RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/161624-24 (P)
Uitspraakdatum: 13 oktober 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 september 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
nu gedetineerd in [detentieadres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. T. Fikkers en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. L.J.B.G. van Kleef, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
De verdachte wordt, kort en zakelijk weergegeven, verweten dat hij zich in IJmuiden en/of Sint Pancras en/of (elders in) Nederland heeft schuldig gemaakt aan de volgende feiten:
feit 1: medeplegen van invoer van ongeveer 125 kilogram cocaïne, dan wel (subsidiair) voorbereidingshandelingen daartoe in de periode 21 februari 2020 tot en met 3 maart 2020;
feit 2: medeplegen van het verhandelen van ongeveer 180 kilogram cocaïne in de periode 21 augustus 2020 tot en met 1 september 2020;
feit 3: medeplegen van voorbereidingshandelingen om cocaïne en methamfetamine te (ver)kopen in de periode 20 oktober 2020 tot en met 19 januari 2021;
feit 4: medeplegen van het verhandelen van ongeveer 1105 kilogram hennep in de periode 21 januari 2021 tot en met 30 januari 2021;
feit 5: uitvoer van ongeveer 30 kilogram hennep in de periode 26 februari 2021 en 6 maart 2021;
feit 6: voorhanden hebben van diverse vuurwapens (categorie III) en munitie (categorie III) op 26 februari 2026.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.
2. Aanhoudingsverzoek
De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van de conclusie van de advocaat-generaal van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) in de Franse zaak C-625/25 (Prudniez), dan wel – indien de conclusie van de advocaat-generaal daartoe aanleiding geeft – in afwachting van het arrest van het Hof van Justitie. In die zaak heeft het Franse Hof van Cassatie prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de rechtsmiddelen tegen bewijs dat is verkregen via een Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB). De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de conclusie van de advocaat-generaal en de beantwoording van de prejudiciële vragen raken aan de beoordeling van de integriteit en de authenticiteit van SKY ECC-berichten, welke berichten ook in onderhavige zaak aan de orde zijn. Volgens de raadsman, zo begrijpt de rechtbank, kan de uitkomst van die zaak van belang zijn bij de vraag of sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Voor zover de raadsman in zijn pleitnota nog heeft gewezen op twee bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) aanhangige zaken, heeft hij daaraan geen concreet onderbouwd verzoek verbonden, zodat de rechtbank daaraan bij de bespreking van het aanhoudingsverzoek voorbijgaat.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding, omdat onvoldoende is onderbouwd wat het belang van de verdediging is om de zaak aan te houden in afwachting van de uitkomst van de procedure bij het Hof van Justitie.
Oordeel van de rechtbank
Het Franse Hof van Cassatie heeft onder meer de vraag gesteld of artikel 14 lid 1 van Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (hierna: de EOB-richtlijn) met zich brengt dat moet worden voorzien in een rechtsmiddel voor personen die in een andere lidstaat worden vervolgd op basis van reeds eerder door Frankrijk verkregen bewijsmateriaal dat die lidstaat op grond van een EOB heeft opgevraagd.
