ECLI:NL:RBNHO:2026:14033

ECLI:NL:RBNHO:2026:14033

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 08-10-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer 15.285166.26 en 15.285171.26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Beslissing RC

Samenvatting

De RC wijst de vordering tot ontruiming ex artikel 551a Sv toe. Overwegingen mbt de verhouding tussen het kort geding en de procedure van artikel 551a Sv, de noodzaak van een spoedeisend belang van de rechthebbenden en de belangenafweging.

Uitspraak

Procedure

De officier van justitie heeft op 6 oktober 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechter-commissaris de bovengenoemde machtiging verleent.

De vordering heeft betrekking op het pand met erf en bijgebouwen gelegen aan de [adres] , alsmede alle voorwerpen die ter plaatse worden aangetroffen.

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van de vordering een proces-verbaal overgelegd van Politie eenheid Noord-Holland met kenmerk 2026232891 van 27 september 2026.

De bewoners zijn in de gelegenheid gesteld om op 7 oktober 2026 door de rechter-commissaris te worden gehoord op de vordering.

Ter zitting is één persoon verschenen, die anoniem wenste te blijven, bijgestaan door mr. I.I. Herremans. Ook de officier van justitie is ter zitting verschenen.

Beoordeling

Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat de in de vordering genoemde personen worden verdacht van een misdrijf als omschreven in artikel 138 en/of artikel 138a en/of artikel 139 Wetboek van Strafrecht.

Naar het oordeel van de rechter-commissaris kan op basis van het dossier in voldoende mate

worden vastgesteld dat de bewoners wederrechtelijk in het pand verblijven. Er is namens de

rechthebbenden, [aangever 1] en [aangever 2] , aangifte gedaan van huisvredebreuk, er is zonder toestemming van de rechthebbenden toegang tot het pand verkregen en uit de bevindingen van de politie blijkt dat de bewoners niet van zin zijn het pand vrijwillig te verlaten. Onbetwist is dat de bewoners ingevolge artikel 8 EVRM inmiddels een huisrecht toe komt en dat ontruiming een ernstige inbreuk maakt op dit recht.

De bewoners hebben via hun raadsvrouw primair aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen omdat een voldoende spoedeisend belang voor ontruiming aan de kant van de rechthebbenden ontbreekt. De raadsvrouw heeft daarbij betoogd dat de juridische standaard ten aanzien van de noodzaak tot ontruiming door de invoering per 1 juli 2022 van artikel 551a Sv niet is gewijzigd. Onder verwijzing naar eerdere, lagere jurisprudentie, heeft de raadsvrouw gesteld dat de toets van een spoedeisend belang bij ontruiming onverminderd geldt en dat het huisrecht van de bewoners dient te prevaleren, nu dat spoedeisend belang ontbreekt.

De rechter-commissaris overweegt daaromtrent dat de enige voor 1 juli 2022 geldende procedure om tot ontruiming van een gekraakte woning te komen – het aanspannen door de rechthebbende van een kort geding tegen de krakers – een andersoortige procedure betreft dan de sinds 1 juli 2022 ter beschikking van het openbaar ministerie staande procedure van artikel 551a Sv. Voor het verkrijgen van een voorlopige voorziening in kort geding is een spoedeisend belang van de rechthebbende een constitutief vereiste, zowel voor de ontvankelijkheid als voor toewijsbaarheid van de vordering. Dat vereiste wordt in artikel 551a Sv niet gesteld. De strafbaarstelling van kraken en de in artikel 551a Sv opgenomen ontruimingsbevoegdheid heeft, naast bescherming van de rechten van derden, mede als doel de bescherming van de openbare orde en het tegengaan van strafbare feiten. De procedure wordt niet gevoerd tussen de rechthebbenden en de krakers, maar tussen het openbaar ministerie en de krakers. Er is dan ook sprake van een andersoortige procedure, waarbij het (spoedeisend) belang van de rechthebbenden niet het enige te beschermen belang is.

Het in artikel 8 lid 2 EVRM besloten proportionaliteitsvereiste brengt mee dat de rechter-commissaris moet toetsen of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde, het beëindigen van strafbare feiten en de rechten van derden, boven het huisrecht van de kraker, in de concrete omstandigheden van het geval, proportioneel is. Dit vraagt om een afweging van de betrokken concrete belangen, waarbij het (spoedeisend) belang van de rechthebbende wordt meegewogen, maar niet doorslaggevend is. Deze belangenafweging kan voorts alleen worden gemaakt als de bewoners uitzonderlijke omstandigheden aannemelijk maken, die meebrengen dat hun huisrecht in dit geval voorrang moet krijgen boven het concrete belang van ontruiming.

De bewoners hebben echter geen enkel belang bij voortzetting van de bewoning gesteld, anders dan dat zij een huisrecht hebben en dat toewijzing van de vordering zal leiden tot ontruiming.

Daar staat tegenover dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de rechthebbenden het pand in september 2025 hebben aangekocht met het doel om de woning zelf te gaan bewonen. Omdat het pand oud is, wilden zij het aanvankelijk laten renoveren, maar kozen uiteindelijk voor de (goedkopere) optie om het pand te laten slopen en herbouwen. Uit de overgelegde hypotheekakte volgt dat de rechthebbenden sinds de aankoop dubbele lasten betalen. In afwachting van de bouwvergunning van de gemeente hebben de rechthebbenden het pand met ingang van 1 december 2025 voor de duur van één jaar verhuurd. Op 11 maart 2026 is er een incident geweest waarbij de huurder de woning heeft overgoten met benzine. De rechthebbenden hebben daarvan aangifte gedaan bij de politie. In verband met dit incident hebben de rechthebbenden de huurovereenkomst met onmiddellijke ingang ontbonden. In afwachting van schoonmaak en verlening van de bouwvergunning heeft het pand daarna leeggestaan. De bouwvergunning is nog altijd niet verleend. Uit het dossier blijkt dat de rechthebbenden daarover voortdurend in overleg zijn met de gemeente. Bij overeenkomst gedateerd 19 september 2026 hebben de rechthebbenden de woning opnieuw verhuurd met ingang van 25 september 2026. Deze huurder zou helpen met het verwijderen van het met benzine besprenkelde tapijt en de ondervloer. In de tussentijd is de woning gekraakt. Op 21 september 2026 heeft de brandweer het pand gecontroleerd en vastgesteld dat er geen sprake (meer) was van een brandgevaarlijke situatie. De rechthebbenden hebben op 25 september jl. een gesprek gehad met de gemeente, waaruit zou zijn gebleken dat de bouwplannen ter beoordeling zullen worden voorgelegd in de vergadering van 7 oktober.

Uit het vorenstaande blijkt dat de rechthebbenden concrete plannen hebben met het pand en dat van ontruiming voor langdurige leegstand geen sprake is. Hoewel de bouwvergunning nog niet rond is, is er een huurder gevonden die tegen betaling de woning wil bewonen totdat sloop en herbouw zullen aanvangen. Deze omstandigheid leidt ertoe dat de lasten van de rechthebbenden worden verlicht, hetgeen een te respecteren (spoedeisend) belang is.

Uit de overgelegde stukken blijkt daarnaast dat er een reële dreiging is voor de openbare orde, nu buurtbewoners in de buurtapp hebben opgeroepen tot het plegen van eigenrichting tegen de bewoners en er ook indicaties zijn dat de bewoners zich gewelddadig hebben gedragen jegens de rechthebbenden op het pand.

Nu de bewoners hiertegenover géén uitzonderlijke omstandigheden hebben gesteld die maken dat hun gratis huisrecht in dit concrete geval voorrang moet krijgen boven het belang van ontruiming, zal de vordering worden toegewezen.

De raadsvrouw heeft subsidiair verzocht een redelijke termijn te stellen voor de ontruiming. Desgevraagd heeft de anonieme bewoner verklaart dat een termijn van vijf dagen daarvoor afdoende is. Nu de officier van justitie zich hiertegen niet heeft verzet, zal de rechter-commissaris de bewoners deze termijn gunnen om hun eigendommen uit het pand te verwijderen.

Beslissing

De rechter-commissaris:

- wijst de vordering toe;

- machtigt de officier van justitie overeenkomstig de vordering om opsporingsambtenaren te bevelen alle personen die na dinsdag 13 oktober 2026 wederrechtelijk vertoeven in/op het pand/gebouw/erf gelegen aan de [adres] , alsmede alle voorwerpen die ter plaatse worden aangetroffen, te verwijderen of te doen verwijderen.

Deze beslissing is op 8 oktober 2026 genomen door mr. H.E. van Harten, rechter-commissaris.

Tegen deze beslissing kan door de bewoners binnen 14 dagen na heden hoger beroep worden ingesteld bij de rechtbank.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.E. van Harten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand