RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/273883-20
Uitspraakdatum: 24 september 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 september 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A.M. de Leeuw en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. J.T.H.M. Mühren, advocaat te Purmerend, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 27 oktober 2020 tot en met 29 oktober 2020 te Hoofddorp en/of Amsterdam en/of Utrecht en/of Den Helder en/of Purmerend en/of (elders in) Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een vrouw, genaamd [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2003),
1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 2),
en/of
2) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, dan wel (enige) handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die (seksuele) handelingen (artikel 273f lid 1 sub 5),
terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
en waarbij “enige handeling(en)” (zoals genoemd onder 2) (onder meer) hebben/heeft bestaan uit:
- het regelen van een of meer verblijfplaats(en) voor die [slachtoffer] in Nederland (waaronder hotel Van der Valk gelegen aan snelweg A4)en/of- het maken van een of meer erotisch getinte foto(‘s) van die [slachtoffer] voor een seksadvertentieen/of- het aanmaken van en/of het plaatsen van en/of het onderhouden (waaronder begrepen het “omhoog plaatsen”) van één of meer advertentie(s) op één of meer website(s) waarin die [slachtoffer] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamhedenen/of- het bepalen van een werknaam als prostituee voor die [slachtoffer] (te weten onder meer de naam ‘ [naam 1] ’)en/of- het onderhouden van contacten met en/of het maken van afspraken met (potentiële) (prostitutie)klant(en) voor die [slachtoffer] en/of het maken van afspraken met die (potentiële) klant(en) over de aard van de prostitutiewerkzaamheden en/of de daarvoor te betalen bedragen en/of locatie(s) alwaar die prostitutieafspraak zou(den) (gaan) plaatsvindenen/of- het bepalen welke klanten die [slachtoffer] moest aannemen voor haar prostitutiewerkzaamhedenen/of- het geven van (werk)instructies (als prostituee) aan die [slachtoffer]en/of- het ter beschikking stellen van condooms en/of lingerie (als werkkleding) en/of glijmiddel voor de prostitutiewerkzaamheden van die [slachtoffer]en/of;- het halen en/of brengen en/of begeleiden van die [slachtoffer] van/naar/bij escort/prostitutiewerkzaamheden.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak.
Beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging
Standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging wegens schending van het gelijkheidsbeginsel en/of het verbod van willekeur. Daartoe is gewezen op de sepotbeslissing in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna [medeverdachte 1] ), terwijl [medeverdachte 1] een met de verdachte vergelijkbare (of zelfs grotere) rol heeft gespeeld bij het ten laste gelegde feit. De raadsman heeft hierbij verwezen naar uitspraken van de rechtbank Den Haag van 11 november 2014 (ECLI:RBDHA:2014:16411) en van het gerechtshof Den Haag van 18 maart 2019 (ECLI:GHDHA:2019:597).
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vervolging van de verdachte niet in strijd is met de beginselen van een goede procesorde. Daartoe is aangevoerd dat [medeverdachte 1] een geheel andere rol dan de verdachte heeft vervuld bij het ten laste gelegde feit. Ook heeft [medeverdachte 1] – anders dan de verdachte – verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en aangeboden een schadevergoeding te betalen aan het slachtoffer (en dat inmiddels ook gedaan). Tot slot leidt de officier van justitie uit het dossier af dat [medeverdachte 1] slachtoffer is geweest van mishandeling door de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, voor zover hier van belang het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur.
Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).
De rechtbank is – onder verwijzing naar de onder 3.3.2 opgenomen feitenvaststelling – van oordeel dat de verdachte en [medeverdachte 1] op het moment van het nemen van de vervolgingsbeslissing niet in een vergelijkbare positie verkeerden ten aanzien van de beschuldiging van seksuele uitbuiting van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) of dat de verdachte een kleinere rol hierin had dan [medeverdachte 1] . Gelet hierop is geen sprake van een aperte onevenredigheid in de vervolgingsbeslissing of van een apert ongelijke behandeling bij het nemen van die beslissing. Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden die een dergelijke conclusie rechtvaardigen. De rechtbank verwerpt het verweer.
Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Daartoe is aangevoerd dat ook zonder de verklaringen van [slachtoffer] voldoende bewijs bestaat voor seksuele uitbuiting van een minderjarige. Uit de overige onderzoeksresultaten blijkt dat de verdachte, samen met anderen, [slachtoffer] heeft vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (sub 2). Tevens blijkt uit het overige bewijs dat de verdachte, samen met anderen, [slachtoffer] ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen (sub 5). Nu niet is gebleken dat lingerie, condooms en glijmiddel beschikbaar zijn gesteld voor de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer] , moet de verdachte van dit gedachtestreepje worden vrijgesproken.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de verdachte integraal vrij te spreken, om de volgende redenen.Primair heeft de raadsman aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] ten tijde van het tenlastegelegde minderjarig was.Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de verklaringen van [slachtoffer] moeten worden uitgesloten van het bewijs, omdat de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen en het gebruik van die verklaringen voor het bewijs om die reden onverenigbaar is met het recht op een eerlijk proces ex artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de verklaringen van [slachtoffer] onbruikbaar zijn voor het bewijs, omdat die als volstrekt ongeloofwaardig en onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt. Bij uitsluiting van de verklaringen van [slachtoffer] blijft er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs over voor een bewezenverklaring.
Meest subsidiair is bepleit dat uit het dossier niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en een of meer anderen, zodat het medeplegen niet kan worden bewezen.
Indien de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer] niet uitsluit van het bewijs en mede op grond daarvan tot een bewezenverklaring komt, heeft de verdediging het voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van [slachtoffer] als getuige.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsmotivering
Wettelijk kader
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich, kort gezegd, schuldig heeft gemaakt aan de varianten van mensenhandel zoals omschreven in artikel 273f, eerste lid, aanhef en sub 2 en 5 van het Wetboek van Strafrecht. Deze onderdelen zien specifiek op de bescherming van minderjarigen tegen seksuele uitbuiting. Voor een bewezenverklaring is niet vereist dat komt vast te staan dat sprake is geweest van het gebruik van dwangmiddelen. Van minderjarigen mag niet worden verwacht dat zij hun eigen wil in volle omvang kunnen bepalen en zelfstandig beslissingen kunnen nemen. Een eigen (vrijwillige) keuze tot uitbuiting wordt daarom niet aanvaard. Een eventuele instemming van de minderjarige of de omstandigheid dat het initiatief vanuit de minderjarige kwam, is dus irrelevant. Evenmin is van belang of een verdachte bekend is met de minderjarigheid van het slachtoffer, nu de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel is.
De handelingen omschreven in sub 2 van voornoemd wetsartikel zijn strafbaar indien deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Dit omvat volgens het tweede lid van dat artikel in ieder geval uitbuiting van een ander in de prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting. Door het tewerkstellen van minderjarigen in de prostitutie is in het algemeen sprake van een grote inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van deze minderjarigen. Zodra bewezen kan worden dat de verdachte de ten laste gelegde gedragingen heeft verricht ten opzichte van een minderjarige dan is sprake van uitbuiting. Niet is vereist dat de ander daadwerkelijk is uitgebuit. De bedoeling van de verdachte is bepalend.
Sub 5 van voornoemd wetsartikel ziet op het strafbaar stellen van het brengen van een minderjarige in de prostitutie. Voor een bewezenverklaring is niet vereist dat het slachtoffer daadwerkelijk seksuele diensten heeft verricht. Het is voldoende dat het slachtoffer zich daartoe ‘beschikbaar heeft gesteld’. Het brengen van een minderjarige in de prostitutie is door de wetgever aangemerkt als een aan mensenhandel gerelateerde vorm van uitbuiting. Dit brengt mee dat het begrip ‘uitbuiting’ niet als impliciet bestanddeel in de strafbepaling moet worden ingelezen en afzonderlijk moet worden bewezen, maar dat handelen als neergelegd in sub 5 uitbuiting oplevert en wordt gekwalificeerd als mensenhandel (vgl. Hoge Raad 2 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1823). Een minderjarige ertoe brengen in de prostitutie te werken of handelingen verrichten waarvan minst genomen vermoed moet worden dat de minderjarige zich daardoor beschikbaar stelt als prostituee, is dus voldoende voor een bewezenverklaring. De betekenis van het bestanddeel ‘ertoe brengen’ moet ruim worden opgevat en omvat ook faciliterende handelingen, ook als deze op verzoek van de minderjarige worden verricht.
Minderjarigheid [slachtoffer] ten tijde van het ten laste gelegde feit
De raadsman heeft betoogd dat het dossier geen objectief bewijs bevat op basis waarvan de geboortedatum, en daarmee de leeftijd, van [slachtoffer] kan worden vastgesteld. Hiertoe is aangevoerd dat het dossier geen kopie bevat van haar identiteitsbewijs noch officiële documenten uit haar geboorteland Iran, terwijl algemeen bekend is dat vreemdelingen bij aankomst in Europa regelmatig liegen over hun leeftijd. De raadsman heeft dan ook verzocht nader onderzoek te laten verrichten naar de minderjarigheid van [slachtoffer] en in dat kader de brondocumenten uit Iran op te vragen ter verificatie van haar geboortedatum.
De rechtbank wijst dit verzoek af en overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier volgt dat het politieteam te Gent (België) [slachtoffer] op 3 februari 2021 heeft verhoord. In de uitwerking van het verhoor staat vermeld dat de politie [slachtoffer] heeft bevraagd naar haar identiteit en dat [slachtoffer] is geboren op [geboortedatum] 2003 te [plaats] in Iran. Dit betreft de geboortedatum die consistent is opgenomen in het dossier, waaronder in het proces-verbaal van het verhoor van [slachtoffer] door de Nederlandse rechter-commissaris op 30 maart 2023. De rechter-commissaris heeft de geboortedatum vastgesteld aan de hand van het identiteitsbewijs van [slachtoffer] . Dat daarbij België als geboorteplaats is vermeld, beschouwt de rechtbank als een kennelijke vergissing, die niet afdoet aan de vaststelling van haar geboortedatum. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de geboortedatum genoemd in het dossier. De enkele omstandigheid dat het voorkomt dat vreemdelingen bij aankomst in Europa een onjuiste geboortedatum opgeven, zoals de raadsman stelt, vormt in ieder geval geen reden om in dit geval niet uit te gaan van de geboortedatum van [slachtoffer] zoals die uit het dossier blijkt. Er is immers geen enkele aanwijzing in het dossier dat [slachtoffer] bij aankomst in Europa een onjuiste geboortedatum zou hebben opgegeven. De rechtbank ziet dan ook geen noodzaak om hier nader onderzoek naar te laten verrichten en stelt op basis van het dossier vast dat [slachtoffer] ten tijde van het tenlastegelegde minderjarig was.
Verweer tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [slachtoffer]
De rechtbank zal de verklaringen van [slachtoffer] niet gebruiken voor het bewijs. Het verweer van de verdediging tot bewijsuitsluiting behoeft daarom geen bespreking. Nu daarmee ook niet is voldaan aan de aan het verzoek tot het horen van [slachtoffer] als getuige verbonden voorwaarde, behoeft de rechtbank zich niet uit te laten over dat verzoek.
Vaststelling feiten
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten vast.
Na contact via Snapchat hebben [slachtoffer] (destijds 17 jaar oud) en de medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) op 26 oktober 2020 afgesproken in een hotel in Brasschaat (België). Zij overnachtten daar tot 28 oktober 2020. Op 27 oktober 2020 heeft [medeverdachte 2] een aantal foto’s van [slachtoffer] gemaakt waarop zij (gedeeltelijk) naakt is afgebeeld. Deze foto’s zijn gebruikt voor een seksadvertentie van [slachtoffer] op de website sexjobs.nl en zijn ook aangetroffen op gegevensdragers van de verdachte.
