heeft gedaan, volstaat in een geval als het onderhavige niet. De burgemeester heeft daarom op dit moment ook onvoldoende gemotiveerd waarom een sluiting van de woning evenwichtig is. Daarbij klemt hier temeer dat hier niet alleen sprake is van twee minderjarige kinderen, maar de oudste zoon van verzoekers, hetgeen ook niet wordt betwist, (licht) verstandelijk beperkt is en een specifieke zorgbehoefte heeft die zich, naar ook niet in geschil, ook uit in een verzwaarde behoefte aan continuïteit.
Sluiting onvoldoende gemotiveerd
6. Zoals hiervoor overwogen heeft de burgemeester onvoldoende gemotiveerd dat een sluiting op zijn plaats was. Voor de te nemen beslissing op bezwaar geeft de voorzieningenrechter de burgemeester in aanvulling op het voorgaande mee dat een (eventueel) verwijt dat verzoekers kan worden gemaakt van de overtreding, niet het gewicht relativeert dat toekomt aan de belangen van de bij verzoekers wonende minderjarige kinderen. Gelet daarop en bezien hetgeen hiervoor is overwogen zal de burgemeester, indien hij in bezwaar blijft bij een last die strekt tot sluiting van de woning, nader moet motiveren waarom onder voornoemde omstandigheden in dit geval niet – in afwijking van het Damoclesbeleid – met een waarschuwing kon worden volstaan. Daarbij is ook van belang, hetgeen ter zitting ook met partijen is besproken, dat verzoekers kwetsbaar en verminderd zelfredzaam lijken en een hulpaanbod vanuit de gemeente in hun geval wellicht tot een meer constructieve oplossing kan leiden. Verzoekers hebben daar ook aangegeven in te zien dat zij hulp nodig hebben.
Conclusie en gevolgen
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 7 september 2026 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Daarom krijgt verzoekers ook een vergoeding van hun proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het besluit van 7 september 2026 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: