RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/001297-25, 13/164364-19 (TUL) en 96/114159-22 (TUL) (P)
Uitspraakdatum: 6 oktober 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 september 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. R.H.I. van Dongen en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.P.W. Temminck Tuinstra, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is – samengevat – primair onder feit 1 ten laste gelegd dat het aan zijn schuld te wijten is dat op 28 december 2024 te Lijnden een verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Subsidiair is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg. Onder feit 2 wordt de verdachte verweten dat hij op 28 december 2024 te Lijnden een auto heeft bestuurd met te veel alcohol op.
De volledige tekst van de tenlastelegging luidt:
Feit 1
Primair
hij op of omstreeks 28 december 2024 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer, in elk
geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto met kenteken [kenteken 1]), daarmede rijdende over de weg(en), de Amsterdamse Baan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, gedurende de rit (tevens voorafgaand aan het ongeval),
- meermalen , met een niet toegestane en/of (onverantwoord) hoge snelheid te (blijven) rijden en/of
-(vervolgens) met onverminderd hoge snelheid af te rijden op het kruispunt met de N232 Schipholweg en/of
-daarbij een voor hem bestemd, al enige tijd rood licht uitstralend verkeerslicht te negeren en/of geen voorrang te verlenen en/of
- zo in botsing of aanrijding te komen met een, op de kruising optrekkende personenauto (een BMW met kenteken [kenteken 2]) die op dat moment groen licht had,
waardoor een ander, een van de inzittende van de personenauto met kenteken [kenteken 1], (genaamd [benadeelde]), zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong en/of meerdere breuken in haar nek en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
Subsidiair
hij op of omstreeks 28 december 2024 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer als bestuurder van een voertuig (personenauto met kenteken [kenteken 1]), daarmee rijdende op de weg(en) , de Amsterdamse Baan, gedurende de rit (tevens voorafgaand aan het ongeval), meermalen , met een niet toegestane en/of (onverantwoord) hoge snelheid te (blijven) rijden en/of (vervolgens) met onverminderd hoge snelheid af te rijden op het kruispunt met de N232 Schipholweg dat geregeld is door middel van verkeerslichten en/of daarbij een voor hem bestemd, al enige tijd rood licht uitstralend verkeerslicht te negeren en zo in botsing of aanrijding te komende met een, op de kruising bij groen licht optrekkende personenauto (een BMW met kenteken [kenteken 2]), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
Feit 2
hij op of omstreeks 28 december 2024 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto met kenteken [kenteken 1]), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,79 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. De standpunten
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een zeer hoge mate van schuld heeft gehad aan het verkeersongeval.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat bij het onder feit 1 primair ten laste gelegde ten hoogste sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen. Ten aanzien van het overige heeft de raadsvrouw geen bewijsverweer gevoerd.
4. Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot de bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 2 op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. De rechtbank zal hieronder uitleggen hoe zij tot de bewezenverklaring van feit 1 primair is gekomen. Voor feit 2 blijkt dit naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam uit de bewijsmiddelen.
Bewijsoverweging
Het ongeluk
Op 28 december 2024 reed de verdachte als bestuurder van een personenauto over de Amsterdamse Baan in Lijnden. Op het kruispunt kwam de verdachte met zijn auto in botsing met een andere auto die op de kruising reed. Het slachtoffer, [benadeelde], zat op de achterbank bij de verdachte in de auto. Als gevolg van het ongeval heeft zij letsel opgelopen, te weten: een klaplong en twee breuken in de nekwervels.
De omstandigheden waaronder het ongeluk plaatsvond De verdachte reed als bestuurder van een personenauto over de Amsterdamse Baan, komende uit de richting van Lijnden in de richting van Badhoevedorp/Amsterdam. Op de Schipholweg, komende uit de richting van Badhoevedorp en gaande in de richting van de toerit naar de rijksweg A9 reed een andere personenauto, een BMW (hierna: de BMW).
De verdachte reed met een snelheid tussen de 90 km/u en 99 km/u over de Amsterdamse Baan, terwijl de maximale toegestane snelheid 80 km/u betrof. Bij het kruispunt met de Schipholweg heeft de verdachte het rood uitstralende licht genegeerd. De bestuurder van de BMW had op dat moment groen licht en reed het kruispunt op. Op het kruispunt is de verdachte vervolgens met zijn auto in botsing gekomen met de BMW. De verdachte was tijdens het gebeurde onder invloed van alcohol. In zijn bloed werd meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol aangetroffen.
Schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW?
De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of de verdachte schuld heeft, en zo ja, in welke mate, aan het verkeersongeval.