Op 28 oktober 2020 reisden [slachtoffer] en [medeverdachte 2] met de trein van Antwerpen naar Amsterdam, met als doel dat [slachtoffer] – net als [medeverdachte 2] – in Nederland prostitutiewerkzaamheden zou gaan verrichten. De verdachte was hiervan op de hoogte gesteld door [medeverdachte 2] . Tijdens de treinreis heeft [medeverdachte 2] geprobeerd voor [slachtoffer] een account op sekswebsite Kinky.nl aan te maken om een seksadvertentie online te kunnen plaatsen. Toen dat niet lukte, heeft [medeverdachte 2] hierover contact gehad met de verdachte die haar heeft uitgelegd wat zij moest doen om de foto’s online te plaatsen.
Na aankomst in Amsterdam zijn [slachtoffer] en [medeverdachte 2] naar het Van der Valk hotel A4 Schiphol (hierna: het hotel) gegaan. De verdachte had in het hotel een kamer voor hen gereserveerd. [medeverdachte 2] checkte in bij de balie, waarna [slachtoffer] via de achterzijde het hotel betrad. Zij liepen vervolgens samen naar de kamer. Een half uur later was ook de verdachte bij het hotel waar hij door [medeverdachte 2] naar de kamer werd begeleid. In de hotelkamer heeft de verdachte een simkaart aan [slachtoffer] gegeven. Het telefoonnummer behorend bij die simkaart werd vijf minuten na aankomst van de verdachte actief en is gebruikt bij de seksadvertentie van [slachtoffer] op sexjobs.nl. Vervolgens is via dit telefoonnummer contact geweest met potentiële klanten over betaalde seksafspraken. De verdachte is ruim anderhalf uur samen met [slachtoffer] en [medeverdachte 2] in de hotelkamer gebleven.
Ook op 29 oktober 2020 was de verdachte ruim een uur in de hotelkamer samen met [slachtoffer] en [medeverdachte 2] .
[slachtoffer] is op 28 oktober 2020 door [medeverdachte 1] naar een seksafspraak in Den Helder gebracht, en op 29 oktober 2020 is zij door [medeverdachte 1] naar een seksafspraak in Utrecht gebracht. Voor beide seksafspraken zou [slachtoffer] betaald krijgen, maar beide afspraken zijn op het laatste moment niet doorgegaan.
In de inbeslaggenomen telefoons van [slachtoffer] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [naam 3] (hierna: [naam 3] ) zijn chatgesprekken aangetroffen, onder meer met een Telegram account genaamd [naam 2] . De rechtbank stelt vast dat de verdachte de gebruiker was van dit Telegram account. Een deel van de chatgesprekken is als bewijsmiddel opgenomen in de bijlage.
Conclusie van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de voornoemde chatgesprekken dat de verdachte een coördinerende en bepalende rol heeft vervuld ten aanzien van de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer] . De verdachte werd door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [naam 3] geïnformeerd over (de voortgang van) die werkzaamheden en de verdachte gaf hen instructies. Verder blijkt uit de chatgesprekken dat de verdachte bepaalde welke chauffeur [slachtoffer] naar haar seksafspraken zou rijden. Ook heeft de verdachte zich actief beziggehouden met de seksadvertentie van [slachtoffer] . Zo heeft hij aan [medeverdachte 2] uitgelegd hoe de foto’s van [slachtoffer] succesvol op Kinky.nl konden worden geplaatst en heeft hij [naam 3] gevraagd [medeverdachte 2] daarbij te helpen. Ook heeft hij [naam 3] geïnstrueerd dat een bepaalde naaktfoto van [slachtoffer] weggehaald moest worden. Toen [medeverdachte 1] de verdachte informeerde dat de seksafspraak van [slachtoffer] in Utrecht niet was doorgegaan, zei de verdachte hem op te letten met het ‘omhoog bellen’. De rechtbank begrijpt dat hiermee wordt bedoeld dat [medeverdachte 1] ervoor moest zorgen dat de seksadvertentie hoger op de website kwam te staan waardoor die door meer potentiële klanten zou worden gezien. Toen de seksafspraak van [slachtoffer] in Den Helder niet was doorgegaan, zei de verdachte tegen [medeverdachte 2] dat zij [slachtoffer] moest steunen en zeggen dat het goed zou komen, wat [medeverdachte 2] ook heeft gedaan.
Uit het voorgaande volgt dat sprake was van een intensieve en bewuste samenwerking tussen de verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [naam 3] , gericht op de seksuele uitbuiting van [slachtoffer] . In samenhang met de hiervoor vastgestelde feiten leidt dit tot het oordeel dat de verdachte, samen met anderen, [slachtoffer] heeft geworven, vervoerd, overgebracht en gehuisvest met het oogmerk dat zij in de prostitutie zou gaan werken (en dus met het oogmerk van uitbuiting, sub 2) en dat hij handelingen heeft verricht waarvan hij wist dat [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met derden tegen betaling (sub 5). Dit terwijl [slachtoffer] op dat moment de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde mensenhandel heeft begaan.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij in de periode van 27 oktober 2020 tot en met 29 oktober 2020 te Hoofddorp en Amsterdam en Utrecht en Den Helder en België, tezamen en in vereniging met anderen, een vrouw, genaamd [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2003),
1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 2),
en
2) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, dan wel (enige) handelingen heeft ondernomen waarvan hij wist dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die (seksuele) handelingen (artikel 273f lid 1 sub 5),
terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,
en waarbij “enige handelingen” (zoals genoemd onder 2) (onder meer) hebben bestaan uit:- het regelen van een verblijfplaats voor die [slachtoffer] in Nederland (hotel Van der Valk gelegen aan snelweg A4) en - het maken van erotisch getinte foto‘s van die [slachtoffer] voor een seksadvertentie en - het aanmaken van en het plaatsen van en het onderhouden (waaronder begrepen het “omhoog plaatsen”) van één of meer advertenties op één of meer websites waarin die [slachtoffer] werd aangeboden voor prostitutiewerkzaamheden en- het geven van (werk)instructies (als prostituee) aan die [slachtoffer]en
- het halen en brengen en begeleiden van die [slachtoffer] van/naar/bij prostitutiewerkzaamheden.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
mensenhandel, terwijl de in artikel 273f, eerste lid onder 2º en 5º van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd door twee of meer verenigde personen, onder de omstandigheid dat de persoon ten aanzien van wie de feiten worden gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 78 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van één jaar.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel (artikel 9a Wetboek van Strafrecht). Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de redelijke termijn met vier jaar is overschreden. Verder heeft de raadsman – onder verwijzing naar het reclasseringsrapport – erop gewezen dat de verdachte zijn leven volledig op de rit heeft (gezin, fulltime baan, geen schulden) en hij sinds het tenlastegelegde niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. Strafoplegging heeft dan ook geen toegevoegde waarde, aldus de raadsman.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan mensenhandel van het destijds zeventienjarige slachtoffer. De verdachte heeft een coördinerende en bepalende rol vervuld met betrekking tot de prostitutiewerkzaamheden die het slachtoffer moest uitvoeren. Hij heeft de hotelkamer geregeld, en is daar vlak nadat het slachtoffer en [medeverdachte 2] aankwamen, ook langsgegaan. Hij heeft het slachtoffer van een Nederlandse simkaart voorzien, die vlak na zijn aankomst in het hotel in gebruik werd genomen en waarmee werd gecommuniceerd voor de seksafspraken. Daarnaast heeft hij zich actief bemoeid met de inhoud en zichtbaarheid van de advertenties waarop het slachtoffer zich aanbood voor betaalde seksuele diensten. Hij werd door de medeverdachten op de hoogte gehouden over de afspraken van het slachtoffer, gaf hen instructies en bepaalde wie met het slachtoffer naar de afspraken zou rijden.
De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij hiermee een minderjarige ertoe heeft gebracht om seksuele handelingen tegen betaling te gaan verrichten. Minderjarigen worden geacht, ook als er geen sprake is van dwang of misleiding, op seksueel gebied nog niet volgroeid te zijn en niet zelfstandig de gevolgen van dergelijk seksueel contact te kunnen overzien. Mensenhandel in de vorm van prostitutie van minderjarigen wekt terecht veel weerzin op in de samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten doorgaans lange tijd de psychische gevolgen hiervan ondervinden. Daar heeft de verdachte kennelijk niet bij stilgestaan. Dat het handelen van de verdachte ook daadwerkelijk impact heeft gehad op het slachtoffer blijkt uit de namens haar ter terechtzitting toegelichte vordering tot schadevergoeding. Het feit dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van de kwetsbaarheid van het slachtoffer is uiterst kwalijk en dient zijn weerslag te hebben op de hoogte van de straf.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 23 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld. Het strafblad weegt dan ook niet ten nadele van de verdachte mee.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het rapport van de reclassering van
31 augustus 2026. De reclassering schat in dat het recidiverisico laag is en zij adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Overschrijding van de redelijke termijn
In artikel 6, eerste lid, van het EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar.
