ECLI:NL:RBNHO:2026:13921

ECLI:NL:RBNHO:2026:13921

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 13-10-2026
Zaaknummer 15/226279-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

De verdachte heeft zijn minderjarige stiefdochter toen zij tussen de 10 en 12 jaar oud was gedurende een periode van ruim een jaar veelvuldig en vergaand seksueel misbruikt. Daarbij was sprake van seksueel binnendringen bij het slachtoffer. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, en het betalen van een schadevergoeding aan het slachtoffer tot een bedrag van € 19.286,30.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/226279-25 (P)

Uitspraakdatum: 13 oktober 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 september 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W.M. van der Most en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. G.J. van Oosten, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 30 april 2009 tot en met 29 april 2011 te Alkmaar, in elk geval in Nederland met [benadeelde] (destijds [naam]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], hebbende verdachte één of meermalen:

- die [benadeelde] gebeft en/of

- die [benadeelde] gevingerd en/of

- zijn penis in de mond en/of vagina van die [benadeelde] gebracht;

2

hij in of omstreeks de periode van 30 april 2011 tot en met 1 januari 2012 te Alkmaar, in elk geval in Nederland met [benadeelde] (destijds [naam]), geboren op [geboortedatum 2], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], te weten het één of meermalen

- beffen van die [benadeelde] en/of

- vingeren van die [benadeelde] en/of

- brengen van zijn penis in de mond en/of vagina van die [benadeelde];

3

hij in of omstreeks de periode van 30 april 2009 tot en met 1 januari 2012 te Alkmaar, in elk geval in Nederland ontucht heeft gepleegd met het aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige stiefkind [benadeelde] (destijds [naam]), geboren op [geboortedatum 2], immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode één of meermalen

- zich laten aftrekken door die [benadeelde] en/of

- die [benadeelde] zijn ballen laten strelen en/of

- die [benadeelde] zijn penis laten aanraken en/of strelen en/of likken en/of

- die [benadeelde] zijn tepels af laten likken en/of laten strelen en/of

- de vagina en/of borsten van die [benadeelde] aangeraakt en/of gestreeld en/of

- de tepels van die [benadeelde] gestreeld.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd om van de zaak kennis te nemen, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende (steun)bewijs is. De raadsman heeft voorts bepleit dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde feit, omdat de ten laste gelegde pleegperiode te ruim is. Hiertoe heeft de raadsman, kort gezegd, aangevoerd dat de ontuchtige handelingen gedurende een periode van één tot anderhalf jaar hebben plaatsgevonden, vanaf dat het slachtoffer 10 jaar oud was totdat zij 11 of 11,5 jaar oud was (de rechtbank begrijpt: van 2009 tot begin 2010).

Oordeel van de rechtbank

Bewijs

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Bewijsmotivering

Bewijs in zedenzaken

In zedenzaken zijn doorgaans maar twee personen betrokken: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. In de kern gaat het dan ook vaak om het woord van de aangeefster tegenover dat van de verdachte. Dat geldt ook voor deze zaak: de beschuldiging van de aangeefster staat tegenover de – gedeeltelijke – ontkenning van de verdachte.

Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, mag op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) niet uitsluitend gebaseerd worden op een betrouwbaar geachte verklaring van één getuige (in dit geval de aangeefster). De rechtbank kan daarom alleen tot een bewezenverklaring komen indien de door de aangeefster genoemde feiten en omstandigheden voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Dit betekent echter niet dat voor ieder onderdeel van de tenlastelegging meer bewijs moet zijn dan de verklaring van de aangeefster. Genoemd wetsartikel heeft namelijk betrekking op de tenlastelegging als geheel en niet op elk afzonderlijk onderdeel daarvan. Onderdelen van het ten laste gelegde feit kunnen daarom wel worden bewezen op grond van de enkele verklaring van aangeefster, als die verklaring in zijn geheel op specifieke punten wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs moet afkomstig zijn uit een andere bron dan de aangeefster en moet op een voor de beschuldiging relevante wijze in verband staan met de verklaring van de aangeefster.

Verklaring van de aangeefster

[benadeelde] (destijds: [naam], hierna: [benadeelde]) heeft, na een informatief gesprek met de politie op 26 juni 2025, op 21 juli 2025 aangifte gedaan tegen haar stiefvader, de verdachte. [benadeelde] heeft, kort gezegd, verklaard dat, toen zij een kind was, de verdachte meerdere keren seksuele handelingen met haar heeft verricht, waarbij ook sprake is geweest van seksueel binnendringen. De verdachte heeft de seksuele handelingen bekend (feit 3), maar heeft ontkend dat daarbij sprake is geweest van binnendringen van het lichaam van [benadeelde] (feiten 1 en 2).

De rechtbank zal moeten beoordelen of de verklaring van [benadeelde] betrouwbaar is en zo ja, of haar verklaring in voldoende mate steun vindt in ander bewijs.

Betrouwbaarheid van de verklaring van [benadeelde]

Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een verklaring moet gekeken worden naar de consistentie (geen innerlijke tegenstrijdigheden), mate van detail en authenticiteit (echtheid; oorspronkelijkheid) van de verklaring. Aangezien [benadeelde] heeft verklaard over gebeurtenissen van ongeveer 15 jaar geleden, is bijzondere behoedzaamheid geboden.

De rechtbank acht de aangifte van [benadeelde] betrouwbaar en dus bruikbaar voor het bewijs. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Ten eerste heeft [benadeelde] bij de politie uitgebreid, concreet en consistent verklaard over de seksuele handelingen die de verdachte bij haar heeft verricht en over de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden in de periode dat ze tussen de 10 en 12 jaar oud was. Daarbij heeft [benadeelde] specifieke momenten en details beschreven, zoals dat zij altijd haar speeksel op de penis van de verdachte moest gebruiken wanneer zij hem moest aftrekken omdat het anders niet goed voelde voor de verdachte. [benadeelde] heeft ook op meerdere punten aangegeven zich iets niet goed of precies te kunnen herinneren. Hieruit blijkt dat ze haar verhaal niet heeft willen aandikken. Ten slotte heeft de verdachte de verklaring van [benadeelde] op belangrijke onderdelen en details bevestigd, wat eveneens bijdraagt aan de betrouwbaarheid ervan.

Ook over het seksueel binnendringen is de aangifte consistent, gedetailleerd en authentiek. [benadeelde] heeft verklaard dat de verdachte haar één keer, in bed oraal heeft bevredigd door haar vagina te likken, terwijl zij met haar knieën omhoog lag, en dat hij meermalen, tijdens het kijken van porno en onder de douche, met zijn vinger(s) over haar clitoris heeft bewogen en in haar vagina is gegaan. Verder heeft [benadeelde] verklaard dat de verdachte één keer een deel van zijn eikel in haar vagina heeft geduwd, terwijl zij bij hem op schoot zat, dat zij daar ontzettend van schrok, dat de verdachte dit heeft gemerkt en dat het misbruik daarna is gestopt.

Steunbewijs

De verklaring van [benadeelde] staat niet op zichzelf staat, maar wordt op specifieke onderdelen bevestigd door de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft namelijk bekend dat hij thuis, in bed en onder de douche, seksuele handelingen bij [benadeelde] heeft verricht. Hij heeft verklaard dat het seksueel misbruik gedurende een periode van maanden met enige regelmaat plaatsvond en steeds een stap verder ging. Zo heeft de verdachte verklaard dat zij samen douchten en [benadeelde] hem dan aftrok en hij haar met zijn handen over haar hele lichaam, dus ook haar schaamlippen, aanraakte en dat hij een keer in bed een lik en een zoen op de schaamlippen van [benadeelde] heeft gegeven. Hij heeft ook verklaard dat hij soms naakt of met alleen een shirt aan naar porno keek, terwijl [benadeelde] bij hem op schoot zat, en dat hij dan een stijve penis had.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de verklaring van de verdachte voldoende steunbewijs op voor de verklaring van [benadeelde], ook voor zover die inhoudt dat de verdachte handelingen heeft verricht die neerkomen op seksueel binnendringen bij [benadeelde].

