RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Vught
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/220166-25 (P)
Uitspraakdatum: 15 oktober 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 1 oktober 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Vught.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie (hierna aangeduid als: de officier van justitie) en van wat de verdachte en zijn raadsman mr. F. Visser, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
De verdachte wordt primair beschuldigd van het medeplegen van een poging tot moord dan wel poging tot doodslag. Subsidiair wordt hem het medeplegen van een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade verweten. Dat is als volgt ten laste gelegd:
primair
hij op of omstreeks 10 juli 2025 te Zaandam, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een ander, te weten [benadeelde], van het leven te beroven, meermalen met een vuurwapen, te weten een pistool (voorzien van een geluiddemper), op en/of in de richting van die [benadeelde] heeft geschoten, waarbij die [benadeelde] een schotwond in zijn linkerbeen, althans in zijn lichaam, heeft opgelopen, en/of (vervolgens) heeft getracht zwavelzuur, althans een bijtende/schadelijke vloeistof over en/of in de richting van die [benadeelde] te gooien, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 10 juli 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [benadeelde], opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met een vuurwapen, te weten een pistool (voorzien van een geluiddemper), op en/of in de richting van die [benadeelde] heeft geschoten, waarbij die [benadeelde] een schotwond in zijn linkerbeen, althans in zijn lichaam, heeft opgelopen, en/of (vervolgens) heeft getracht zwavelzuur, althans een bijtende/schadelijke vloeistof over en/of in de richting van die [benadeelde] te gooien, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de poging tot moord en de poging tot doodslag (het primaire feit). Daartoe heeft hij aangevoerd dat geen sprake is geweest van opzet op de dood van de aangever, ook niet in voorwaardelijke zin. Daarnaast is geen sprake geweest van voorbedachte raad om de aangever te doden. Verder is er onvoldoende bewijs voor het medeplegen van zowel het primair (poging moord/doodslag) als het subsidiair tenlastegelegde (poging zware mishandeling met voorbedachten rade). Ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade is geen verweer gevoerd.
De rechtbank zal de verweren, voor zover relevant, bij de beoordeling van het bewijs bespreken.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van poging tot moord, op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen. De rechtbank licht dat oordeel als volgt toe.
Bewijsoverweging
Inleiding
Op 10 juli 2025 is [benadeelde] (hierna: de aangever) op straat tweemaal beschoten nabij zijn woning in Zaandam. De aangever is bij het eerste schot in zijn linker bovenbeen geraakt. Het tweede schot heeft hem niet geraakt. Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek is de verdachte aangehouden. De verdachte bekent dat hij de schutter is geweest. De verdachte heeft verklaard dat het niet zijn bedoeling was om de aangever te doden, dat hij gericht op de benen van de aangever heeft geschoten en dat hij niet heeft samengewerkt met een ander.
Voorwaardelijk opzet op de dood
Voor een bewezenverklaring van poging tot moord is vereist dat de verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van de aangever. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte de intentie (het volle opzet) heeft gehad om de aangever van het leven te beroven.
Opzet op de dood kan echter ook worden aangenomen als er sprake is van voorwaardelijk opzet. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, in dit geval de dood van de aangever, is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Of hiervan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behalve als sprake is van contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.
De verdachte heeft, terwijl hij op slechts enkele meters afstand van de aangever stond, gericht met een vuurwapen op de aangever geschoten. De aangever is bij het eerste schot in zijn bovenbeen geraakt. Zowel de verdachte als de aangever hebben verklaard dat de verdachte na dit schot heeft geprobeerd om nog een keer te schieten, maar dat dit niet meteen lukte omdat het wapen blokkeerde. De verdachte heeft hierover ter zitting verklaard dat hij vervolgens de vastzittende patroon uit het wapen haalde en ging ‘reloaden’. Terwijl hij de storing aan het wapen verhielp, rende de aangever weg. Hierna is door de verdachte nog een schot gelost, maar de verklaringen van de verdachte en de aangever over de exacte omstandigheden waaronder dit tweede schot is gelost, lopen uiteen.
De verdachte heeft hierover ter zitting verklaard dat hij rende, dat hij zag dat de aangever hem filmde en dat hij vervolgens besloot om nog een keer richting de benen van de aangever te schieten. Zowel hij als de aangever zouden op dat moment stil hebben gestaan.