De verdachte is op 5 november 2020 aangehouden en in verzekering gesteld. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft pas plaatsgevonden op 10 september 2026 en het vonnis is op 24 september 2026 gewezen. De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn niet aan de verdachte valt toe te rekenen en dat ook anderszins niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven tot een andere berekening van de overschrijding van de redelijke termijn. Dat betekent dat de redelijke termijn met bijna vier jaar is overschreden. Deze overschrijding moet worden gecompenseerd in de strafoplegging.
De op te leggen straf
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit in beginsel enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. Bij het bepalen van de hoogte daarvan heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht waarin een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden als uitgangspunt is geformuleerd in geval van een minderjarig slachtoffer. De rechtbank is echter van oordeel dat het feitencomplex in deze zaak en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding geven om ten voordele van de verdachte af te wijken van de oriëntatiepunten. Daarbij houdt de rechtbank rekening met de zeer korte periode waarin het slachtoffer zich als prostituee beschikbaar heeft gesteld en dat zij in die periode geen seksuele handelingen met of voor derden tegen betaling heeft verricht. Ook was geen sprake van dwang of geweld.
Rekening houdend met de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, acht de rechtbank een gevangenisstraf waarbij de verdachte terug moet naar de gevangenis op dit moment niet meer passend. Een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel, zoals door de verdediging is bepleit, is gelet op de ernst van het feit niet aan de orde. De rechtbank is verder van oordeel dat de ernst van het feit onvoldoende tot uitdrukking komt in de straf die de officier van justitie heeft gevorderd.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, waarvan 318 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, passend en geboden. Aan het voorwaardelijk strafdeel wordt een proeftijd verbonden van één jaar, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.
7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Namens de benadeelde partij [slachtoffer] heeft mr. A. Koopsen een vordering tot schadevergoeding van € 3.500,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de gevorderde schade tot een bedrag van € 3.250,-, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, wegens de bepleite integrale vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat – gelet op haar voorgeschiedenis – niet kan worden vastgesteld dat de gestelde schade rechtstreeks voortvloeit uit het ten laste gelegde feit.
Oordeel van de rechtbank
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin de wet recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. Een van die gevallen is wanneer er sprake is van aantasting van de persoon op andere wijze (artikel 6:106 sub b BW). Hiervan is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is.
Uit de toelichting op de vordering blijkt dat er sprake is van psychische schade bij de benadeelde partij. Het is echter ook gebleken dat bij de benadeelde partij reeds sprake was van psychische problematiek vóór het ten laste gelegde feit, waardoor niet zonder meer kan worden vastgesteld in hoeverre het bewezenverklaarde tot het geestelijk letsel heeft geleid. Naar het oordeel van de rechtbank maken de aard en de ernst van de normschending (zoals hiervoor omschreven) echter dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde, de onderbouwing van de vordering, de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend, en rekening houdend met de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 3.500, - als vergoeding voor de immateriële schade billijk.
De vordering zal volledig worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij aan de verdachte – voor wat betreft het toegewezen bedrag – de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen. Bij gebreke van betaling en verhaal bepaalt de rechtbank dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 36f, 47, 273f van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 318 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op één jaar bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 3.500,- (zegge: drieduizend vijfhonderd euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.500,- (zegge: drieduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. N.M.L. Rogmans, voorzitter,
mr. M.S. Neervoort en mr. J.T.P. Pot, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. B. Akinrolabu en mr. L.S. Rietdijk
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 september 2026
Bijlage
De bewijsmiddelen
(…)