ECLI:NL:RBNHO:2026:14080

ECLI:NL:RBNHO:2026:14080

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 15-10-2026
Datum publicatie 15-10-2026
Zaaknummer 15/111639-25, 15/053593-26, 15/095805-25,15/183219-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

MK Jeugdstraf. De rechtbank veroordeelt de jeugdige verdachte voor diefstal met geweld, schuldwitwassen, vernieling en het voorhanden hebben van een Vuurwerk Brandstof Combinatie (hierna te noemen: VBC) tot 180 uur werkstraf, waarvan 80 uur voorwaardelijk, onder de algemene en een reeks bijzondere voorwaarden. Met name de aanwezigheid van de VBC in de woning van de verdachte heeft veel impact gehad. Deze is (door een ander) aangestoken, waardoor een explosie en brand in het appartementencomplex is ontstaan.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd

Locatie Haarlem

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 15/111639-25, 15/053593-26 (ttz. gev.), 15/095805-25 (ttz. gev.) en 15/183219-25 (ttz. gev.)

Uitspraakdatum: 15 oktober 2026

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting met gesloten deuren van 1 oktober 2026 in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] .

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de hierboven genoemde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

1. Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is onder parketnummer 15/111639-25 (hierna ook te noemen: zaak 1) ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 10 april 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, tezamen en in vereniging met een of meer andere(n), een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een Vuurwerk Brandstof Combinatie, bestaande uit een jerrycan met benzine, althans een brandbare en/of snel ontvlambare (vloei)stof, met daaraan bevestigd een of meerdere cobra's, althans zwaar vuurwerk zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad.

Aan de verdachte is onder parketnummer 15/053593-26 (hierna ook te noemen: zaak 2) ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 februari 2026 te Haarlem kledingstukken, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [winkel] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [de benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij]- te duwen en/of- een slaande beweging naar die [de benadeelde partij] te maken.

Aan de verdachte is onder parketnummer 15/095805-25 (hierna ook te noemen: zaak 3) ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 28 maart 2025, te Alkmaar (van) een bromfiets, althans een of meer voorwerpenSub a- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)

Sub b- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of- gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Aan de verdachte is onder parketnummer 15/183219-25 (hierna ook te noemen: zaak 4) ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 juni 2025 te Alkmaar opzettelijk en wederrechtelijk een tv en/of spiegel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [jeugdhulpinstantie] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

2. Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, de rechtbank is bevoegd om van de zaken kennis te nemen, de

officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft in de zaken 1, 2 en 4 geen verweer gevoerd en zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van zaak 3 heeft de advocaat gesteld dat de verdachte slechts een vriend wilde helpen door de scooter bij hem onder te brengen, in ruil waarvoor de verdachte op de scooter mocht rijden. De verdachte was zich weliswaar bewust van de aankoopprijs van € 50,-, maar verkeerde in de veronderstelling dat het in orde was en € 50,- een normaal aankoopbedrag is. De verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van het hem in zaak 3 ten laste gelegde feit.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Bewijsoverweging in zaak 3

De verdachte heeft op 28 maart 2025 in Alkmaar een scooter voorhanden gehad. Hierover heeft de verdachte bij de politie en op de zitting verklaard dat hij deze had gekregen van een vriend om tijdelijk bij hem in de fietsenstalling te stallen en dat hij van deze vriend op de scooter mocht rijden. De verdachte heeft ook verklaard dat hij wist dat deze vriend de scooter voor € 50,- had gekocht. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan dat alleen al de lage aankoopprijs van de scooter de verdachte had moeten doen twijfelen over de herkomst van de scooter, vooral ook omdat de scooter in goede staat verkeerde. Daarbij komt dat de verdachte niet in het bezit was van het kentekenbewijs van de scooter, en ook niet wist in wiens bezit het kentekenbewijs wel was. Dit alles draagt bij aan het oordeel van de rechtbank dat de verdachte onderzoek had moeten doen naar de herkomst van de scooter en daarover vragen had moeten stellen aan zijn vriend. Hij had bij enig nadenken over de bij hem bekende gegevens over de scooter, kunnen vermoeden dat de scooter van diefstal afkomstig was. Hij heeft hij zich daarom schuldig gemaakt aan schuldwitwassen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat:

Zaak 1:

hij op 10 april 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie II, onder 7, van de Wet wapens en munitie, te weten een Vuurwerk Brandstof Combinatie, bestaande uit een jerrycan met benzine, met daaraan bevestigd meerdere cobra's, voorhanden heeft gehad.