De aangever heeft verklaard dat de verdachte na het eerste schot achter hem aan rende, dat hij hoorde dat de verdachte de slede van het wapen naar achteren trok en vervolgens schoot. De verdachte zou pas na het lossen van het tweede schot zijn gestopt met rennen. De aangever heeft verder verklaard dat hij de verdachte is gaan filmen op het moment dat de verdachte wegfietste.
De rechtbank overweegt dat de lezing van de verdachte wordt weersproken en de verklaring van de aangever juist wordt ondersteund door de videobeelden op de telefoon van de aangever. Hier is namelijk op te zien en te horen dat de aangever achter een man op een fiets aan rent en om hulp roept. Op de beelden is niet te zien dat de verdachte een schot lost.
Dat maakt dat de rechtbank ten aanzien van de omstandigheden waaronder het tweede schot is gelost, uitgaat van de verklaring van de aangever.
De rechtbank stelt daarom het volgende vast. De verdachte probeerde direct na het eerste schot nog eens te schieten maar het wapen blokkeerde. De aangever rende weg en de verdachte verhielp de storing van het wapen en rende achter hem aan. Terwijl de verdachte en de aangever renden, loste de verdachte, op enkele meters afstand, gericht op de aangever het tweede schot.
Door in een dynamische situatie aldus te handelen heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat de tweede kogel die door hem in de richting van de aangever werd afgevuurd, door bewegingen van de verdachte of van de aangever, vitale delen van het lichaam van de aangever zou treffen, waardoor de aangever zou komen te overlijden.
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de verdachte deze kans ook heeft aanvaard. De raadsman heeft in dit kader aangevoerd dat de verdachte als voormalig militair een ervaren schutter is en dat hij bewust op de benen van de aangever heeft gericht.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Ten eerste is niet komen vast te staan dat de verdachte bij het tweede schot specifiek op de benen van de aangever richtte. Ten tweede heeft de verdachte ervoor gekozen om in de hectische situatie, waarin de verdachte de storing in het wapen moest verhelpen, hij achter de aangever aanrende en de aangever zigzaggend van hem probeerde weg te rennen, op korte afstand van de aangever met een vuurwapen te schieten. Deze gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van de aangever, dat het niet anders kan zijn dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Dat de verdachte een ervaren schutter zou zijn, doet aan deze bewuste aanvaarding niet af. Integendeel, juist een ervaren schutter zou moeten weten dat het schieten in deze situatie het risico met zich brengt dat de kogel niet het gestelde beoogde doel (het been) raakt, maar ook een meer kwetsbare plek van het lichaam zou kunnen raken. Door de trekker desondanks toch over te halen heeft de verdachte deze kans bewust aanvaard.
De raadsman heeft ook nog gewezen op chatberichten die zijn verzonden na het schietincident, waaronder een bericht dat op 11 juli 2025 door de verdachte is verzonden en waarin staat “Alles is bij de betreffende persoon terecht gekomen, precies zoals we aanvankelijk hadden afgesproken”. Volgens de raadsman heeft dit bericht betrekking op het schietincident en blijkt hieruit dat het niet de bedoeling was om de aangever te doden. De rechtbank volgt de raadsman daarin niet. Uit het desbetreffende chatgesprek of de rest van het dossier blijkt niet waar dit bericht precies over gaat. Ook is onduidelijk naar wie dit bericht is verstuurd en op welke concrete gebeurtenis het bericht betrekking heeft. Van contra-indicaties ten aanzien van de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op de dood is naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van de aangever.
Voorbedachte raad
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of bij de verdachte sprake was van voorbedachte raad om de aangever om het leven te brengen.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechtbank het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechtbank niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.
Wat betreft de verhouding tussen opzet en voorbedachte raad overweegt de rechtbank het volgende. Voorbedachte raad is een bijzondere kwalificatie waardoor het misdrijf een veel ernstiger karakter aanneemt. Voorbedachte raad kan samengaan met alle vormen van opzet, inclusief het voorwaardelijk opzet. Immers, wanneer iemand met tijd voor overleg een plan maakt om een ander doel te bereiken, en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedraging de dood van een ander zal veroorzaken, dan zijn alle kenmerken van voorbedachte raad aanwezig.
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het onderzoek ter zitting vast dat de verdachte in de dagen voor en op 10 juli 2025 voorbereidingen heeft getroffen. De verdachte heeft op 7 juli 2025 in Duisburg (Duitsland) een Samsung telefoon gekocht. De telefoon en de bon van deze aankoop zijn op 10 juli 2025 aangetroffen in een rugtas die op de vluchtroute van de verdachte is gevonden. Vervolgens is de verdachte met een vuurwapen met demper en de fles zwavelzuur naar Nederland gekomen en heeft hij onder een gefingeerde naam ([naam 1]) ingecheckt in het [naam hotel] in Zaandam. Op 8 juli 2025 heeft de verdachte twee bakens/GPS-trackers en twee camera’s gekocht bij het bedrijf [bedrijf] in Nieuwegein. Hij gebruikte hierbij wederom de naam [naam 1]. In de ochtend van 9 juli 2025 is de verdachte in de straat van de aangever geweest om de omgeving te verkennen en in de avond is hij nogmaals naar de straat van de aangever gegaan en heeft hij één van de bakens onder de auto van de aangever geplaatst. Op 10 juli 2025 is de verdachte in het bezit gekomen van een fiets. Anderhalf uur voor het schietincident heeft de verdachte een auto en de fiets klaargezet in de omgeving van de woning van de aangever. Daarna bleef hij in de buurt van de woning van de aangever. Toen de aangever de straat in reed, controleerde de verdachte eerst of hij het beoogde doel was (en niet bijvoorbeeld zijn echtgenote). Vervolgens ging de verdachte te voet achter de aangever aan, met het wapen met geluiddemper, drie patronen en een flesje met zwavelzuur en ging hij over tot actie. De verdachte heeft verklaard dat het de bedoeling was om de aangever twee keer te raken. De derde patroon had hij bij zich als reserve, aldus de verdachte.
Zoals de rechtbank hierboven heeft vastgesteld, heeft de verdachte het eerste schot afgevuurd en daarmee de aangever in zijn been geraakt. De verdachte is vervolgens doorgegaan met zijn plan om de aangever tweemaal met een schot te raken, door de storing aan het wapen te verhelpen, is achter de aangever aan te rennen en nogmaals op de aangever te schieten.
Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat sprake is geweest van een vooropgezet plan van de verdachte om meermalen op de aangever te schieten. De verdachte heeft zijn daad dagenlang voorbereid. Hoewel de situatie tijdens de uitvoering van het plan chaotisch werd omdat de aangever na het eerste schot wegrende en het wapen blokkeerde, heeft de verdachte zijn plan om de aangever twee keer met een schot te raken doorgezet. Tussen het besluit, de voorbereiding en de uiteindelijke uitvoering van zijn daad, zat zodanig veel tijd dat de verdachte ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om zich te beraden over de mogelijke gevolgen en risico’s van zijn plan. Ook in de tijdspanne tussen de opeenvolgende schoten was daar voldoende gelegenheid toe, nu het wapen bij het tweede schot blokkeerde, de verdachte handelingen moest verrichten om de blokkade te verhelpen en de aangever wegrende. De verdachte had dus de feitelijke mogelijkheid om zich te beraden, zijn handelen te staken en de betekenis en gevolgen van zijn ingezette plan te heroverwegen. De verdachte heeft er echter bewust voor gekozen het tweede schot te lossen. Dat ten tijde van het tweede schot het opzet van de verdachte de vorm aannam van voorwaardelijk opzet op de dood van de aangever sluit voorbedachte raad op de dood van de aangever niet uit. De verdachte heeft immers een vooraf beraamd plan uitgevoerd dat levensgevaarlijke risico’s met zich bracht. De verdachte heeft al bij de voorbereiding kunnen en moeten bedenken dat het meermalen schieten op een persoon gemakkelijk kan escaleren in een levensbedreigende situatie. Nu de verdachte dit plan, ook toen de situatie daadwerkelijk escaleerde, volhardend heeft doorgezet en bij het tweede schot bewust de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever heeft aanvaard is de rechtbank van oordeel dat de verdachte met voorbedachten rade de aangever heeft geprobeerd te doden.
Tussenconclusie
Gelet op het voorstaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een poging tot moord.
Zwavelzuur
Aan de verdachte is niet alleen het meermalen schieten op de aangever ten laste gelegd, maar ook dat hij heeft geprobeerd de aangever met zwavelzuur te overgooien. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij een fles met zuur bij zich had om zijn sporen uit te wissen. Hij vertelde dat hij het zuur op onder andere het wapen en de fiets wilde gieten. Deze verklaring van de verdachte acht de rechtbank niet aannemelijk omdat er omstandigheden zijn die wijzen op een ander doel voor het meebrengen van het zwavelzuur. Ten eerste volgt uit het dossier dat de aangever op 10 april 2025 een bericht heeft ontvangen met daarin onder andere de (naar het Nederlands vertaalde) tekst “.Trouwens, de volgende keer dat je niet weg rent schieten we eerst in je knieën en daarna overgieten we je met zuur…”. Ten tweede heeft de verdachte de fles zwavelzuur meegenomen naar de plek waar hij op de aangever heeft geschoten, in plaats van dat hij het in de klaargezette auto achterliet om te gebruiken op de plek waar hij het wapen of de fiets achter zou laten. Ten derde is gebleken dat de verdachte geen sporen heeft uitgewist of dat hij dit heeft geprobeerd. De verdachte heeft op de plaats delict juist sporen achtergelaten, zoals het wapen met de geluiddemper, een niet-verschoten patroon en even verderop langs de vluchtroute de rugtas. Tot slot zijn op straat een dop en een afdichtingsring aangetroffen, waarbij zowel op de dop zelf als op de bestrating sporen van zwavelzuur zijn aangetroffen. De dop is voorzien van een kindveilig sluitingsmechanisme dat druk en draaikracht vereist bij het openen. De rechtbank acht het dan ook niet aannemelijk dat de fles met zwavelzuur spontaan open is gegaan, wat erop duidt dat de fles op enig moment opengemaakt is. Dat de aangever niet heeft verklaard dat hij een fles heeft gezien, doet niets af aan de mogelijkheid dat de verdachte de fles zelf heeft opengemaakt. De aangever rende immers van de verdachte weg en het is dus goed mogelijk dat de aangever het openen van de fles daarom niet heeft gezien.
De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden redelijkerwijs geen andere conclusie toelaten dan dat de verdachte het zwavelzuur bij zich had met de intentie om dit over de aangever te gooien. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat de verdachte daadwerkelijk heeft geprobeerd om het zwavelzuur over of in de richting van de aangever te gooien. Hoewel de rechtbank gelet op het voorgaande vaststelt dat de verdachte de fles op enig moment heeft opengemaakt blijkt niet uit het dossier wanneer dit is gedaan, of de aangever op dat moment in de directe nabijheid van de verdachte was en op welke manier het zwavelzuur op de grond terecht is gekomen. De rechtbank zal de verdachte daarom van die handeling vrijspreken.
Medeplegen
De rechtbank ziet zich vervolgens nog voor de vraag gesteld of sprake is geweest van medeplegen.
Voor de kwalificatie medeplegen is volgens vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het strafbare feit, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van ieders rol van de , aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Bij medeplegen ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.
Op 5 augustus 2026 is in Engeland een tweede verdachte in dit onderzoek aangehouden, die zich [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) noemt. Voor het beantwoorden van de vraag of de verdachte de poging tot moord tezamen en in vereniging met [medeverdachte] gepleegd is het volgende van belang. De verdachte en [medeverdachte] zijn in het onderzoek beiden gekoppeld aan twee Mastercards. Deze twee Mastercards zijn allebei gebruikt op 27 juni 2025 op Schiphol, rond hetzelfde tijdstip. Echter, uit het dossier volgt niet of de verdachte en [medeverdachte] elkaar daadwerkelijk hebben ontmoet en met elkaar hebben gesproken. Verder stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte] de fiets heeft gekocht waarop de verdachte heeft gereden op 10 juli 2025. Deze fiets is in de ochtend van 10 juli 2025 gekocht en moet tussen 10:21 uur en 16:37 uur zijn overgedragen aan de verdachte, nu de verdachte om 16:37 uur op deze fiets op de camerabeelden van de manege in de buurt van de plaats delict wordt gezien. Verder volgt uit het dossier dat [medeverdachte] op 10 juli 2025 meerdere keren zijn Mastercard heeft gebruikt in de omgeving van de plaats delict en dat een auto, gelijkend op de door [medeverdachte] gehuurde auto, in de buurt van de plaats delict is waargenomen. Tot slot wijzen ANPR-gegevens erop dat de door [medeverdachte] gehuurde auto op 10 juli 2025, korte tijd na het schieten door de verdachte naar Duitsland is gereden. Dat laatste is relevant omdat de verdachte tijdens het schieten op de aangever, zwavelzuur over zijn lichaam kreeg en diezelfde dag nog naar een ziekenhuis in Duitsland is gebracht.
Voornoemde omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank weliswaar opvallend en roepen vragen op, maar de concrete handelingen zijn van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Niet is gebleken van een gezamenlijk plan, een vooraf afgesproken rolverdeling of een wezenlijke bijdrage van [medeverdachte] aan de feitelijke uitvoering van de poging tot moord.
Uit het dossier volgt verder dat de verdachte naar alle waarschijnlijkheid informatie heeft gekregen van een of meerdere onbekend gebleven personen over de verblijfplaats van de aangever en over de auto die de aangever sinds kort in gebruik had. Uit het dossier en het onderzoek ter zitting blijkt niet van wie deze informatie afkomstig is, in welke vorm deze bij de verdachte terecht is gekomen en of sprake is geweest van een gezamenlijk plan ter uitvoering van de poging tot moord. Kortom, deze bijdrage is naar het oordeel van de rechtbank ook van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank is dus van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte bij de poging tot moord nauw en bewust heeft samengewerkt met een of meer anderen. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onderdeel medeplegen.
Conclusie
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdacht zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat
hij op 10 juli 2025 te Zaandam, ter uitvoering van het door hem,
verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade
[benadeelde] van het leven te beroven, meermalen met een vuurwapen, te weten een pistool voorzien van een geluiddemper, op en in de richting van die [benadeelde] heeft geschoten, waarbij die [benadeelde] een schotwond in zijn linkerbeen heeft opgelopen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot moord.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het medeplegen van poging tot moord zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren, met aftrek van de overleveringsdetentie en het voorarrest. De verdachte heeft een opdracht aangenomen om een ander op gruwelijke wijze om het leven te brengen. Het openbaar ministerie ziet de verdachte als een professionele huurmoordenaar. De aangever heeft de aanslag enkel overleefd omdat hij het geluk had nog weg te kunnen rennen, omdat het vuurwapen haperde en waarschijnlijk ook omdat het zuur op de verdachte zelf terechtkwam. Dit was voor de aangever niet de eerste keer dat hij zich geconfronteerd zag met mensen die het op hem hebben gemunt; er is wereldwijd op hem gejaagd. Het handelen van de verdachte is ook voor onze maatschappij schokkend geweest: er is kennelijk sprake van een conflict dat met misbruik van onze open grenzen, met valse identiteiten, bakens, een vuurwapen, geluidsdemper en zwavelzuur wordt beslecht op ons grondgebied, op klaarlichte dag in en gewone woonwijk. Oplegging van een zeer forse gevangenisstraf is daarom gerechtvaardigd, aldus de officier van justitie.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij de op te leggen straf rekening te houden met de meewerkende opstelling van de verdachte. Ook heeft hij verzocht om in strafmatigende zin rekening te houden met de omstandigheden in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI), waar de verdachte tot op heden zijn voorarrest heeft doorgebracht. Tot slot heeft hij verzocht om het gehele voorarrest, dus ook de overleveringsdetentie in Duitsland, in mindering te brengen op de op te leggen straf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord door meerdere malen op korte afstand met een vuurwapen voorzien van een geluiddemper gericht op het slachtoffer te schieten. Uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat de verdachte het slachtoffer niet kende en dat hij op verzoek van een ander heeft gehandeld. Hij heeft zich hiertoe bereid verklaard en gesteld kan worden dat sprake is geweest van een afrekening. De verdachte is planmatig te werk gegaan. Hij is naar Nederland gekomen om het plan uit te voeren, heeft een telefoon, bakens en camera’s gekocht, heeft gebruik gemaakt van aliassen, is meerdere keren in de omgeving van de woning van het slachtoffer geweest om de situatie te verkennen en te zien waar hij de fiets en de auto kon parkeren en heeft zwavelzuur bij zich gehad om op het slachtoffer te gooien. .
Door het handelen van de verdachte is het slachtoffer ernstig gewond geraakt. Hij heeft een schotwond in het linker bovenbeen en de kogel is operatief verwijderd. Het slachtoffer heeft tijdens de zitting gebruik gemaakt van zijn spreekrecht en daaruit bleek dat het slachtoffer nog steeds nadelige lichamelijke en psychische gevolgen van het incident ervaart en dat het grote gevolgen heeft voor hem en zijn gezin.
De verdachte heeft het slachtoffer op klaarlichte dag midden in een woonwijk beschoten. Dergelijk geweld draagt bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 3 juli 2026. Hieruit blijkt dat hij niet eerder in Nederland is veroordeeld. Uit het onderzoek ter terechtzitting volgt dat de verdachte eerder in België is veroordeeld voor ernstige geweldsdelicten. Voor het overige zijn er geen persoonlijke omstandigheden van de verdachte die van invloed zijn geweest op de op te leggen straf.
Op te leggen straf
De aard en de ernst van de poging tot moord en de gevolgen voor het slachtoffer rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van dertien jaar passend en geboden. De tijd die de verdachte in overleveringsdetentie in Duitsland en in voorarrest heeft gezeten moet ingevolge artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bij de uitvoering van de straf worden afgetrokken.
7. Schadevergoedingsmaatregel
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel op te leggen zodat het slachtoffer een schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren maar dat de Staat dit voor hem doet. Het slachtoffer heeft geen vordering benadeelde partij ingediend, maar duidelijk is dat hij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit en dat hij de schade vergoed wenst te zien. De officier van justitie heeft verzocht aan de rechtbank het bedrag naar billijkheid vast te stellen. In dat kader heeft de officier van justitie de rechtbank meegegeven dat er onder de verdachte conservatoir beslag is gelegd op € 22.000,-.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om niet ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het slachtoffer heeft op de zitting aangegeven dat hij zich van professionele rechtsbijstand wil voorzien en dat hij in een civiele procedure zijn schade wil vorderen. Daarnaast heeft het slachtoffer de geleden schade op geen enkele manier onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank kan de schadevergoedingsmaatregel ambtshalve opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Het betreft een strafrechtelijke sanctie, die los van een vordering tot schadevergoeding kan worden opgelegd. De schadevergoedingsmaatregel kan door de rechtbank ook worden opgelegd indien het slachtoffer in de strafzaak geen schadevergoeding heeft gevorderd of de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard (vgl. r.o. 2.9.2 van het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).
Een slachtoffer heeft belang bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel, omdat het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) dan zorgdraagt voor de tenuitvoerlegging van deze maatregel en dus voor het innen van het toegekende bedrag. Daarnaast is de schadevergoedingsmaatregel van belang omdat oplegging van deze maatregel een voorwaarde is voor toepassing van de voorschotregeling. Deze regeling voorziet erin dat het slachtoffer deze vergoeding bij wijze van voorschot krijgt uitgekeerd door de Staat, indien de veroordeelde niet (volledig) binnen acht maanden na het onherroepelijk worden van de uitspraak aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan (art. 6:4:2 lid 7 Sv juncto art. 6:4:8 lid 3 Sv). Bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel moet een concreet bedrag worden vastgesteld, onder meer omdat de rechtbank het aantal dagen gijzeling moet bepalen voor het geval betaling uitblijft.
De rechtbank ziet in dit geval geen mogelijkheid om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en overweegt daartoe als volgt.
De verdachte is jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Het is evident dat het slachtoffer zowel materiële schade als immateriële schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. Duidelijk is ook dat het slachtoffer zijn schade vergoed wil zien. In het kader van de onderhavige strafzaak heeft het slachtoffer geen vordering benadeelde partij ingediend. Ter zitting heeft hij toegelicht dat dat komt doordat hij onbekend is met het Nederlandse straf(proces)recht en hij gelet op de aard van de zaak en de voor hem genomen veiligheidsmaatregelen geen juridische bijstand heeft kunnen vinden. Het slachtoffer heeft om deze reden een verzoek om aanhouding gedaan om alsnog met behulp van een advocaat als benadeelde partij een verzoek om schadevergoeding in te dienen. De rechtbank heeft dit verzoek ter zitting afgewezen. Het slachtoffer heeft vervolgens aangegeven dat het zijn voorkeur heeft om met professionele rechtsbijstand via een civiele procedure zijn schade te verhalen op de verdachte. Het slachtoffer heeft verteld over de mentale toestand van zijn vrouw, over de angst die is ontstaan bij alle gezinsleden, dat de schotwond goed is genezen maar zijn spieren zijn beschadigd en dat er bij hem enorm veel psychische schade is ontstaan. Het slachtoffer heeft niet verder uiteen gezet waar zijn schade precies uit bestaat en ook geen informatie verschaft over eventuele blijvende beperkingen als gevolg van het door hem opgelopen (lichamelijke en/of geestelijke) letsel. Dat is voorstelbaar, nu het slachtoffer geen juridische bijstand heeft, maar het gevolg is dat de rechtbank hierdoor geen enkele indicatie heeft van de hoogte van de door het slachtoffer geleden schade.
Bij de verdachte is op 2 oktober 2025 een geldbedrag van € 22.000,- in beslag genomen. Hier ligt conservatoir beslag op ten behoeve van de vergoeding van de schade van het slachtoffer.
Als het schadebedrag van het slachtoffer minder is dan € 22.000,-, dient het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel daarom geen doel.
Aannemelijker is dat de schade hoger is dan € 22.000,-, maar de rechtbank heeft onvoldoende informatie om in te schatten om welk bedrag het minstens zal gaan. Zoals hiervoor is vermeld is bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel vereist dat een concreet bedrag wordt vastgesteld, ook omdat de rechtbank het aantal dagen gijzeling moet bepalen voor het geval betaling uitblijft. Nu ieder aanknopingspunt voor de hoogte van het schadebedrag ontbreekt zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel niet opleggen.
8. Beslag
Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen en niet teruggegeven:
- een geldbedrag van € 22.000,- (item 1 op de beslaglijst);
- twee camera’s (Blackbox mini spy en Kuus mini spy) (items 2 en 10 op de beslaglijst);
- twee “niet te definiëren goederen” (twee GPS-trackers) (items 3 en 4 op de beslaglijst);
- een paspoort (Sloveens paspoort [naam 2]) (item 5 op de beslaglijst);
- een paspoort (Oekraïens paspoort [naam 3]) (item 6 op de beslaglijst);
- een rijbewijs (Sloveens rijbewijs [naam 4]) (item 7 op de beslaglijst);
- een rijbewijs (Rijbewijs [naam 5]) (item 8 op de beslaglijst);
- een identiteitsbewijs (ID kaart [naam 4]) (item 9 op de beslaglijst);
- een GSM (item 11 op de beslaglijst);
- een mes (item 12 op de beslaglijst).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft ten aanzien van de twee camera’s (items 2 en 10 op de beslaglijst), de twee GPS trackers (items 3 en 4 op de beslaglijst), de identiteitsdocumenten (items 5, 6, 7, 8 en 9 op de beslaglijst) en het mes (item 12 op de beslaglijst) gevorderd dat deze voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer.
Ten aanzien van de GSM (item 11 op de beslaglijst) heeft de officier van justitie gevorderd dat deze terug kan worden gegeven aan de verdachte.
Ten aanzien van het geldbedrag (item 1 op de beslaglijst) heeft de officier van justitie geen standpunt ingenomen, nu er tevens conservatoir beslag op ligt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman verenigt zich met het standpunt van de officier van justitie ten aanzien van de items 2 tot en met 12. Ten aanzien van het geldbedrag heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat dit moet worden teruggegeven aan de rechthebbende.