De rechtbank stelt vast dat de Franse autoriteiten de gegevens uit de zogenoemde SKY-hack in deze strafzaak niet op grond van een EOB met de Nederlandse autoriteiten hebben gedeeld, maar aanvankelijk vrijwillig en later op grond van een samenwerking binnen een Joint Investigation Team (hierna: JIT). Het bewijsmateriaal (de SKY ECC-data) is in deze zaak dus op een andere wijze verkregen dan in de zaak waarin het Franse Hof van Cassatie de prejudiciële vragen heeft gesteld. Een JIT wordt immers beheerst door specifieke voorschriften, vervat in onder meer Kaderbesluit 2002/465/JBZ. Lidstaten die partner zijn in een JIT, maken specifieke afspraken met elkaar, neergelegd in een overeenkomst, over de wijze waarop zij bewijs vergaren en met elkaar delen. Waar het gaat om de beoordeling van de rechtmatigheid van de resultaten verkregen met het onderzoek van zo’n gemeenschappelijk onderzoeksteam, geldt (nog steeds) het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel brengt mee dat het niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter behoort om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die gelden in het betreffende land voor het uitvoeren van dat onderzoek.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding of noodzaak om in de onderhavige zaak de conclusie van de advocaat-generaal, dan wel de uitspraak van het Hof van Justitie, over de uitleg van artikel 14 lid 1 van de EOB-richtlijn af te wachten. De bepalingen van de EOB-richtlijn zijn in deze zaak niet van toepassing en de verdediging heeft de noodzaak tot aanhouding verder ook niet gemotiveerd onderbouwd. Het verzoek tot aanhouding wordt daarom afgewezen.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 tot en met 6 ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1 tot en met 5, omdat deze niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op het verweer van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair en 2 tot en met 6 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsoverwegingen
Toeschrijving van de SKY-accounts aan de verdachte
Het bewijs in deze zaak bestaat vrijwel uitsluitend uit onderschepte en vervolgens ontsleutelde SKY-berichten. De rechtbank beoordeelt daarom eerst of de SKY-accounts [account 1] , [account 2] en [account 3] aan de verdachte kunnen worden toegeschreven.
De verdachte heeft verklaard dat hij weliswaar gebruiker was van de accounts [account 1] en [account 2] , maar dat ook anderen van deze accounts gebruik maakten. De verdachte beschrijft het gebruik van deze twee accounts als een spannende hobby, hij erkent dat hij wel eens foto’s van blokken cocaïne heeft doorgestuurd, maar zegt dat hij nooit daadwerkelijk zaken in verdovende middelen heeft gedaan. Hij heeft, zo begrijpt de rechtbank, wel andere personen die tijdens de corona pandemie zonder werk zaten en bij hem op zijn perceel waren gehuisvest, aan zogenoemde ‘wietklusjes’ willen helpen. Op het moment dat de berichten dan ‘spannend en interessant’ werden, gaf hij de telefoon over aan één van die andere personen. Op een later moment kreeg hij de telefoon dan weer terug (met uitzondering van de berichten over ‘ice’, waarvan de verdachte erkent ze allemaal te hebben geschreven/ontvangen). Verder hebben ook zijn schoonvader of werknemers van zijn schoonvader op bepaalde momenten over de telefoon beschikt en met die accounts berichten verstuurd. Het account [account 3] heeft hij volgens zijn verklaring nooit gebruikt; dat account was vanaf het begin in gebruik bij zijn schoonvader.
De rechtbank komt op grond van de inhoud van het dossier echter tot de conclusie dat de drie accounts en de berichten verzonden met die accounts aan de verdachte kunnen worden toegeschreven. Zij overweegt daartoe als volgt.
Het dossier bevat een proces-verbaal van identificatie van de drie genoemde SKY-accounts. Daaruit blijkt dat voor alle drie de accounts gebruik is gemaakt van vergelijkbare gebruikersnamen, dezelfde reseller en hetzelfde unieke, complexe wachtwoord. Verder blijkt dat bij alle drie de accounts, zowel overdag als in de nachtelijke uren, het meest gebruik is gemaakt van een zendmast in de buurt van het toenmalige woonadres van de verdachte. Uit onderzoek is ook gebleken dat de periodes van actief gebruik van de accounts [account 1] , [account 2] en [account 3] op elkaar aansluiten. Dit blijkt ook uit de inhoud van de berichten van 30 juli 2020 en 20 januari 2021, verstuurd vanaf respectievelijk de accounts [account 1] en [account 2] , waarin de gebruiker aangeeft een nieuw account te hebben en het opvolgende account noemt. Tot slot komen ook de contacten van de drie accounts grotendeels overeen.
De verklaring van de verdachte dat hij niet de enige gebruiker was van de accounts [account 1] en [account 2] , dat hij de telefoon op bepaalde momenten aan andere personen heeft overhandigd en op enig moment ook weer heeft teruggekregen, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Allereerst is van belang dat de verdachte niet voldoende concreet heeft gemaakt wie die andere personen zijn geweest die bij hem thuis kwamen of woonachtig waren in een pand op zijn erf. Ook blijkt uit de inhoud van de chatberichten niet dat een gesprek, nadat de verdachte enkele berichten heeft verstuurd, door iemand anders is overgenomen of voortgezet, hetgeen wel voor de hand zou liggen als een telefoon/account door meerdere personen wordt gebruikt. Daarbij komt dat er door de gebruiker van de accounts ook berichten worden verstuurd met een persoonlijk inhoud, bijvoorbeeld over de kinderen van de verdachte, en dat het account [account 2] ook met de verdachte is meegereisd op een vakantie naar de Antillen. Ook in dat licht bezien komt het de rechtbank onwaarschijnlijk voor dat de accounts bij meerdere personen in gebruik waren en dat, als de berichten over (de handel in) verdovende middelen gaan en er daadwerkelijk zaken werden gedaan, de telefoon met dat account juist niet bij de verdachte was.
Ten aanzien van het account [account 3] is naar aanleiding van de verklaring van de verdachte onderzoek verricht naar de identiteit en de verblijfplaats van zijn schoonvader. Daaruit blijkt dat zowel de verdachte als zijn vrouw berichten heeft verstuurd waarin wordt gesproken over het feit dat schoonvader al jaren niet meer in Nederland verblijft en kampt met een hersenaandoening. De verdachte heeft hierover via WhatsApp gesproken met ene [naam 4] en in meerdere groepschats. De vrouw van de verdachte heeft op 6 oktober 2023 tegenover de gemeente aangegeven dat haar vader al vijf jaar in Amerika verblijft. Ook heeft zij op 19 juni 2023 een bericht op Facebook geplaatst, waaruit blijkt dat zij in Canada was, en waarin zij onder meer het volgende schrijft: “I'm so thankful I was able to spend so much quality time together with my DAD after years of being apart.”.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de schoonvader in de periode waarin met het account [account 3] chatgesprekken zijn gevoerd, niet in Nederland verbleef. Om die reden acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat zijn schoonvader de gebruiker van dit account is geweest, niet geloofwaardig.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de accounts [account 1] , [account 2] en [account 3] aan de verdachte kunnen worden toegeschreven. De rechtbank bespreekt hierna eerst het voorwaardelijk verzoek van de raadsman. Daarna beoordeelt zij per feit of de inhoud van de chatberichten die vanaf deze accounts zijn verstuurd, wettig en overtuigend bewijs oplevert voor de tenlastegelegde feiten 1 tot en met 5.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft verzocht [naam 5] , de schoonvader van de verdachte, als getuige te horen, in het geval de rechtbank van oordeel is dat de verdachte de gebruiker is geweest van het account [account 3] en voor het bewijs gebruikmaakt van de chatberichten die vanaf dat account zijn verstuurd.
Aan de voorwaarde van het verzoek is voldaan. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank vastgesteld dat de verdachte de gebruiker was van het account [account 3] en zijn schoonvader niet in Nederland was gedurende de periode waarin dit account in Nederland actief was. Gelet daarop ziet de rechtbank geen noodzaak om de schoonvader als getuige te horen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Vrijspraak van medeplegen van invoer van 125 kilogram cocaïne (feit 1 primair)
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Het primaire verwijt komt er in de kern op neer dat de verdachte schuldig is aan het medeplegen van de verlengde invoer van 125 kilogram cocaïne, welke partij zich aan boord van een schip, genaamd [naam 6] , zou bevinden. De rechtbank overweegt dat op basis van de inhoud van de chatberichten niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk cocaïne in dit schip aanwezig was. In de chatberichten wordt wel gesproken over het uithalen van 125 stuks, maar daaruit blijkt ook dat de deelnemers aan het gesprek (onder wie de verdachte) zelf niet lijken te weten of de partij (nog) in het schip ligt en de uithalers – ondanks een poging – de partij nooit hebben aangetroffen.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat er evenmin voldoende bewijs voorhanden is waaruit valt af te leiden dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen waardoor sprake is van het medeplegen van de invoer van de cocaïne. Uit de inhoud van de chatberichten kan worden afgeleid dat de verdachte heeft geprobeerd de uithaal van de cocaïne uit het schip te regelen op het moment dat dat schip al in IJmuiden (en later Amsterdam) lag. Het dossier bevat echter geen informatie over berichten die zien op de periode voordat het schip Nederland binnenkwam en de wijze waarop deze invoer heeft plaatsgevonden. Daardoor kan geen nauwe en bewuste samenwerking worden vastgesteld tussen de verdachte en de personen die de invoer van de 125 stuks hebben verzorgd.