Partiële vrijspraak feit 1 en feit 2 - 3e gedachtestreepje

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden bewezen dat de verdachte zijn penis in de mond van [benadeelde] heeft gebracht. [benadeelde] heeft verklaard dat zij een lik over de penis van de verdachte heeft gegeven. De verdachte heeft dit bevestigd. Dit kan niet gelijk gesteld worden aan het in de mond brengen van de penis en daarom zal de rechtbank de verdachte hiervan vrijspreken.

De rechtbank zal de verdachte ook vrijspreken van het onder feit 1, derde gedachtestreepje ten laste gelegde brengen van de penis in de vagina. [benadeelde] heeft verklaard dat het misbruik nog plaatsvond nadat zij in de zomervakantie na groep 8 voor het eerst ongesteld was geworden en dat het is gestopt na de penetratie met de penis in de vagina. De rechtbank leidt hieruit af dat de penetratie in of na de zomervakantie van 2011 heeft plaatsgevonden. [benadeelde] was toen 12 jaar oud, zodat deze handeling buiten de pleegperiode van feit 1 (en in de pleegperiode van feit 2) valt.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

1hij in de periode van 30 april 2009 tot en met 29 april 2011 te Alkmaar met [benadeelde] (destijds [naam]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, diemede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], hebbende verdachte meermalen- die [benadeelde] gebeft en- die [benadeelde] gevingerd;

2hij in de periode van 30 april 2011 tot en met 1 januari 2012 te Alkmaar, met [benadeelde] (destijds [naam]), geboren op [geboortedatum 2], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde], te weten het één of meermalen- beffen van die [benadeelde] en- vingeren van die [benadeelde] en- brengen van zijn penis in de vagina van die [benadeelde];

3hij in de periode van 30 april 2009 tot en met 1 januari 2012 te Alkmaar, ontucht heeft gepleegd met het aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige stiefkind [benadeelde] (destijds [naam]), geboren op [geboortedatum 2], immers heeft hij, verdachte, in voornoemde periode één of meermalen- zich laten aftrekken door die [benadeelde] en- die [benadeelde] zijn ballen laten strelen en- die [benadeelde] zijn penis laten aanraken en strelen en likken en- die [benadeelde] zijn tepels laten likken en laten strelen en- de vagina en borsten van die [benadeelde] aangeraakt en gestreeld en- de tepels van die [benadeelde] gestreeld.

Wat aan de verdachte onder meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

feit 2

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

feit 3

ontucht plegen met zijn stiefkind, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de aangeefster.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in het kader van de straftoemeting verzocht rekening te houden met de ouderdom van de feiten en de stabiele persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De raadsman heeft verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van de voorlopige hechtenis niet overstijgt, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zijn minderjarige stiefdochter toen zij tussen de 10 en 12 jaar oud was gedurende een periode van ruim een jaar veelvuldig en vergaand seksueel misbruikt. De seksuele handelingen werden stapsgewijs opgebouwd: wat aanvankelijk werd gebracht als seksuele voorlichting, resulteerde na verloop van tijd in penetratie. Door zo te handelen heeft de verdachte op ernstige wijze de lichamelijke en geestelijke integriteit van [benadeelde] geschonden. Daarmee heeft de verdachte ook de seksuele en lichamelijke ontwikkeling van [benadeelde], iets waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. Bovendien heeft hij het vertrouwen dat zij in hem had gesteld op grove wijze beschaamd. Het misbruik vond thuis plaats, terwijl [benadeelde] zich als kind juist daar zonder enig voorbehoud veilig en geborgen hadden moeten kunnen voelen. De verdachte heeft zijn eigen seksuele gevoelens laten prevaleren boven het welzijn van [benadeelde].

Het is algemeen bekend dat slachtoffers van seksueel misbruik daarvan vaak langdurig psychische klachten kunnen ondervinden. In deze zaak is dat ook zo, blijkt uit de slachtofferverklaring van [benadeelde] en de toelichting op het verzoek om schadevergoeding. Zij heeft behandeling nodig gehad om wat aan haar is aangedaan te kunnen verwerken en zij kampt nog steeds met verdriet, boosheid, schaamte en zelfs schuldgevoel. Tot op heden heeft zij moeite mensen te vertrouwen. De rechtbank rekent de verdachte al het voorgaande zwaar aan.

