RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/381213 / KG ZA 26-482
Tussenvonnis in kort geding van 6 oktober 2026
in de zaak van
[de man]
te [plaats]
eisende partij in conventie
verwerende partij in reconventie
hierna te noemen: de man
advocaat: mr. L.A. Mulders
tegen
[de vrouw]
te [plaats]
gedaagde partij in conventie
eisende partij in reconventie
hierna te noemen: de vrouw
advocaat: mr. T.J.E. op de Weegh
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 4 producties;- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie met 12 producties;- het bericht van 28 september met aanvullende producties 5 tot en met 17 van de man- het bericht van 28 september met aanvullende productie 13 van de vrouw;- de mondelinge behandeling van 29 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben samengewoond. Uit de relatie is op [geboortedatum] [de minderjarige] geboren. Partijen dragen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] .
De relatie is in december 2025 geëindigd. De vrouw is in de voorheen gemeenschappelijke woning blijven wonen. De man is verhuisd.
Partijen hebben geen ouderschapsplan of (formele) zorgregeling opgesteld. Evenmin zijn afspraken gemaakt over kinderalimentatie. De omgangsmomenten werden in de praktijk flexibel ingepland.
Vanaf 1 juli 2026 is er gedurende enkele weken een volledige breuk geweest in het contact tussen [de minderjarige] en de man. Sindsdien is het contact hervat, hetzij op onregelmatige basis.
[de minderjarige] gaat op dit moment op maandag en vrijdag naar een kinderopvanglocatie en op donderdag naar een andere kinderopvanglocatie.
De man draagt op dit moment niet bij in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van de vrouw voor de momenten dat [de minderjarige] niet bij de man verblijft.
3. Het geschil
in conventie
De man vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, een tijdelijke zorgregeling vaststelt, inhoudende dat [de minderjarige] bij de man verblijft:
iedere maandagmiddag tot woensdagochtend;
eenmaal per veertien dagen op zondag van 09:00 tot 19:00 uur.
De vrouw voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt bij de beoordeling ingegaan.
in reconventie
De vrouw vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. een tijdelijke zorgregeling vaststelt, inhoudende dat [de minderjarige] bij de man verblijft:
iedere donderdag- tot vrijdagochtend;
eenmaal per veertien dagen van donderdagochtend tot zaterdagavond;
II. de man veroordeelt tot betaling van een voorlopige bijdrage van € 350,- per maand, dan wel een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag, in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .
De man voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt bij de beoordeling ingegaan.
4. De beoordeling
De vorderingen in conventie en reconventie hangen zodanig met elkaar samen dat zij gezamenlijk zullen worden besproken.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
De tijdelijke zorgregeling
Partijen vorderen beide (bij wijze van vordering en tegenvordering) om een tijdelijke zorgregeling vast te stellen. Beiden hebben een regeling voorgesteld van twee dagen per week contact tussen de man en [de minderjarige] , met daarbij één keer per veertien dagen een extra weekenddag.
Tussen partijen is met betrekking tot de zorgregeling slechts in geschil welke dagen dit zouden moeten zijn, hetgeen tijdens de mondelinge behandeling ook is besproken. Aan het geschil liggen met name praktische overwegingen ten grondslag, namelijk de combinatie met ieders werkverplichtingen, vaste sportmomenten en contact met familieleden. Het is voorlopig niet mogelijk gebleken om de agenda’s op dit punt ‘in elkaar te passen’. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om na te melden tijdelijke zorgregeling vast te stellen waarin de last gelijkelijk wordt gedeeld door de door partijen voorgestelde regelingen beide alternerend geldend te laten zijn. Deze regeling zal gelden tot 1 februari 2027 omdat de vrouw heeft aangegeven dat de wens bestaat om [de minderjarige] over te plaatsen naar één kinderopvang en de verwachting is dat deze kinderopvang vanaf januari plaats zal hebben.
De voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige]
De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [de minderjarige] vaststelt van € 350,- per maand. Omdat de man gedurende minder dan de helft van de tijd voor [de minderjarige] zorgt en de verstandhouding tussen partijen op dit moment niet goed is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw voldoende belang heeft bij het verkrijgen van een voorlopige maandelijkse vaste bijdrage voor de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] .