Voorbereidingshandelingen medeplegen van invoer van 125 kilogram cocaïne (feit 2 subsidiair)
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van de chatberichten vast dat de verdachte in de periode van 21 februari 2020 tot en met 3 maart 2020 voorbereidingen heeft getroffen voor het uithalen van 125 kilogram cocaïne, welke cocaïne zich mogelijk in een schip bevond. Daarbij heeft hij een coördinerende rol vervuld en contacten bij elkaar gebracht.
Op 21 februari 2020 vroeg account [account 4] in een groepschat, waarvan het account [account 1] deel uitmaakte, of iemand 125 stuks, verstopt op een schip, kon uithalen. De verdachte vroeg via het account [account 1] om meer informatie en gaf daarna aan mensen voor het uithalen te kunnen regelen. Vervolgens werden er berichten gewisseld over een borg, de te betalen prijs, de wijze waarop de 125 stuks moesten worden uitgehaald en door wie. In de chatberichten werd gesproken over ‘blokken’ en ‘stuks’. Ook moest een Colombiaan mee om aan te wijzen waar de blokken verstopt lagen. Daarnaast vertegenwoordigde één ‘stuk’ een waarde tussen de € 28.000,- en € 30.000,-, wat overeenkomt met de prijs voor een kilo cocaïne in die periode.
Hieruit leidt de rechtbank af dat het uithalen van 125 stuks neerkomt op het uithalen van 125 kilogram cocaïne, en dat de voorbereidingshandelingen daarop betrekking hadden.
Medeplegen van het verhandelen van 180 kilogram cocaïne (feit 2)
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van de chatberichten vast dat de verdachte in de periode van 21 augustus 2020 tot en met 1 september 2020 samen met anderen 180 kilogram, cocaïne heeft verstrekt, vervoerd, afgeleverd en (gedeeltelijk) verkocht.
Op 21 augustus 2020 vroeg account [account 4] aan de verdachte, die op dat moment gebruikmaakte van het account [account 2] , of hij ‘spullen’ kon ophalen uit Roosendaal. De verdachte antwoordde daarop bevestigend en regelde een chauffeur die op 24 augustus 2020 180 stuks ophaalde. Uit het volgende bericht blijkt dat de verdachte daarnaast mensen regelde voor het inpakken en stashen van de stuks, en voor het in kleine hoeveelheden (‘in plukjes’) laten vervoeren: “Ik heb chauff en stash 45k beloofd voor ophalen, inpakken, stashen en in plukjes naar tp (de rechtbank begrijpt: transport) brengen.”. Vervolgens werd gesproken over het verkopen van de 180 stuks. De verdachte stuurde daarbij meerdere foto’s waarop witte blokken te zien zijn. Op 1 september 2020 stuurde de verdachte het volgende bericht aan het account [account 4] : ‘Ik heb een pakket van 169 gemaakt voor je ghost’. Kort daarna werd bevestigd dat 169 stuks waren afgegeven. Uit de genoemde prijzen en de gebruikte terminologie (‘Is t boli of colo’), in samenhang met de foto’s, leidt de rechtbank af dat het hierbij gaat om cocaïne.
Voorbereidingshandelingen (ver)kopen/aanbieden van cocaïne en methamfetamine (feit 3)
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van de chatberichten en de verklaring van de verdachte vast dat hij in de periode van 20 oktober 2020 tot en met 19 januari 2021 samen met anderen voorbereidingen heeft getroffen voor het (ver)kopen/aanbieden van cocaïne en methamfetamine.
Uit de chatberichten en de verstuurde foto’s blijkt dat de verdachte via het account [account 2] in de tenlastegelegde periode meerdere keren blokken cocaïne en één keer ‘ice’ te koop heeft aangeboden. Op 17 december 2020 heeft hij ook berichten verstuurd over de inkoop van een hoeveelheid cocaïne, om deze vervolgens te koop aan te bieden. De rechtbank betrekt daarbij de verklaring van de verdachte ter zitting dat hij de berichten over ‘ice’ heeft verstuurd en dat hij weleens foto’s van blokken cocaïne heeft doorgestuurd.
De raadsman heeft betoogd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het gaat om cocaïne en methamfetamine. De rechtbank volgt dit betoog niet. Uit de in de chatberichten genoemde prijzen, de gebruikte terminologie (‘boli’, ‘colo’, ‘ice’, ‘pegels’) en de foto’s waarop witte blokken met stempels en bakjes met vermoedelijk kristallen te zien zijn, leidt de rechtbank af dat het gaat om cocaïne en methamfetamine.
Medeplegen van het verwerken, verkopen, afleveren en/of vervoeren 1105 kilogram hennep (feit 4)
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van de chatberichten vast dat de verdachte in de periode van 21 januari 2021 tot en met 30 januari 2021 samen met anderen ongeveer 1105 kilogram hennep heeft verwerkt, afgeleverd en/of vervoerd.
Uit de chatberichten blijkt dat de verdachte, die op dat moment gebruikmaakte van het account [account 3] , een rol heeft gespeeld bij het opnieuw verpakken en opslaan van een grote partij hennep. Daarbij hield hij de gebruiker van het account [account 5] op de hoogte. Op 28 januari 2021 stuurde hij naar dit account een bericht met een overzicht van vier partijen hennep die bestemd waren voor ‘pickup’. Daarin stond een gedetailleerde beschrijving van het soort hennep en het gewicht. Het totaalgewicht aan hennep is op basis van dit overzicht berekend en bedraagt ongeveer 1105 kilogram. Uit de berichten kan tot slot worden afgeleid dat de verdachte ook betrokken is geweest bij de verkoop van (een deel) van de hennep (“paper of first sales just came in”).
Uitvoer van 30 kilogram hennep (feit 5)
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van de chatberichten vast dat de verdachte in de periode van 26 februari 2021 tot en met 6 maart 2021 betrokken is geweest bij de uitvoer van ongeveer 30 kilogram hennep naar Noorwegen.
Op 26 februari 2021 stuurde de verdachte via het account [account 3] een bericht waarin hij aangaf dat er vrijdagochtend 31 stuks zouden worden afgegeven voor transport (‘tp’). In een navolgend bericht gaf de verdachte aan dat hij bezig was met het verpakken van hennep en stuurde hij een foto waarop een zak hennep te zien is. Op 4 maart 2021 stuurde de verdachte het volgende bericht: ‘All is packed and done. Ready to be passed to tp in the morning.’. In datzelfde bericht gaf hij ook een overzicht van hoeveel er van welke soort hennep zou worden verzonden. Uiteindelijk bleek het te gaan om in totaal 30 stuks. Op 6 maart 2021 werd een adres in Stokke (Noorwegen) gestuurd, waarna het account [account 6] bevestigde dat er vier dozen waren afgeleverd. Hieruit leidt de rechtbank af dat er (ongeveer) 30 kilogram hennep naar Noorwegen is uitgevoerd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 tot en met 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
feit 1 subsidiair
hij in de periode van 21 februari 2020 tot en met 3 maart 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen om een feit, bedoeld in het vierde van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk afleveren, verstrekken en vervoeren van ongeveer 125 kilogram cocaïne, voor te bereiden en te bevorderen,- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit mede te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en
- een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