De verdachte heeft op de zitting spijt betuigd en een zeker mate van schuldbewustheid getoond. Hij lijkt het kwalijke en schadelijke van zijn handelen in te zien en is bereid de consequenties van zijn handelen te aanvaarden.

Persoon van de verdachte

Uit het strafblad van de verdachte van 22 april 2026 blijkt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld, zodat dit niet in zijn nadeel meeweegt.

Uit het psychologische rapport van 19 maart 2026, opgemaakt door [psycholoog], GZ-psycholoog, komt naar voren dat er sprake is geweest van een doorwerking van narcistische persoonlijkheidstrekken in de vorm van een beperkt zelfinzicht en gerichtheid op behoeftebevrediging, maar niet van een inperking van de keuzevrijheid. Het seksueel misbruik bood hem ontspanning en pijnverlichting. De psycholoog adviseert bij een bewezenverklaring de feiten geheel toe te rekenen aan de verdachte. Met die conclusie kan de rechtbank zich verenigen.

Reclassering Nederland ziet, blijkens het rapport van 17 augustus 2026, enkel een aanwijzing voor seksuele preoccupatie, die zich het best laat omschrijven als een hoge seksuele drive, op jonge leeftijd begonnen. Er zijn geen aanwijzingen voor een parafiele stoornis of seksuele deviatie. Er lijkt geen sprake meer te zijn van seks als coping. De verdachte toont zich verder stabiel op de meeste leefgebieden. De reclassering schat het risico op recidive als laag in, vindt reclasseringstoezicht niet nodig en adviseert een straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met het slachtoffer.

De op te leggen straf

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezenverklaarde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigt. Voor het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank houdt in het voordeel van de verdachte rekening met de ouderdom van de feiten (ruim 16 tot 14 jaar geleden).

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Deze straf valt lager uit dan de eis van de officier van justitie. De rechtbank is van oordeel dat deze straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en tegelijkertijd recht doet aan de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank ziet geen noodzaak voor het opleggen van een contactverbod met het slachtoffer. Het contact is al jaren verbroken en er bestaan geen aanwijzingen dat de verdachte opnieuw contact met haar zal zoeken.

Tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. Voorlopige hechtenis

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over de voorlopige hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit, indien de rechtbank een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt dan verzocht, de schorsing van de voorlopige hechtenis door te laten lopen zodat een eventueel hoger beroep in vrijheid kan worden afgewacht.

Oordeel van de rechtbank

Uit de in dit vonnis opgenomen bewezenverklaring en de veroordeling tot een gevangenisstraf van aanzienlijke duur blijkt dat de ernstige bezwaren en, kort gezegd, de geschokte rechtsorde die aan de voorlopige hechtenis ten grondslag zijn gelegd nog steeds aanwezig zijn.

De voorlopige hechtenis van de verdachte is bij beslissing van de rechtbank van 20 april 2026 met ingang van 22 april 2026 geschorst tot aan het moment van de einduitspraak in eerste aanleg. Daarbij oordeelde de rechtbank dat de doelen, die met de voorlopige hechtenis worden nagestreefd, ook konden worden bereikt door het stellen van schorsingsvoorwaarden en heeft zij de persoonlijke belangen van de verdachte bij invrijheidstelling betrokken.

De rechtbank is ook nu van oordeel dat de persoonlijke belangen van de verdachte, bij het in vrijheid afwachten van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zolang het vonnis niet onherroepelijk is geworden, zwaarder wegen dan het strafvorderlijk belang. De rechtbank zal daarom de voorlopige hechtenis van de verdachte (opnieuw) schorsen, onder algemene voorwaarden.

8. Vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde] heeft – door tussenkomst van haar gemachtigde raadsvrouw mr. L. Jense – een vordering tot schadevergoeding van € 19.286,30 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde schade bestaat uit de volgende posten:

a. behandelingen psycholoog € 385,00;

b. behandelingen kinesioloog € 324,00;

c. naamswijziging € 835,00;

d. nieuw paspoort en rijbewijs € 142,30;

e. immateriële schade € 17.600,00.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich met betrekking tot de vordering tot vergoeding van de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot het immateriële schade heeft hij verzocht de hoogte van de schadevergoeding te matigen. Verder heeft de raadsman aandacht gevraagd voor de aanvangsdatum van de wettelijke rente.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank zal de vergoeding voor de geleden materiële schade in zijn geheel toewijzen. De rechtbank is op grond van de vordering en de toelichting op de zitting van oordeel dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten. De schade is voldoende onderbouwd.