Oordeel van de rechtbank
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggeven camera’s (items 2 en 10 op de beslaglijst) en GPS-trackers (items 3 en 4 op de beslaglijst) moeten worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting volgt dat de verdachte op 8 juli 2025 bij [bedrijf] in Nieuwegein twee camera’s en twee GPS-trackers heeft gekocht. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij deze camera’s en GPS-trackers heeft gekocht om de locatie van het slachtoffer te achterhalen. Tijdens het onderzoek naar het feit waarvan hij wordt verdacht zijn in de woning waar de verdachte verbleef op 2 oktober 2025 twee camera’s en twee GPS-trackers aangetroffen. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten als het bewezenverklaarde. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met het algemeen belang, omdat deze voorwerpen bedoeld zijn om anderen heimelijk in de gaten te houden of heimelijk een locatie te achterhalen.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven paspoorten, rijbewijs en identiteitsbewijs (items 5, 6, 7 en 9 op de beslaglijst) ook aan het verkeer moeten worden onttrokken. Uit het onderzoek ter terechtzitting volgt dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van meerdere aliassen bij de voorbereiding van het bewezenverklaarde. Door de Koninklijke Marechaussee is vastgesteld dat deze identiteitsdocumenten vals of vervalst zijn. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten als het bewezenverklaarde. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met het algemeen belang.
Teruggave aan de verdachte
De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggeven GSM (item 11 op de beslaglijst) moet worden teruggegeven aan de verdachte. Niet kan worden vastgesteld dat deze GSM gebruikt is bij het bewezenverklaarde.
Teruggave aan de rechthebbende
Op het onder de verdachte in beslag genomen geldbedrag (item 1 op de beslaglijst) rust zowel klassiek beslag (beslag ten behoeve van de waarheidsvinding) als conservatoir beslag (ten behoeve van schadevergoeding aan het slachtoffer). De rechtbank beslist in deze procedure niet over het conservatoir beslag. Ten aanzien van het klassieke beslag is de rechtbank van oordeel dat het geldbedrag moet worden teruggegeven aan de rechthebbende. Aangezien er ook conservatoir beslag rust op dit geldbedrag, zal het geldbedrag (vooralsnog) niet daadwerkelijk aan de verdachte worden teruggegeven.
Bewaring ten behoeve van de rechthebbende
Ten aanzien van het rijbewijs (item 8 op de beslaglijst) en het mes (item 12 op de beslaglijst) overweegt de rechtbank dat de voorwerpen geen relatie hebben tot ‘het feit’ zoals bedoeld in artikel 36c Sr. Ook kunnen deze voorwerpen niet in relatie komen te staan met de voorbereiding of het begaan van soortgelijke feiten of de belemmering van de opsporing daarvan zoals bedoeld in artikel 36d Sr. Onttrekking aan het verkeer is dus niet mogelijk. Om dezelfde reden is de verbeurdverklaring in de zin van artikel 33a, eerste lid, Sr evenmin mogelijk.
De rechtbank is echter van oordeel dat teruggave van de voorwerpen aan de verdachte bezwaarlijk is, omdat het gaat om een rijbewijs dat weliswaar echt is maar niet op de naam staat waaronder de verdachte in Nederland bekend is, en om een mes. Om die reden zal de rechtbank de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten in de zin van artikel 353, tweede lid, onder c Sv. Het Openbaar Ministerie kan dan na het verlopen van de daarvoor geldende bewaartermijn alsnog een beslissing nemen die erop neerkomt dat de voorwerpen aan het verkeer worden onttrokken.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36b, 36d, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit (poging tot moord) heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in overleveringsdetentie, in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Onttrekt aan het verkeer:
- twee camera’s (Blackbox mini spy en Kuus mini spy) (items 2 en 10 op de beslaglijst);
- twee niet te definiëren goederen (twee GPS trackers) (items 3 en 4 op de beslaglijst);
- een paspoort (Sloveens paspoort [naam 2]) (item 5 op de beslaglijst);
- een paspoort (Oekraïens paspoort [naam 3]) (item 6 op de beslaglijst);
- een rijbewijs (Sloveens rijbewijs [naam 4]) (item 7 op de beslaglijst);
- een identiteitsbewijs (ID kaart [naam 4]) (item 9 op de beslaglijst).
Gelast de teruggave aan de verdachte van:
- een GSM (iPhone XR) (item 11 op de beslaglijst).
Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:
- een geldbedrag van € 22.000,- (item 1 op de beslaglijst).
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
- een rijbewijs (Rijbewijs [naam 5]) (item 8 op de beslaglijst);
- een mes (item 12 op de beslaglijst).
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M. Jongkind, voorzitter,
mr. N.M.L. Rogmans en mr. L.M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. Verheul,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 oktober 2026.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(…)