De vrouw heeft de behoefte van [de minderjarige] berekend op € 728,- per maand. De vrouw heeft haar eigen draagkracht berekend op € 25,- per maand en die van de man op € 1.056,-. De man betwist deze berekening en voert aan dat de financiële positie van de vrouw onvoldoende inzichtelijk is. De vrouw beschikte in de jaren voor 2025 namelijk over een aanzienlijk inkomen uit haar eenmanszaak, zij heeft een BV op het gebied van vastgoedontwikkeling en zij verhuurt daarnaast twee woningen. Daarnaast heeft de vrouw in haar berekening onvoldoende rekening gehouden met de onderhoudsverplichtingen die hij jegens zijn twee andere kinderen heeft. Voor het overige kan de man instemmen met de berekende behoefte van [de minderjarige] en de berekening van zijn eigen draagkracht.
De vrouw heeft daar tegenin gebracht dat zij sinds de geboorte van [de minderjarige] is gestopt met werken en dat er niets meer in de eenmanszaak gebeurt. Ook met de BV geneert zij nog geen inkomsten. De overeenkomst van een van de huurwoningen is beëindigd en met de verhuur van de andere woning genereert zij evenmin nauwelijks tot geen inkomsten. Op dit moment teert zij voor de dagelijkse kosten van levensonderhoud in op haar eigen vermogen.
De vrouw heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat zij op dit moment weinig tot geen inkomsten heeft. In dit kort geding is geen ruimte voor een precieze berekening van de behoefte van [de minderjarige] en de draagkracht van partijen. Dat moet in de bodemprocedure gebeuren. Alles overziende zal de voorzieningenrechter daarom bij wijze van ordemaatregel bepalen dat de man voorlopig - totdat de bodemrechter anders heeft beslist dan wel partijen in onderling overleg anders zijn overeengekomen - een bedrag van € 250,- per maand aan de vrouw dient te betalen, onder bepaling dat indien in de bodemprocedure blijkt dat dit meer is dan hij verschuldigd is, hij het te veel betaalde ook termijnsgewijs met (termijnen gelijk aan het maandelijkse verschil) kan verrekenen met de termijnen die nadien komen te vervallen.
De zaak wordt pro forma aangehouden tot 1 februari 2027. De meest gerede partij zal voor die tijd aan dienen te geven of zij (nader) vonnis wenst. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie en in reconventie
stelt inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de volgende regeling vast voor het contact tussen de man met [de minderjarige] :
- vanaf 12 oktober tot en met 13 december 2026 verblijft [de minderjarige] bij de man:
o iedere maandagmiddag, waarbij de man hem na de kinderopvang ophaalt, tot woensdagochtend, waarbij de man hem naar de opvang brengt, en
o eenmaal per veertien dagen op zondag van 09.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de vrouw [de minderjarige] naar de man brengt en de man [de minderjarige] terugbrengt,;
- vanaf 14 december 2026 verblijft [de minderjarige] bij de man:
o iedere donderdagochtend tot vrijdagochtend, waarbij de man [de minderjarige] op vrijdag naar de opvang brengt, en
o eenmaal per veertien dagen van donderdagochtend tot zaterdag na het eten,
bepaalt dat deze zorgregeling geldt tot 1 februari 2027 of totdat partijen in onderling overleg tot andere afspraken komen of in een rechterlijke uitspraak anders wordt beslist,
en voorts in reconventie
veroordeelt de man om met ingang van 1 oktober 2026 een bedrag van € 250,- per kind per maand aan de vrouw te betalen ten titel van voorschot van kinderalimentatie, totdat de bodemrechter anders heeft beslist dan wel partijen in onderling overleg anders zijn overeengekomen, voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling vóór de eerste dag van de volgende maand, onder bepaling dat indien in de bodemprocedure blijkt dat dit meer is dan hij verschuldigd is, dat hij het te veel betaalde als hiervoor omschreven kan verrekenen met de termijnen die nadien komen te vervallen,
en voorts nog in conventie en in reconventie
houdt de zaak aan tot 1 februari 2027 voor akte partijen,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.