Toegewezen bedrag materiële schade

De vordering zal wat betreft de materiële schade dus worden toegewezen tot een bedrag van € 1.686.30, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De rechtbank bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op de (laatste) dag dat de kosten zijn gemaakt. Voor de behandelingen bij de psycholoog van € 385,00 is dat 9 april 2025. Voor de behandelingen bij de kinesioloog van € 324,00 is dat 14 augustus 2025. Voor de naamswijziging van € 835,00 is dit 6 februari 2026. Voor de aanvraag van een nieuw paspoort en rijbewijs van € 142,30 is dit 22 juni 2026.

Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd, aangezien de onderbouwing vermeldt dat sprake is van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) als gevolg van het seksueel misbruik.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval sprake van is, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade. Uit de stukken die de benadeelde partij ter onderbouwing heeft bijgevoegd, blijkt immers dat [benadeelde] in 2020 en 2024 door een psycholoog is gediagnosticeerd met PTSS en daarvoor meerdere behandelingen heeft ondergaan. Het bestaan van geestelijk letsel en het causaal verband met het bewezenverklaarde is daardoor voldoende aannemelijk geworden.

Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal. Paragraaf 14.2, categorie c, van de Rotterdamse schaal (bandbreedte € 5.500,00 tot € 16.000,00) past bij de onderhavige zaak. Immers, het slachtoffer heeft door het misbruik PTSS ontwikkeld, zij is daarvan grotendeels hersteld en de resterende klachten leiden niet tot ernstige beperkingen. De rechtbank neemt een vergoeding van € 16.000,00 als uitgangspunt en volgt de aanbeveling dat bij het hanteren van de Rotterdamse schaal het smartengeld met 10% tot 25% kan worden verhoogd in geval van ernstige verwijtbaarheid. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak sprake is van ernstige verwijtbaarheid en zij zal daarom het bedrag van € 16.000,00 met 10% verhogen. De rechtbank acht een immateriële schadevergoeding van € 17.600,00 billijk. Zij ziet dus geen aanleiding om het gevorderde bedrag te matigen, zoals door de verdediging verzocht.

Toegewezen bedrag immateriële schade

De vordering tot immateriële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 17.600,00. In beginsel is de wettelijke rente hierover verschuldigd vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden. In dit geval heeft het misbruik in een periode van ruim een jaar plaatsgevonden, op momenten die in tijd niet exact zijn vastgesteld. Dan kan de strafrechter een ingangsdatum voor de wettelijke rente kiezen die binnen de bewezen verklaarde periode valt. De rechtbank zal de wettelijke rente daarom toewijzen met ingang van 1 januari 2012, zijnde de laatste dag van de bewezen verklaarde periode, tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskosten

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet verder reden om in het belang van de benadeelde partij, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Dit betekent, kort gezegd, dat de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte het totaalbedrag van € 19.286,30 aan de Staat moet betalen.

Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming) worden toegepast voor de duur van 121 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.

De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 57, 244, 245, 249 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte, welk bevel apart is

opgemaakt.

Wijst toe vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade toe tot een bedrag van € 19.286,30, bestaande uit € 1.686.30, als vergoeding voor de materiële schade, en € 17.600,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag.

Bepaalt dat:

- het bedrag van € 385,00 materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2025;

- het bedrag van € 324,00 materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf dat 14 augustus 2025;

- het bedrag van € 835,00 materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2026;

- het bedrag van € 142,30 materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 juni 2026 en

- het bedrag van € 17.600,00,- immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2012;

allen tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat

€ 19.286,30 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hiervoor genoemde data tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 121 dagen gijzeling.

Bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. N. Ćulafić, voorzitter,

mr. C.H. de Jonge van Ellemeet en mr. H. Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. O. Muller,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 oktober 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.H. de Jonge van Ellemeet
  • mr. H. Bakker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand