RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 25/4329 (beroep) en 25/4492 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 januari 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiser] en [eiseres], uit Cruquius, eisers
gemachtigde: mr. G.G. Kranendonk,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, het college
gemachtigde: mr. V. van Toledo, zzp-er.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep gaat over de last onder dwangsom die het college aan eisers heeft opgelegd wegens (gesteld) gebruik van grond in strijd met de bestemming. Eisers zijn het niet mee eens met de last onder dwangsom. Zij zijn in beroep gekomen en verzoeken om een voorlopige voorziening.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij meteen op het beroep van eisers.
De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het geconstateerde gebruik niet in strijd is met de op de grond rustende bestemming. Ook is niet komen vast te staan dat de verordening fysiek domein is overtreden. De bewijslast dat sprake is van een overtreding rust bij het college en het college is hier niet in geslaagd.
Eisers krijgen dus gelijk, de last moet vervallen en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Procesverloop
Op 15 september 2021 en 9 oktober 2023 heeft een toezichthouder van de gemeente Haarlemmermeer het perceel van eisers aan en de uitweg van eiser naar de [adres] in Cruquius geïnspecteerd.
Op 17 mei 2024 heeft het college het voornemen geuit om een last onder dwangsom op te leggen.
Op 20 mei 2024 hebben eisers op het voornemen gereageerd met een zienswijze. Op 27 mei 2024 hebben eisers een aanvullende zienswijze ingediend.
Op 18 november 2024 heeft het college de last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat eisers verharding in de vorm van klinkers, tuinbeplanting en twee poortzuilen met toegangshek en brievenbus moeten verwijderen en verwijderd houden.
Eisers hebben op 24 december 2024 bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom.
Op 7 januari 2025 heeft het college de begunstigingstermijn van de last verlengd tot zes weken na de beslissing op het bezwaarschrift.
Met het bestreden besluit van 12 september 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de last onder dwangsom gebleven.
Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift en toegezegd geen invorderingsmaatregelen te treffen tot op het verzoek is beslist.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, bijgestaan door [naam 1] en [naam 2] als tolken Nederlandse Gebarentaal, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eisers.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Niet in geschil zijnde feiten
Eisers zijn de bewoners/eigenaren van de woning en de daarbij behorende tuin op het adres [adres] te Cruquius (gemeente Haarlemmermeer). Zij hebben vanaf hun perceel uitweg op de [straat] .
In het openbare register waarin feiten over de (civielrechtelijke) rechtstoestand van registergoederen worden bijgehouden, is het perceel, waarop de woning en de tuin liggen aangeduid als het kadastrale perceel gemeente Haarlemmermeer nummer [perceel 1] .
De gemeente Haarlemmermeer is eigenaar van de [straat] . Deze weg ligt – ter hoogte van de woning van eisers – op het kadastrale perceel [perceel 2] .
Op het perceel van eisers en het perceel van de gemeente is het bestemmingsplan Cruquius 2009 van toepassing als tijdelijk onderdeel van het Omgevingsplan Haarlemmermeer. In het bestemmingsplan zijn gronden aangewezen met de bestemming “verkeer”. In het bestemmingsplan zijn de (andere) gronden bestemd voor “wonen” en “tuin”.
Aan de voorzijde van het perceel van eisers, op de uitweg naar de [straat] , is op een strook grond van 3,80 meter diep over de gehele breedte van het 10,40 meter brede perceel onder meer tuinbeplanting aangebracht en een terreinverharding voor de uitrit aangelegd en zijn twee poortzuilen met daartussen een hek geplaatst.
Het bestreden besluit
4. Het college stelt zich op het standpunt dat de beplanting, verharding en de zuilen een gebruik als tuin in strijd met de bestemming “verkeer” meebrengen in de zin van het bestemmingsplan Cruquius 2009 dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Haarlemmermeer. Verder is de desbetreffende strook volgens het college aan de merken als een openbare plaats waardoor het op grond van artikel 6.1 van de Verordening fysiek domein niet is toegestaan om deze grond te gebruiken op een wijze die niet overeenkomt met de publieke functie ervan. Het gebruik van de strook als tuin en oprit is volgens het college niet in overeenstemming met de publieke functie. Verder ziet het college in het onderhavige geval geen reden om van handhaving af te zien.