door als gebruiker van het SkyECC account [account 2] op die SkyECC-applicatie:* deel te nemen aan een of meer (groeps)chat(s) met andere SkyECC gebruikers, waarin informatie/inlichtingen wordt uitgewisseld over de vaarroute en plaats/ligging van het (naar/binnen Nederland inkomende/ingekomen) zeeschip, genaamd [naam 6] , met verstopt aan boord een (grote) partij cocaïne,* (chat)gesprekken te voeren met die anderen waarin hij, verdachte, bemiddelt tussen de uithalers en de opdrachtgevers, en* (chat)gesprekken te voeren met die anderen over (het voornemen tot/de wijze van/moment van) de uithaal, verder vervoer en/of verkoop/verdeling van die ingekomen partij cocaïne en/of de winst daarvan;
feit 2 hij in de periode van 21 augustus 2020 tot en met 1 september 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en vervoerd ongeveer 180 kilogram, in elk geval een hoeveelheid cocaïne;
feit 3 hij in de periode van 20 oktober 2020 tot en met 19 januari 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van- een hoeveelheid cocaïne tussen 20 en 23 oktober 2020,- 8 kilogram methamfetamine op 10 december 2020,- een hoeveelheid cocaïne op 16 en 17 december 2020, en- een hoeveelheid cocaïne tussen 17 en 19 januari 2021,voor te bereiden en/of te bevorderen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen,door als gebruiker van het SkyECC account [account 2] op die SkyECC-applicatie:* deel te nemen aan (groeps)chats met andere SkyECC gebruikers, waarin gesprekken worden gevoerd met betrekking tot cocaïne en/of methamfetamine,* in (chat)gesprekken met die anderen foto’s te sturen van witte blokken waarvan hij, verdachte, aangeeft deze voorhanden te hebben,* (chat)gesprekken te voeren met die anderen waarin hij, verdachte, bemiddelt in de verkoop van die hoeveelheden cocaïne en/of methamfetamine, en* (chat)gesprekken te voeren met die anderen over de verkoop en/of aankoop van hoeveelheden cocaïne en/of methamfetamine en/of over het afleveren en/of vervoeren van die hoeveelheden cocaïne en/of methamfetamine, en/of over prijzen en/of betalingen van die hoeveelheden cocaïne en/of methamfetamine;
feit 4 hij in de periode van 21 januari 2021 tot en met 30 januari 2021 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd ongeveer 1105 kilogram hennep;
feit 5 hij in de periode van 26 februari 2021 tot en met 6 maart 2021 in Nederland opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 30 kilogram hennep;
feit 6 hij op 26 februari 2025 te Egmond aan den Hoef 4 wapens van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten- een pistool, merk Walther, model P22,- een revolver, merk Taurus, .357 magnum,- een pistool, merk Feg, model PA-63, en- een pistool, merk Umarex, model PK380- zijnde vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en/of pistolen, en- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 8 (scherpe) rand-vuur projectielpatronen van het kaliber .22 Long riflevoorhanden heeft gehad.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 subsidiair
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;
feit 2
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd;
feit 4
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;
feit 5
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 6
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
6. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straf
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich, samen met anderen, bezig gehouden met het verhandelen van ruim 1100 kilogram hennep en ongeveer 180 kilogram cocaïne. Daarnaast heeft hij ongeveer 30 kilogram hennep uitgevoerd naar Noorwegen. Ook heeft hij, eveneens samen met anderen, voorbereidingshandelingen gepleegd voor het (laten) uithalen van ongeveer 125 kilogram cocaïne en het verhandelen van cocaïne en methamfetamine door deze middelen te koop aan te bieden.
De verdachte heeft zich hiermee over een periode van bijna een jaar actief begeven op het terrein van de (internationale) drugshandel en daarbij in een aantal gevallen een coördinerende of sturende rol gehad. Internationale drugshandel vereist naar zijn aard een behoorlijke mate van samenwerking en organisatie. Uit het procesdossier blijkt dat de verdachte bij de voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne tussenpersoon was en de verbinding legde tussen de opdrachtgevers en de uithalers.
De substantiële hoeveelheden drugs moeten bestemd zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Drugs zijn voor de gezondheid van gebruikers ervan zeer schadelijke stoffen, die levens kunnen ontwrichten. De verspreiding van en handel in drugs gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder (ernstige) geweldscriminaliteit, levensdelicten en misdrijven die een bedreiging zijn voor de integriteit van het financiële en economische verkeer. Daarnaast heeft drugshandel een grote ondermijnende werking in de Nederlandse samenleving. Ondanks al deze schadelijke effecten, heeft de verdachte zich ingelaten met de (internationale) drugshandel, kennelijk alleen voor eigen financieel gewin.
Verder zijn op 26 februari 2026 bij een doorzoeking van de woning van de verdachte vier vuurwapens en munitie aangetroffen. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en bijbehorende munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee en draagt bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Eén van de aangetroffen vuurwapens was bovendien doorgeladen en daardoor voor onmiddellijk gebruik beschikbaar.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 23 juli 2026, waaruit blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaar niet voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank houdt bij de straftoemeting rekening met het tijdsverloop in deze zaak. In artikel 6, eerste lid, EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met de bewezenverklaarde feiten langer dan zestien maanden in voorlopige hechtenis heeft verkeerd, te gelden dat de behandeling van een zaak op de zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen zestien maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
De verdachte is op 26 februari 2025 in verzekering gesteld. Hij kon er vanaf dat moment van uitgaan dat hij strafrechtelijk zou worden vervolgd. Die verwachting was gelet op de aard van de verdenking ook naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd. Omdat het eindvonnis op 13 oktober 2026 wordt gewezen en van bijzondere omstandigheden niet is gebleken, is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna vier maanden. De rechtbank zal hier in strafmatigende zin rekening mee houden door de straf, die zij anders had opgelegd, met drie maanden te verminderen.
De op te leggen straf
Gelet op de ernst en omvang van de feiten, de georganiseerde wijze waarop de feiten zijn gepleegd en de rol van de verdachte, komt alleen een gevangenisstraf van aanzienlijke duur als passende reactie in aanmerking. Daarbij heeft de rechtbank ook gelet op straffen die in soortgelijke zaken van deze omvang plegen te worden opgelegd. De rechtbank heeft oog gehad voor de gevolgen die de voorlopige hechtenis en de verschillende beslagen verband houdend met de ontnemingsvordering hebben gehad voor de verdachte en zijn gezin, maar ziet in die (persoonlijke) omstandigheden geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken, nu de verdachte die gevolgen grotendeels over zichzelf heeft afgeroepen door zich in te laten met de feiten zoals bewezen verklaard.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 69 maanden (zijnde vijf jaar en negen maanden) moet worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 tot en met 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4 weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 69 (negenenzestig) maanden;
bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Korteweg, voorzitter,
mr. M. Hoendervoogt en mr. S.H. Bouwers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.E.H de Koning,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 oktober 2026.
Bijlage 1
De volledige tekst van de tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering op de zitting van 13 april 2026, ten laste gelegd dat:
feit 1 primair
[PV 20029784 P-V chats Sky-ID's [account 1] / [account 2] / [account 3] ]
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2020 tot en met 3 maart 2020 te IJmuiden, en/of Sint Pancras, en/of (elders in) Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 Opiumwet) ongeveer 125 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 februari 2020 tot en met 3 maart 2020 te IJmuiden, en/of Sint Pancras, en/of (elders in) Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om (een) feit(en), bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, en/of- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren,van ongeveer 125 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,voor te bereiden en/of te bevorderen,- een ander heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),door- een (of meer) cryptotelefoon(s) voorhanden te hebben,- op (die) cryptotelefoon(s) een SkyECC applicatie te installeren, en/of- als gebruiker van het SkyECC account [account 2] (gebruikersnamen [naam 1] , [naam 2] en/of [naam 3] ) op die SkyECC-applicatie:* deel te nemen aan een of meer (groeps)chat(s) met een of meer andere SkyECC gebruikers, waarin informatie/inlichtingen wordt uitgewisseld over de vaarroute en/of plaats/ligging van het (naar/binnen Nederland inkomende/ingekomen) zeeschip, genaamd [naam 6] , met (verstopt) aan boord een (grote) partij verdovende middelen/ cocaïne,* (chat)gesprekken te voeren met (die) ander(en) waarin hij, verdachte, bemiddelt tussen de uithalers en/of de opdrachtgevers, en/of* (chat)gesprekken te voeren met (die) ander(en) over (het voornemen tot/de wijze van/moment van) de uithaal, verder vervoer en/of verkoop/verdeling van die inkomende en/of ingekomen partij cocaïne en/of de winst daarvan;
feit 2 [PV 20029784 P-V chats Sky-ID's [account 1] / [account 2] / [account 3] ]
hij op of één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 21 augustus 2020 tot en met 1 september 2020, te Sint Pancras, en/of (elders in) Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 180 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 3 [PV 20029784 P-V chats Sky-ID's [account 1] / [account 2] / [account 3] ] hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 20 oktober 2020 tot en met 19 januari 2021 te Sint Pancras, en/of (elders in) Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om (een) feit(en), bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten- het opzettelijk telen bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren,
van- een hoeveelheid cocaïne tussen 20 en 23 oktober 2020,- 8 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine op 10 december 2020,- een hoeveelheid cocaïne op 16 en 17 december 2020, en/of- een hoeveelheid cocaïne tussen 17 en 19 januari 2021,zijnde cocaïne en/of metamfetamine (een) middel(len) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwetvoor te bereiden en/of te bevorderen,- een ander heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen,- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en),door- een (of meer) cryptotelefoon(s) voorhanden te hebben,- op (die) cryptotelefoon(s) een SkyECC applicatie te installeren, en/of- als gebruiker van het SkyECC account [account 2] (gebruikersnamen [naam 1] , [naam 2] en/of [naam 3] ) op die SkyECC-applicatie:* deel te nemen aan een of meer (groeps)chat(s) met een of meer andere SkyECC gebruikers, waarin gesprekken worden gevoerd met betrekking tot cocaïne en/of metamfetamine,* in (chat)gesprekken met (die) ander(en) foto’s te sturen van witte blokken waarvan hij, verdachte, aangeeft deze voorhanden te hebben,* (chat)gesprekken te voeren met (die) ander(en) waarin hij, verdachte, bemiddelt in de verkoop van die hoeveelheden cocaïne en/of metamfetamine, en/of* (chat)gesprekken te voeren met (die) ander(en) over de verkoop en/of aankoop van hoeveelheden cocaïne en/of metamfetamine en/of over het afleveren en/of vervoeren van die hoeveelheden cocaïne en/of metamfetamine, en/of over prijzen en/of betalingen van die hoeveelheden cocaïne en/of metamfetamine;
feit 4 [PV 20029784 P-V chats Sky-ID's [account 1] / [account 2] / [account 3] ] hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 21 januari 2021 tot en met 30 januari 2021 te Sint Pancras, en/of (elders in) Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 1105 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 5 [PV 20029784 P-V chats Sky-ID's [account 1] / [account 2] / [account 3] ] hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 26 februari 2021 tot en met 6 maart 2021 te Sint Pancras, en/of (elders in) Nederland opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, ongeveer 30 kilogram, in elk geval een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 6 [PV 20608330 P-V bev aantreffen doorgeladen vuurwapen, P-V PL1100-2024087269-4 PV schouw vuurwapen met patroonmagazijn en munitie, Proces-verbaal 2024087269- 11 determinatie vuurwapens en munitie]
hij op of omstreeks 26 februari 2025 te Egmond aan den Hoef, in ieder geval in Nederland,4, althans een of meer wapen(s) van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten- een pistool, merk Walther, model P22,- een revolver, merk Taurus, .357 magnum,- een pistool, merk Feg, model PA-63, en/of,- een pistool, merk Umarex, model PK380- zijnde vuurwapens in de vorm van geweren, revolvers en/of pistolen, en/of- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 8 (scherpe) rand-vuur projectielpatronen van het kaliber .22 Long riflevoorhanden heeft gehad.
Bijlage 2
De bewijsmiddelen
[..]