Zaak 2:

hij op 21 februari 2026 te Haarlem, kledingstukken die aan [winkel] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen [de benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [de benadeelde partij]- te duwen en - een slaande beweging naar die [de benadeelde partij] te maken.

Zaak 3:

hij op 28 maart 2025 te Alkmaar een bromfiets voorhanden heeft gehad, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Zaak 4:

hij op 16 juni 2025 te Alkmaar opzettelijk en wederrechtelijk een tv en een spiegel, die aan [jeugdhulpinstantie] toebehoorden, heeft vernield.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Zaak 1: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Zaak 2: diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

Zaak 3: schuldwitwassen;

Zaak 4: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6. Motivering van de straf

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot één maand voorwaardelijke jeugddetentie, met aftrek van het voorarrest van vier dagen en met een proeftijd van twee jaar, onder de algemene voorwaarde en de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de Raad in het voorlichtingsrapport en op de zitting aangevuld. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 100 uur.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank gevraagd, rekening houdend met het verleden van de verdachte en de wijze waarop hij zijn leven een positieve draai probeert te geven, te volstaan met een geheel voorwaardelijke werkstraf, onder de algemene en de bijzondere voorwaarden zoals op de zitting besproken. Bij wijze van subsidiair standpunt heeft de verdediging de rechtbank gevraagd aan de verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen. In beide gevallen vindt de verdediging een voorwaardelijke jeugddetentie niet op zijn plaats.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals uit het onderzoek op de zitting is gebleken. 6.3.1. Aard en ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk voorhanden hebben van een Vuurwerk Brandstof Combinatie (hierna ook te noemen: VBC), diefstal met geweld, schuldwitwassen en vernieling. Met name de aanwezigheid van de VBC in de woning van de verdachte is een ernstig strafbaar feit. Deze is (door een ander) aangestoken waardoor een explosie en brand in het appartementencomplex is ontstaan. Dit heeft veel impact gehad op de bewoners, omwonenden en anderen. Zijn handelen en het feit dat hij in zijn woning naliet in te grijpen heeft bijgedragen aan de wijze waarop de levens van de bewoners van het appartementencomplex ingrijpend zijn veranderd. Naast dit strafbare feit, heeft de verdachte nog een drietal andere strafbare feiten gepleegd, waarbij hij heeft laten zien geen respect te hebben voor de lichamelijk integriteit en het eigendomsrecht van anderen. De rechtbank neemt de verdachte dit kwalijk.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 28 september 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder door de rechtbank is veroordeeld voor een strafbaar feit. De rechtbank weegt het feit dat de verdachte een first offender is in positieve zin mee bij de straftoemeting.

De rechtbank heeft ook gekeken naar het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de Raad van 21 september 2026. De Raad heeft daarin geadviseerd tot oplegging van een deels voorwaardelijke werkstraf en dit advies op de zitting gehandhaafd. De Raad adviseert om aan het voorwaardelijke deel van de werkstraf de algemene voorwaarde en de volgende bijzondere voorwaarden te verbinden: de verdachte moet verblijven in een instelling voor begeleid wonen, beschermd wonen, een maatschappelijke opvang of andere vorm van wonen, de verdachte moet meewerken aan de coaching van [coach] van [Hulpverleningsinstelling] en aan aanvullende hulpverlening en de verdachte moet meewerken aan het organiseren en behouden van een positieve daginvulling. Mede vanwege het gebrek aan de basisbehoeften, zoals een vaste verblijfplaats, is de kans op herhaling nu nog midden/heel hoog. De Raad vindt het daarom belangrijk dat de verdachte, samen met de jeugdreclassering, de basis op orde gaat krijgen. Daarna kan worden gekeken naar een positieve daginvulling, in de vorm van school en/of werk. Het is positief dat de verdachte hiervoor gemotiveerd is en de noodzaak tot verandering inziet.