Wettelijk kader
Bestemmingsplan 'Cruquius 2009'
Artikel 18: Verkeer
Bestemmingsomschrijving
De voor „Verkeer‟ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. wegverkeer;
b. parkeren;
c. fiets- en voetverkeer;
d. groen;
e. water;
f. speelvoorzieningen;
g. voorzieningen ter bevordering van de milieukwaliteit, zoals geluidschermen en luchtkwaliteitschermen; wegverkeerslawaai en/of luchtkwaliteit;
h. overslag van grondstoffen en/of materiaal ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - overslaginstallatie';
met daaraan ondergeschikt:
i. uitingen van beeldende kunst;
j. reclame-uitingen;
met daarbij behorend(e):
k. verhardingen;
l. paden;
alsmede bestemd voor:
m. „Water‟, overeenkomstig het bepaalde in artikel 19, ter plaatse van de aanduiding „brug‟.
Bouwregels
Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van: gebouwen ten behoeve van speelvoorzieningen.
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
a. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer zijn dan 6 meter;
b. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de geleiding en beveiliging en regeling van het verkeer, alsmede lichtmasten mag niet meer zijn dan 10 meter;
c. voor zover de gronden zijn aangeduid als 'specifieke vorm van bedrijf - overslaginstallatie', mag de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van een overslaginstallatie ten behoeve van de aangrenzende gronden met de bestemming 'Bedrijventerrein - 4’, maximaal 23 meter zijn.
Verordening fysiek domein gemeente Haarlemmermeer 2024
Artikel 6.1 Voorwerpen op of aan een openbare plaats
1. Het is verboden zonder vergunning een openbare plaats te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
(…)
Standpunt van eisers
5. In beroep hebben eisers zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een overtreding en dat het college daarom niet handhavend tegen hen mag optreden. Eisers stellen ten eerste dat de beplanting, de verharding en de poortzuilen niet zijn aangebracht op gronden met de bestemming “verkeer”, omdat die bestemming ter plaatse niet aan het gehele kadastrale perceel [perceel 2] is gekoppeld omdat de kadastrale grenzen en de bestemmingsgrenzen in het bestemmingsplan niet overeenkomen. Voorts achten zij het aanbrengen van de beplanting, verharding en poortzuilen en het gebruik van die strook op de wijze als aan de orde niet in strijd met de (voorschriften over de) bestemming “verkeer”. Verder stellen eisers dat het huidige gebruik niet in strijd is met de publieke functie ervan, zodat geen sprake is van een overtreding van artikel 6.1 van de Verordening fysiek domein. Vervolgens is de noodzaak om te handhaven voor eisers ook niet duidelijk. Voor zover het college voornemens is de [straat] opnieuw in te richten of leidingen te leggen, stellen eisers dat dit geen reden is om handhavend op te treden omdat onderhoud van de weg op grond van de Wegenwet geduld moet worden. Zodoende is er volgens eisers geen noodzaak voor het opleggen van de last onder dwangsom en is dit daarom onevenredig.
Beoordeling voorzieningenrechter
Is het huidige gebruik in strijd met de bestemming “verkeer”?
De eerste vraag die moet worden beantwoord, is of voor de (gehele) litigieuze strook, waarop de beplanting, verharding en poortzuilen zijn aangebracht, de bestemming “verkeer” geldt, zoals het college stelt. Het college heeft ter zitting gesteld dat de bestemmingsgrenzen op de bestemmingsplankaart uit 2009 gelijk lopen aan de kadastrale grenzen. Zodoende geldt, volgens het college, de bestemming “verkeer” op het gehele perceel met nummer [perceel 2] en reikt de bestemming “tuin” tot aan de kadastrale grens van het perceel van eisers met nummer [perceel 1] . Op de bestemmingsplankaart uit 2009 is, zo heeft het college ter zitting toegelicht, te zien dat de kadastrale perceelgrenzen (aangegeven met een dunne stippellijn) aan de voorzijde van de percelen aan de [straat] onder de bestemmingsgrens (aangegeven met een dikke zwarte lijn) lopen. Op de plankaart is te zien dat deze perceelgrens doorloopt over de zijwegen van de [straat] waar de “tuin”-bestemming ophoudt. Anders dan eisers aanvoeren, acht de rechtbank op grond van de bestemmingsplankaart uit 2009 en die toelichting het voldoende aannemelijk dat de kadastrale perceelgrenzen gelijk lopen met de bestemmingsgrenzen en dat de bestemming “tuin” dus ophoudt bij de kadastrale grens van het perceel van eisers. Uit de – op dat punt niet bestreden – constateringsrapportage van 9 oktober 2023 volgt dat het perceel van eisers ophoudt bij de meetbout die het kadaster op 0,43 meter achter de voorkant van de poortzuilen heeft aangebracht. Zodoende acht de rechtbank aannemelijk dat de grond met daarop de beplanting, terreinverharding en (een deel van) de portzuilen waarop de last onder dwangsom betrekking heeft de bestemming “verkeer” heeft.
De voorzieningenrechter moet vervolgens op basis van de vaststaande feiten vaststellen of sprake is van een overtreding van de bepalingen uit het bestemmingsplan voor de bestemming “verkeer”. Uit de artikelen 18.1 en 18.2 van het bestemmingsplan volgt dat de gronden met de bestemming “verkeer” bedoeld zijn voor verhardingen, groen en bouwwerken (geen gebouw zijnde) en voor weg-, voet- en fietsverkeer en parkeren en bouwwerken geen gebouwen zijnde. De door het college geconstateerde aanwezigheid van de terreinverharding, de beplanting en de bouwwerken (geen gebouw zijnde) van minder dan 6 meter hoog zijn daarmee niet in strijd. De beplanting vormt groen, de verharding is ook toegestaan en gebruiken eisers als uitrit en dus voor verkeer voor auto, fiets- en voetverkeer. Verder zijn de poortzuilen ook niet in strijd met de bouwregels omdat deze in ieder geval niet hoger zijn dan 6 meter. Van een overtreding van de planregels die gelden voor gronden met de bestemming “verkeer”, is dus geen sprake, althans dit blijkt niet uit hetgeen het college heeft geconstateerd. Het beroep op dit punt is daarom gegrond.
De stelling die het college ter zitting nog heeft ingenomen, dat de grond bestemd is voor verkeer en nu door eisers in strijd met die bestemming wordt gebruikt als tuin, volgt de voorzieningenrechter niet. Uit de constateringsrapporten blijkt niet dat eisers de grond gebruiken op een manier die niet past bij de bestemming “verkeer” maar uitsluitend bij de bestemming “tuin”. Uit de constateringsrapporten blijkt enkel dat er beplanting en een terreinverharding is aangelegd en dat er portzuilen met een toegangshek zijn gerealiseerd. Zoals is hierboven al is overwogen, is dit niet in strijd met de bestemming “verkeer”. Voorts hebben eisers onbetwist aangevoerd dat zij de grond gebruiken als uitweg om vanaf hun perceel de openbare weg te betreden en dus niet als tuin. Aangezien het bestemmingsplan niet bepaalt dat de bestemming “verkeer” uitsluitend is bedoeld openbaar gebruik, valt niet in te zien dat het gebruik van de grond als uitweg met beplanting in strijd is met deze bestemming.
Is er sprake van een overtreding van de Verordening fysiek domein?
Het college heeft verder aan het besluit om handhavend op te treden ten grondslag gelegd dat sprake is van overtreding van artikel 6.1, eerste lid, van de Verordening fysiek domein van de gemeente Haarlemmermeer 2024. Volgens het college gebruiken eisers de grond, welke volgens het college een openbare plaats is, voor een andere dan een publieke functie.
De voorzieningenrechter verwijst op dit punt allereerst naar rechtsoverweging 7.3 van de uitspraak van 22 januari 2025. Kort samengevat komt dit er op neer dat alleen sprake is van een overtreding van artikel 6.1, eerste lid van de Verordening fysiek domein als de grond ooit een openbare plaats in de zin van de verordening is geweest, de grond toen is gebruikt voor een publieke functie en dat eisers dit gebruik hebben veranderd. De bewijslast van deze feiten rust op het college. Ook in het onderhavige geval heeft het college niet onderbouwd dat hiervan sprake is. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op dat het college ook niet heeft onderbouwd dat het gebruik van de grond als uitweg niet in overeenstemming is met de gestelde publieke functie ervan. De uitweg van eisers ligt immers op gemeentegrond en is openbaar toegankelijk. Zodoende valt niet in te zien dat het gebruik van de grond als uitweg in strijd is met artikel 6.1, eerste lid van de Verordening fysiek domein. Ook op dit punt is het beroep gegrond.
Conclusie en gevolgen
Er is geen sprake van dat eisers de overtredingen hebben begaan die het college ten grondslag heeft gelegd aan zijn beslissing om handhavend op te treden. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen en het primaire besluit herroepen, zodat de last komt te vervallen. Dit betekent dat eisers geen gehoor meer hoeven te geven aan de last onder dwangsom en dat zij bij ongewijzigd gebruik van de strook geen dwangsom verschuldigd zijn.
Omdat het beroep gegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
De voorzieningenrechter bepaalt dat het college eisers het door hen betaalde griffierecht voor zowel het beroep als het verzoek ten bedrage van in totaal € 388,- vergoedt. Ook moet het college de proceskosten van eisers vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- (tarief per 1 januari 2026: € 934,- per punt) omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 12 september 2025;
- herroept het primaire besluit van 18 november 2024 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 388,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.