Juridisch kader
Artikel 6 WVW verbiedt een verkeersdeelnemer zich zodanig te gedragen dat het aan zijn schuld is te wijten dat een verkeersongeval plaatsvindt waardoor iemand overlijdt, zwaar lichamelijk letsel oploopt of waardoor tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden wordt veroorzaakt. Er moet minimaal sprake zijn van aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend handelen door de verdachte.
Bij de beoordeling van de mate van schuld komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gedrag van de verdachte dient daarvoor te worden afgemeten aan dat wat van een bestuurder in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. In zijn algemeenheid kan niet worden aangegeven of een enkele verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van genoemd artikel. Verder kan ook niet uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag alleen worden afgeleid dat sprake is van schuld als bedoeld in deze bepaling.
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat de verdachte met een hogere snelheid dan toegestaan een kruispunt is opgereden, daarbij een rood licht heeft genegeerd, geen voorrang heeft verleend aan de BMW die wel groen licht had en vervolgens met die BMW in botsing is gekomen.
Gelet op het geheel van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte schuld heeft gehad aan het verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 WVW. De combinatie van schending van de verkeersregels maakt dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag van de verdachte.
Zwaar lichamelijk letsel
De vraag of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel aan de zijde van het slachtoffer dient te worden beantwoord aan de hand van de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Uit de geneeskundige verklaring van [benadeelde] blijkt dat zij onder meer een klaplong en twee breuken in de nekwervels heeft opgelopen. Voor de breuken in de nek heeft zij een operatie moeten ondergaan. Gezien de aard van dit letsel, de noodzaak van medisch ingrijpen en de duur van revalidatie is de rechtbank van oordeel dat dit letsel als zwaar lichamelijk letsel is aan te merken.
Conclusie
Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een verkeersongeval, waarbij sprake is geweest van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Daarbij heeft een van de inzittenden, [benadeelde], zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, in die zin dat:
Feit 1
hij op 28 december 2024 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een personenauto, daarmede rijdende over de Amsterdamse Baan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, gedurende de rit,
- met een niet toegestane en hoge snelheid te rijden en
- daarbij een voor hem bestemd, al enige tijd rood licht uitstralend verkeerslicht te negeren en geen voorrang te verlenen en
- zo in botsing te komen met een, op de kruising optrekkende personenauto die op dat moment groen licht had,
waardoor een ander, [benadeelde], zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong en meerdere breuken in haar nek, werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede, lid van de Wegenverkeerswet 1994;
Feit 2
hij op 28 december 2024 te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,79 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
5. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van:
feit 1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet;
en
feit 2: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (0,79 milligram).
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
6. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
7. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van vier jaar waarvan twee jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingehouden is geweest. Gelet op de recente veroordelingen waar bijzondere voorwaarden aan de verdachte zijn opgelegd, vordert de officier van justitie geen voorwaardelijk strafdeel met daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht te volstaan met een taakstraf en een voorwaardelijk strafdeel en daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden. Zij heeft verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen voor langere duur dan dat de verdachte het rijbewijs al kwijt is geweest.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval door zich als bestuurder van een auto zeer onvoorzichtig en onoplettend in het verkeer te gedragen. Hij heeft meerdere verkeersregels geschonden en is uiteindelijk in botsing gekomen met een andere auto. [benadeelde], die achter in de auto van de verdachte zat, heeft door dit ongeval zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Zij heeft ongeveer een week in coma gelegen en had een klaplong, meerdere breuken in de nek en een breuk in de schedel. Zij heeft een geruime periode moeten revalideren. De rechtbank realiseert zich dat de verdachte dit verkeersongeval niet heeft gewenst, maar dat neemt niet weg dat het ongeval en de gevolgen hiervan een direct resultaat zijn van zijn handelen. Door zijn zeer onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag heeft de verdachte onaanvaardbare risico’s genomen voor de verkeersveiligheid. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij met zijn gedrag letsel heeft veroorzaakt en andere weggebruikers in gevaar heeft gebracht.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van de verdachte van 27 augustus 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte meerdere keren onherroepelijk is veroordeeld voor het overtreden van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting. Bovendien liep de verdachte in een proeftijd in verband met twee eerdere veroordelingen. Dit heeft hem er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan (ernstige) verkeersovertredingen.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 27 augustus 2026. De reclassering concludeert dat bij de verdachte sprake is van instabiliteit op meerdere leefgebieden. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. In juli 2026 is de verdachte in een andere zaak geschorst met bijzondere voorwaarden. De aanwezige risicofactoren en het feit dat de betrokkene zich sinds juli 2026 aan de bijzondere voorwaarden en afspraken houdt, maakt dat de reclassering een continuering van toezicht adviseert. De reclassering adviseert om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft op de zitting naar voren gebracht dat de politierechter op 15 september 2026 deze bijzondere voorwaarden ook aan de verdachte heeft opgelegd.
De op te leggen straf
Gelet op de vastgestelde mate van schuld, de ernst van de gevolgen van het ongeluk en het strafblad van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft de rechtbank onder andere gelet op de Landelijke Oriëntatiepunten Voor Straftoemeting (LOVS) ten aanzien van overtreding van artikel 6 WVW bij het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel, waarbij sprake is van een zeer hoge mate van schuld en een bloedalcoholgehalte onder de 1,3 promille. Deze oriëntatiepunten gaan uit van een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden en daarbij een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van drie jaar. De rechtbank houdt in het voordeel van de verdachte rekening met artikel 63 Wetboek van Strafrecht, het tijdsverloop voordat de zaak op zitting behandeld is en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De eis van de officier van justitie is gelet op deze omstandigheden redelijk en de rechtbank ziet geen reden hiervan af te wijken. De rechtbank ziet geen reden om de geadviseerde bijzondere voorwaarden aan een voorwaardelijk strafdeel te verbinden, omdat de verdachte al onder toezicht van de reclassering staat in het kader van een schorsing en de geadviseerde bijzondere voorwaarden ook recent zijn opgelegd door de politierechter. Alles afwegende is de rechtbank dan ook van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden is.
Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen voor de duur van vier jaar, waarvan twee jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingehouden is geweest. De rechtbank vindt een deels voorwaardelijke rijontzegging passend, gelet op de meerdere verkeersovertredingen die de verdachte gepleegd heeft. De rechtbank meent dat een ‘flinke stok achter de deur’ nodig is, om de verdachte ervan te weerhouden nieuwe strafbare feiten te plegen.
De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
8. Vorderingen tot tenuitvoerlegging
De vorderingen
Ten aanzien van 13-164364-19
Bij vonnis van 8 maart 2021 heeft de rechtbank te Amsterdam de verdachte ter zake van schuldheling veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van veertig uur, te vervangen door twintig dagen jeugddetentie en een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van één maand. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op drie jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De proeftijd is op 22 maart 2023 door de rechtbank te Amsterdam verlengd met één jaar. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 29 maart 2021 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 23 maart 2021 en geëindigd op 31 mei 2025.
Ten aanzien van 96-114159-22
Bij vonnis van 22 maart 2023 heeft de rechtbank te Amsterdam de verdachte ter zake van overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De standpunten
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straffen alsnog ten uitvoer zullen worden gelegd.
De raadsvrouw heeft verzocht de vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat de vorderingen onvoldoende gespecificeerd zijn. De tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen is nu niet opportuun.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van 13-164364-19
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering moet worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte niet meer in aanmerking komt voor jeugddetentie, zodat de opgelegde jeugddetentie ten uitvoer dient te worden gelegd in de vorm van een gevangenisstraf. Als de verdachte de werkstraf niet goed uitvoert, moet de vervangende jeugddetentie ten uitvoer worden gelegd in de vorm van vervangende hechtenis.
Ten aanzien van 96-114159-22
De rechtbank stelt vast dat de verdachte in deze zaak bij verstek is veroordeeld. Het dossier
geeft geen informatie over de wijze van betekening in deze zaak. Daarnaast bevindt zich in
het dossier geen mededeling voorwaardelijke veroordeling als bedoeld in artikel 366a van
het Wetboek van Strafvordering. Nu niet kan worden vastgesteld of de verdachte op de
hoogte was van het vonnis, zal de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk
verklaren in de vordering tot tenuitvoerlegging van dit vonnis.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden.
Veroordeelt de verdachte ter zake van feiten 1 en 2 tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier (4) jaar met aftrek van de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Beveelt dat een gedeelte van deze bijkomende straf, groot twee (2) jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vorderingen tot tenuitvoerlegging
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/164364-19 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde werkstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van veertig (40) uur, en van de niet ten uitvoer gelegde jeugddetentie voor de duur van één maand, opgelegd bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam op 22 maart 2023. De rechtbank bepaalt dat de vervangende jeugddetentie, bij het niet goed uitvoeren van de opgelegde werkstraf, ten uitvoer dient te worden gelegd in de vorm van vervangende hechtenis. Daarnaast bepaalt de rechtbank dat de opgelegde jeugddetentie ten uitvoer dient te worden gelegd in de vorm van een gevangenisstraf.
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 96/114159-22.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N. Rogmans, voorzitter,
mr. S. Mac Donald en mr. R.V. Loeve, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.T. Golstein,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 oktober 2026.