Verder heeft de rechtbank bij de straftoemeting in het voordeel van de verdachte het volgende meegewogen. De verdachte heeft bij de politie openheid van zaken gegeven en daarmee inzicht gegeven in zijn handelen. Ook op de zitting is de verdachte open en transparant geweest, niet alleen over de strafbare feiten, maar ook over zijn persoonlijke ontwikkelingspunten. Hij heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en laten zien doordrongen te zijn van de laakbaarheid hiervan. De verdachte lijkt intrinsiek gemotiveerd om zijn leven een positieve wending te geven en zich in te zetten voor een stabiele toekomst. De rechtbank heeft daarnaast in het voordeel van de verdachte ook rekening gehouden met de omstandigheid dat de redelijke termijn in zaak 1 met twee maanden en in zaak 3 met drie maanden is overschreden.

Straf

Het handelen van de verdachte maakt dat een voorwaardelijke jeugddetentie, zoals door de officier van justitie is geëist, op zijn plaats zou kunnen zijn. De rechtbank ziet in het advies van de Raad en de hiervoor besproken persoonlijke omstandigheden van de verdachte echter aanleiding om hiervan af te wijken. Een (deels voorwaardelijke) werkstraf doet naar het oordeel van de rechtbank in dit geval voldoende recht aan de aard en de ernst van de gepleegde strafbare feiten, terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de ontwikkeling en de persoon van de verdachte. Het is noodzakelijk dat hij de komende periode de ruimte krijgt om te werken aan het op orde krijgen van zijn basisbehoeften, zoals het hebben van een vaste verblijfplaats.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van het na te noemen aantal uur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte van de op te leggen werkstraf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd van twee jaar verbinden, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit en zich zal houden aan de bijzondere voorwaarden zoals hieronder onder het kopje ‘8. Beslissing’ is opgenomen.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Van toepassing zijn de artikelen 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 312, 350, 420quater van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uur, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 90 (negentig) dagen jeugddetentie, met bevel dat een gedeelte groot 80 (tachtig) uur, bij niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 40 (veertig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaar.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, te weten 4 (vier) dagen, bij de ten uitvoer te leggen werkstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht en in die zin dat voor elke dag die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uur werkstraf, subsidiair één dag jeugddetentie, in mindering wordt gebracht.

Bepaalt dat het onvoorwaardelijke deel van de werkstraf binnen een termijn van 9 (negen) maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis dient te worden voltooid.

Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt de volgende bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:

1. De verdachte zal zich melden bij de jeugdreclassering van [de jeugdreclassering] , regio [regio] , op de door de jeugdreclassering te bepalen plaatsen en tijden, als en zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht om haar regiefunctie uit te voeren.

2. De verdachte zal verblijven in een instelling voor begeleid of beschermd wonen, een maatschappelijke opvang of een andere vorm van wonen, als en zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht.

3. De verdachte zal meewerken aan hulpverlening, zoals coaching van (bij voorkeur [coach] van) [Hulpverleningsinstelling] (of een soortgelijke instelling) en hulpverlening gericht op zijn middelengebruik, als en indien de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht.

4. De verdachte zal meewerken aan het organiseren en behouden van een positieve daginvulling, als en zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan [de jeugdreclassering] , een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Stelt verder als voorwaarden dat de verdachte is gehouden om:

5. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden;

6. medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. F.W. van Dongen, voorzitter,

mr. C.E. Voskens en mr. D.G.M. van den Hoogen, (kinder)rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. I.N. Inge,

en uitgesproken op de openbare zitting van 15 oktober 2026.

Mr. Van den Hoogen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.W. van Dongen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand