ECLI:NL:RBNHO:2026:14124

ECLI:NL:RBNHO:2026:14124

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 12-10-2026
Datum publicatie 16-10-2026
Zaaknummer 15/012549-25 en 15/134486-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlemmermeer

Samenvatting

Bewezenverklaring van verschillende zedenfeiten, poging tot zware mishandeling en bedreiging waarbij een mes is gebruikt. Veroordeling tot een gevangenisstraf van 34 maanden met aftrek en een tbs-maatregel met verpleging van overheidswege. Vorderingen benadeelde partijen deels toegewezen, deels niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/012549-25 en 15/134486-24 (P)

Uitspraakdatum: 12 oktober 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 28 september 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Iran),

nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad en ingeschreven op het adres van die penitentiaire inrichting (Smeet 1, 1551 NG Westzaan).

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, op de zitting van 8 december 2025 gevoegd.

De zaak met parketnummer 15/012549-25 wordt hierna aangeduid als zaak A.

De zaak met parketnummer 15/134486-24 wordt hierna aangeduid als zaak B.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W.M. van der Most en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman en raadsvrouw,

mr. A.R. Ytsma en mr. E.M.W. Lock, advocaten te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, kort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd:

Zaak A

feit 1

primair poging tot zware mishandeling van [slachtoffer A] op 12 januari 2025 in Nieuw-Vennep;

subsidiair mishandeling van [slachtoffer A] met zwaar lichamelijk letsel als gevolg;

meer subsidiair mishandeling van [slachtoffer A] ;

feit 2

bedreiging van [slachtoffer B] op 12 januari 2025 in Nieuw-Vennep;

Zaak B

feit 1

het plegen van ontucht, waaronder seksueel binnendringen van het lichaam van de minderjarige [slachtoffer C] in de periode van 17 september 2023 tot en met 18 september 2023 in Nieuw-Vennep;

feit 2

aanranding van [slachtoffer D] in de periode van 1 mei 2023 tot en met

31 september 2023 in Nieuw-Vennep;

feit 3

schennis van de eerbaarheid op 9 mei 2024 in Nieuw-Vennep.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten en specifiek in zaak A onder 1 het primair ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

Voor wat betreft het in zaak B onder 1 ten laste gelegde feit, heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle andere ten laste gelegde feiten (zaak A onder 1 en 2 en zaak B onder 2 en 3). Op de verweren zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden De rechtbank komt tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II bij dit vonnis zijn opgenomen. Aangezien de verdachte het in zaak B onder 1 ten laste gelegde feit bekent en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, behoeft de bewezenverklaring van dit feit geen nadere motivering.

Bewijsoverweging zaak A feit 1 primair en feit 2 (poging tot zware mishandeling en bedreiging)

Uit het dossier volgt dat de verdachte op 12 januari 2025 rond vier uur ’s middags in Nieuw-Vennep een confrontatie heeft gehad met een groep jongens, waar [slachtoffer A] en [slachtoffer B] deel van uitmaakten. Daarbij ontstond een woordenwisseling en heeft [slachtoffer B] een klap in het gezicht van de verdachte heeft gegeven. Een deel van de groep jongens, waaronder [slachtoffer A] en [slachtoffer B] , zijn later bij een bankje gaan zitten. De verdachte is rond vijf uur met versnelde pas naar hen toegelopen. Hij pakte op ongeveer 1,5 meter afstand voor de groep jongens een voorwerp uit zijn zak, zwaaide ermee en haalde uit naar de nek van [slachtoffer B] . De verdachte viel vervolgens tegen de benen van [slachtoffer A] . De jongens zijn weggerend. [slachtoffer A] voelde daarna een stekende pijn in zijn rechteronderbeen. Hij bleek een flinke snijwond van ruim 12 cm te hebben die in het ziekenhuis met vier hechtingen moest worden gehecht.

Bedreiging (feit 2)

Anders dan de verdediging stelt, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat het voorwerp dat de verdachte uit zijn zak haalde een mes was. Niet alleen hebben [slachtoffer B] en getuige [getuige A] expliciet verklaard dat zij zagen dat de verdachte een mes vasthad, maar ook kan het letsel van [slachtoffer A] (namelijk een flinke snijwond) niet worden verklaard door de flessenopener die de verdachte beweerde te hebben vastgehad. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer B] met een mes dan ook bewezen.

Poging tot zware mishandeling (feit 1 primair)

De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte het zogenaamde volle opzet op de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer A] heeft gehad, nu de verdachte op [slachtoffer B] afliep, uitgleed en met het mes in zijn hand tegen [slachtoffer A] aan is gevallen.

De rechtbank is wel van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer A] heeft gehad. Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer de gedragingen van de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg in het leven hebben geroepen en de verdachte het risico op het intreden van deze gevolgen ook bewust heeft aanvaard. Het antwoord op de vraag of een kans aanmerkelijk is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De verdachte heeft op betrekkelijk korte afstand van het groepje jongens een mes getrokken, daarmee gezwaaid en uitgehaald, waarbij hij tegen [slachtoffer A] is gevallen. De rechtbank acht de kans dat de verdachte hierdoor één van hen ernstig zou verwonden aanmerkelijk. Dit maakt dat deze gedragingen van de verdachte zozeer gericht waren op de mogelijke zware mishandeling van [slachtoffer A] die deel uitmaakte van het groepje jongens waar de verdachte op af kwam gesneld, dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.

Voor zover de verdachte op zitting heeft gesteld dat het letsel van [slachtoffer A] ook door iets anders kan zijn veroorzaakt, is dat niet aannemelijk geworden.

Poging tot zware mishandeling, zoals primair ten laste is gelegd, acht de rechtbank dan ook bewezen.

Bewijsmotivering zaak B feit 2 (aanranding)

[slachtoffer D] heeft aangifte gedaan van aanranding. Zij verklaart dat de verdachte haar in zijn huis op de bank heeft geduwd en op haar is gaan liggen om vervolgens zijn tong in haar mond te steken en in haar borst te knijpen. De verdachte ontkent dit.

Juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het feit dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de veronderstelde seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Wanneer dan de veronderstelde dader de seksuele handelingen ontkent, zoals zich in deze zaak voordoet, leidt dat er in veel gevallen toe dat slechts de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer als wettig bewijs beschikbaar zijn. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is echter de enkele verklaring van een getuige (het veronderstelde slachtoffer) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Hiernaast geldt dat in zedenzaken een geringe mate van steunbewijs in combinatie met de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer reeds voldoende wettig bewijs van het ten laste gelegde kan opleveren. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van het veronderstelde slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd.

Betrouwbaarheid verklaring aangeefster

In zijn algemeenheid moet zorgvuldig en behoedzaam worden omgegaan met verklaringen van getuigen en (vermeende) slachtoffers in strafzaken. In een zaak als deze, waarin de verdachte de ten laste gelegde feiten ontkent en er geen directe getuigen zijn van de verweten seksuele gedragingen, geldt dat des temeer.

De rechtbank zal dan ook eerst de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer D] toetsen, door deze te beoordelen op (onder meer) consistentie, volledigheid, accuraatheid en authenticiteit. Daarbij zal de rechtbank ook aandacht besteden aan de door de verdediging gestelde inconsistenties en op de betrouwbaarheid van getuige [getuige B] .

Volgens de aangifte ging [slachtoffer D] in de zomer van 2023 samen met onder andere [getuige B] bij de verdachte wiet halen. De verdachte wilde eerst met [slachtoffer D] alleen spreken voordat de rest ook naar binnen mocht. Zij is toen alleen naar binnen gegaan. Binnen is zij door de verdachte met haar rug op de bank geduwd en lag hij met zijn volle gewicht op haar. De verdachte heeft haar toen een tongzoen gegeven en in haar borst geknepen.

De verklaring van [slachtoffer D] tijdens haar verhoor door de rechter-commissaris op 20 januari 2025 komt op essentiële onderdelen overeen met haar aangifte. [slachtoffer D] heeft onder meer consistent en gedetailleerd verklaard over de aanleiding van de ontmoeting met de verdachte, dat zij alleen naar binnen mocht en [getuige B] buiten moest wachten, en de daaropvolgende ontuchtige handelingen. De verklaring van [slachtoffer D] komt de rechtbank authentiek voor, nu zij zichzelf niet spaart en bijvoorbeeld ook vertelt over haar drugsgebruik. Aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer D] draagt verder bij dat [getuige B] haar verhaal op onderdelen bevestigt, zoals dat [slachtoffer D] naar binnen moest terwijl [getuige B] buiten moest blijven wachten. De verschillen die de verdediging opmerkt – zoals het drugsgebruik kort voor of tijdens de ontuchtige handelingen – zijn ondergeschikt en doen naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer D] .

Gelet op de consistentie van de verklaringen van [slachtoffer D] op essentiële onderdelen en de gedetailleerdheid daarvan, en hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van de argumenten van de verdediging heeft geoordeeld, acht de rechtbank haar verklaringen dan ook betrouwbaar. De rechtbank zal de aangifte van [slachtoffer D] dan ook als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen.

Aanwezigheid van steunbewijs

De rechtbank is verder van oordeel dat de aangifte van [slachtoffer D] voldoende steun vindt in de verklaring van [getuige B] . Uit haar verklaring volgt de bevestiging dat [slachtoffer D] alleen de woning van de verdachte is ingegaan terwijl [getuige B] buiten op haar stond te wachten. Daarnaast blijkt uit deze verklaring van [getuige B] de emotionele gemoedstoestand van [slachtoffer D] direct nadat [getuige B] de woning in ging. Volgens [getuige B] had [slachtoffer D] een angstige blik in haar ogen en was zij in shock. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen van [getuige B] , nu zij verklaart uit eigen waarneming en hier niet invult wat zij van [slachtoffer D] heeft gehoord over wat binnen is voorgevallen. De rechtbank ziet hierin dan ook voldoende steunbewijs voor de aangifte van [slachtoffer D] . De rechtbank acht de aan de verdachte ten laste gelegde aanranding daarom bewezen.

Bewijsmotivering zaak B feit 3 (schennis van de eerbaarheid op een openbare plaats)

Steunbewijs

[getuige B] heeft aangifte gedaan, waarin zij aangeeft dat de verdachte op 9 mei 2024 zijn broek naar beneden heeft getrokken, waardoor zijn penis zichtbaar was, waarna hij zijn penis vasthield en riep ‘pijp me dan’. De vraag die voorligt is of deze aangifte wordt ondersteund door ander bewijs. Het juridisch kader daarvoor heeft de rechtbank hiervoor reeds uiteengezet onder 3.3.3.

Het dossier bevat een proces-verbaal van bevindingen van 10 juni 2024 waaruit blijkt dat de politie twee meldingen heeft ontvangen dat een persoon, naar later blijkt de verdachte, zijn penis heeft laten zien aan een vrouw. De verdachte heeft na de eerste melding aan de politie verteld dat zijn joggingbroek geen touwtje heeft en zijn broek soms afzakte. Nadat de politie later die dag de verdachte opnieuw staande houdt naar aanleiding van de tweede melding, heeft hij verklaard dat zijn broek weer was afgezakt. De politie heeft tijdens het tweede gesprek geconstateerd dat de verdachte ook geen onderbroek aan had.

De aangifte wordt naar het oordeel van de rechtbank voldoende ondersteund door dit proces-verbaal van bevindingen, nu hieruit volgt dat de verdachte bevestigt dat zijn broek meermaals afzakt terwijl hij geen onderbroek draagt. De verdediging wordt dan ook niet gevolgd in het standpunt dat geen steunbewijs aanwezig is.

Opzet

Het standpunt van de verdachte dat hij zich niet opzettelijk oneerbaar heeft gedragen, wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank acht het volstrekt onaannemelijk dat de penis van de verdachte door een afzakkende broek tweemaal op één dag per ongeluk uit zijn broek is gekomen. Uit de door verdachte gepleegde gedragingen kan het opzet van de verdachte op schennis van de eerbaarheid dan ook worden afgeleid.

Hiermee komt de rechtbank ook tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde schennis van de eerbaarheid op een openbare plaats.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A

feit 1

hij op 12 januari 2025 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer A] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes in het onderbeen van [slachtoffer A] heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2

hij op 12 januari 2025 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer [slachtoffer B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een mes te tonen en met een mes in de richting van [slachtoffer B] te bewegen;

Zaak B

feit 1

hij in de periode van 17 september 2023 tot en met 18 september 2023 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, met [slachtoffer C] , geboren op [geboortedatum C] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer C] , te weten:

- zijn penis in de mond en anus en vagina van [slachtoffer C] te steken en

- zijn vingers in de anus en vagina van [slachtoffer C] te steken;

feit 2

hij in de periode van 1 mei 2023 tot en met [30 september 2023] te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, door geweld of een andere feitelijkheid , [slachtoffer D] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten:

- het boven de kleren in de borst van [slachtoffer D] te knijpen en

- zijn tong in de mond van [slachtoffer D] te steken

en bestaande dat geweld of een andere feitelijkheid hieruit dat hij, verdachte,

- [slachtoffer D] op haar rug op de bank heeft geduwd om vervolgens op haar te liggen en

- zeer plotseling en/of onverhoeds zijn tong in de mond van [slachtoffer D] heeft gestoken en

- zeer plotseling en/of onverhoeds in de borst van [slachtoffer D] heeft geknepen;

feit 3

hij op 9 mei 2024 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer de eerbaarheid heeft geschonden op een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten aan de [A-straat] , door zijn broek naar beneden te laten zakken, waarna hij zijn penis vastpakt en zijn penis liet zien en daarbij roept: "Pijp me dan".

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Zaak A

feit 1: poging tot zware mishandeling;

feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

Zaak B

feit 1: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

feit 2: feitelijke aanranding van de eerbaarheid;

feit 3: schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met dwangverpleging zal worden opgelegd. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de veronderstelling dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Verder heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte een maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen in de vorm van een contactverbod met [slachtoffer A] , [slachtoffer B] , [slachtoffer C] en [slachtoffer D] voor de duur van drie jaar en met het bevel dat vervangende hechtenis van twee weken zal worden toegepast voor het geval dat niet aan de maatregel wordt voldaan, waarbij de totale duur van de vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht geen gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest overstijgt.

Verder heeft de verdediging verzocht de beslissing over de tbs-maatregel aan te houden, zodat door te reclassering een maatregelenrapport ten behoeve van een tbs met voorwaarden kan worden opgesteld.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, waarbij de onder zaak A, 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten gekwalificeerd worden als een voortgezette handeling als bedoeld in artikel 56 Sr. De rechtbank heeft verder de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, betrokken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks strafbare feiten, waaronder zedendelicten met [slachtoffer C] , [slachtoffer D] en [getuige B] . Niet alleen bestaat er een groot leeftijdsverschil tussen hen en de verdachte, maar ook een afhankelijkheidsrelatie. De verdachte was namelijk hun drugsdealer. Daarvan heeft hij misbruik gemaakt op momenten dat zij alleen in zijn woning waren. De verdachte heeft [slachtoffer C] , die nog geen zestien jaar was, een hele avond en nacht misbruikt door bij haar op verschillende manieren en herhaaldelijk op grove wijze seksueel binnen te dringen. Terwijl zij nota bene meermalen woordelijk en fysiek heeft aangegeven dat zij het niet wilde. Ook heeft de verdachte [slachtoffer D] in zijn woning aangerand. Hieraan is slechts een einde gekomen doordat [getuige B] op de voordeur klopte. Ook buitenshuis heeft de verdachte seksueel onacceptabel gedrag vertoond door met de penis in de hand tegen [getuige B] te zeggen dat zij hem moest pijpen. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de kwetsbare en jonge slachtoffers. De verdachte heeft zich hier geen enkele rekenschap van gegeven en heeft slechts oog gehad voor zijn eigen seksuele gevoelens.

De verdachte heeft zich verder schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en bedreiging door met een mes te zwaaien. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer A] . Voor zowel [slachtoffer A] als [slachtoffer B] is het een bedreigende en beangstigende situatie geweest. Bovendien leiden deze feiten tot gevoelens van onrust in de maatschappij, temeer nu het op klaarlichte dag en in het openbaar heeft plaatsgevonden.

De impact van deze strafbare feiten blijkt ook uit de slachtofferverklaringen die op zitting zijn voorgelezen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

Persoon van de verdachte

Strafrechtelijk verleden

Uit de justitiële documentatie (het strafblad) van de verdachte van 16 september 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Ambulante Pro Justitia rapportages

De verdachte is in oktober 2023 ambulant onderzocht door R.L. Paris (GZ-psycholoog) en J. van der Meer (psychiater). Beide deskundigen constateren dat sprake is van een stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol. Zij konden echter geen (verdere) conclusies trekken op het gebied van diagnostiek en dus ook geen uitspraak doen over een mogelijke doorwerking en de kans op recidive. Beide deskundigen adviseerden de verdachte te laten observeren in het Pieter Baan Centrum (PBC), ondanks dat ook daar een aantal onderzoeksbeperkingen blijven bestaan.

PBC-rapportage

De rechtbank heeft op 8 december 2025 de vordering observatie PBC toegewezen, waarna de verdachte in het PBC is geobserveerd. Naar aanleiding hiervan hebben de deskundigen verbonden aan het PBC, B.E.W. Nieuwenhuizen (GZ-psycholoog) en I. van Outheusden (psychiater), op 15 juni 2026 een Pro Justitia-rapportage (PBC-rapportage) uitgebracht. De conclusies van deze deskundigen luiden – zakelijk en samengevat weergegeven – dat bij de verdachte sprake is van ernstige stoornissen in het gebruik van alcohol en cannabis. Er bestaat een sterk vermoeden van een dysfoor-manische psychose bij een bipolaire stoornis dan wel een drugspsychose, naast een aan trauma gerelateerde stoornis, waarbij de stoornissen op complexe wijze met elkaar samenhangen. Bij een bewezenverklaring kan het niet anders dan dat de stoornis(sen) van de verdachte heeft/hebben doorgewerkt in zijn gedragingen. Ook is sprake van een hoog risico op herhaling. Het recidiverisico kan naar verwachting alleen substantieel worden verlaagd met een intensieve psychiatrische, verslavings- en traumabehandeling. De kans op succes van een ambulante behandeling wordt door de deskundigen als zeer laag, zo niet nihil, ingeschat. Een klinische opname is daarom noodzakelijk voor deze complexe problematiek. De verwachting is dat de tijd die hiermee zal zijn gemoeid, substantieel zal zijn. Zelfs bij een gunstig en ongecompliceerd beloop moet worden gedacht aan minstens een halfjaar tot een jaar voordat verantwoord aan verlofbewegingen zou kunnen worden begonnen. Het totale behandel- en resocialisatieproces zal nog (veel) langer duren. Ook na succesvolle behandeling, inclusief resocialisatiefase, is (mogelijk langdurig) toezicht nodig om te voorkomen dat de verdachte terugvalt in het gebruik van middelen met risico’s op hernieuwde psychiatrische instabiliteit.

Ook al is er in de actuele situatie geen sprake van een psychiatrisch toestandsbeeld bij de verdachte en heeft hij laten weten mee te willen werken aan behandeling indien dat nood­

zakelijk wordt geacht, vormt het ontbreken van ziektebesef en intrinsieke behandelmotivatie

een belangrijke beperking. Hierdoor achten de deskundigen een tbs-maatregel met voorwaarden ontoereikend. Het kader zal dus een meer verplichtend dan wel gedwongen karakter moeten hebben. Een zorgmachtiging wordt, zowel wat betreft duur als aard van de problematiek, als volstrekt ontoereikend beoordeeld om het gewenste forensische risicomanagement te kunnen bieden. Hierdoor blijft er niets anders over dan een tbs-maatregel met dwangverpleging om de benodigde intensieve en langdurige behandeling te kunnen bieden die kan leiden tot een zodanige afname van het recidiverisico dat een resocialisatietraject verantwoord en veilig zou kunnen worden vormgegeven. Daarom adviseren de deskundigen bij een bewezenverklaring een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen.

Op de zitting van 28 september 2026 hebben deze deskundigen hun conclusies en adviezen nader toegelicht en hebben zij deze gehandhaafd. De psychiater heeft toegelicht dat het geen exacte wetenschap betreft en daarom is in de rapportage bij de diagnose van de bipolaire stoornis een kleine slag om de arm gehouden. Volgens de psychiater blijft de verdachte met deze stoornis(sen) levenslang kwetsbaar voor ontregeling, waarbij het zonder behandeling bijna zeker is dat de ontregeling opnieuw plaats zal vinden, wat tot strafbaar gedrag kan leiden. Het is dan enkel de vraag wanneer. De psychiater acht een minder gereguleerd kader dan de tbs-maatregel met dwangverpleging niet verantwoord.

Reclasseringsrapport

De rechtbank volstaat tot slot met bespreking van het reclasseringsrapport van 14 september 2026 dat is uitgebracht ná de PBC-rapportage. De reclassering gaat uit van de medische bevindingen en conclusies van de deskundigen die de PBC-rapportage hebben opgesteld en concludeert dat deze deskundigen en ook de reclassering constateren dat de verdachte geen enkel besef heeft van enige stoornis en dat intrinsieke motivatie voor behandeling ontbreekt.

De reclassering schat het recidiverisico, vanwege de geconstateerde stoornis(sen), het ontbreken van probleem- en ziekte-inzicht, de hoge kans op een terugval in middelengebruik en het ontbreken van een sociaal vangnet, hoog in. Dit maakt een stevig behandelkader noodzakelijk voor een goede re-integratie in de maatschappij.

Het risico op het onttrekken aan voorwaarden wordt ook ingeschat als hoog. Eerdere werkstraffen (2020) en een opdracht voor het uitbrengen van een reclasseringsadvies (2024) zijn geretourneerd. In detentie is sprake van rapporten en/of meldingen vanwege het door de verdachte verstoren van de orde, rust en veiligheid. De noodzaak tot behandeling ziet de verdachte niet, en zijn instemming met een (klinische) behandeling is alleen gericht op het voorkomen van de maatregel tbs met dwangverpleging.

De reclassering adviseert daarom negatief over reclasseringstoezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden. Zij zien geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Ook wordt geen meerwaarde ingezien van nader onderzoek naar de mogelijkheid tot oplegging van de maatregel tbs met voorwaarden.

Redelijke termijn

In artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in verband met de bewezen verklaarde feiten in voorlopige hechtenis heeft verkeerd, te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van zodanige bijzondere omstandigheden is in deze zaak niet gebleken.

De rechtbank is van oordeel dat deze termijn is aangevangen op 13 januari 2025, omdat de verdachte op die datum in verzekering is gesteld voor zaak A. Het eindvonnis wordt op 12 oktober 2026 gewezen. De rechtbank stelt de duur van de overschrijding van de redelijke termijn daarom vast op vijf maanden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door strafvermindering.

De op te leggen straf

Voor het bepalen van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank acht gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten geen andere straf dan een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats.

De rechtbank is van oordeel dat in beginsel, conform de eis van de officier van justitie, een vrijheidsbenemende straf van 36 maanden moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank volgt de officier van justitie daarbij in het standpunt dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend, nu er volgens de deskundigen uit de PBC-rapportages sprake moet zijn geweest van de doorwerking van zijn stoornis(sen) op de delicten. Ook houdt de rechtbank – zoals hierna zal worden overwogen – rekening met de noodzaak tot behandeling van de verdachte in het kader van een tbs-maatregel. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank de duur van de op te leggen gevangenisstraf verminderen met twee maanden.

Alles afwegend, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

Motivering van de maatregel

Vervolgens ligt de vraag ter beantwoording voor of – ter bescherming van de maatschappij – een tbs-maatregel met dwangverpleging aangewezen is.

Hetgeen de verdediging in dit verband naar voren heeft gebracht komt er in de kern op neer dat niet tbs met dwangverpleging, maar tbs met voorwaarden de aangewezen maatregel voor de verdachte is. Zo wordt onder meer aangevoerd dat zijn verslavingsproblematiek ook met een klinische opname in het kader van tbs met voorwaarden kan worden aangepakt. De verdachte zou bovendien nu wel gemotiveerd zijn om zijn problematiek aan te pakken. Daarnaast wijst de verdediging op de mogelijkheid tot het ondervangen van een bipolaire stoornis met medicatie en op de lange wachtlijst voor tbs met dwangverpleging. De verdediging verzoekt in dat kader het onderzoek te heropenen, zodat een maatregelenrapport kan worden opgesteld, waarbij de suggestie aan de rechtbank wordt gedaan eventueel een tussenbeslissing te nemen waarbij de beslissing op de maatregel wordt uitgesteld.

De rechtbank is van oordeel dat uit de PBC-rapportage en uit hetgeen de deskundigen ter terechtzitting hebben verklaard, ondubbelzinnig volgt dat een minder ingrijpend kader, zoals tbs met voorwaarden, geen passende of adequate maatregel voor de verdachte is. Volgens de deskundigen is er vanwege de complexe problematiek van de verdachte en de wisselwerking van de verschillende stoornissen sprake van een hoog recidivegevaar, dat naar verwachting alleen substantieel kan worden verlaagd met een intensieve psychiatrische, verslavings- en traumabehandeling. Zoals de deskundigen ter terechtzitting hebben toegelicht lijkt de verdachte door zijn detentie te stabiliseren, maar is het (zonder behandeling) niet de vraag of, maar wanneer de verdachte weer zal ontregelen. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze analyse, en betrekt daarbij dat alle door de verdediging aangehaalde argumenten, waaronder de (on)mogelijkheid van een minder ingrijpend kader, juist worden weersproken door de inhoud van de PBC-rapportage en de toelichting daarop ter terechtzitting. Dit maakt dat naar het oordeel van de rechtbank alleen tbs met dwangverpleging de benodigde garanties biedt qua beveiliging, intensiteit, effectiviteit en duur van de behandeling.

De rechtbank stelt vast dat aan alle voorwaarden voor oplegging van tbs met dwangverpleging is voldaan. Uit de conclusies en adviezen van de deskundigen blijkt dat ten tijde van het plegen van alle bewezen verklaarde feiten bij de verdachte een of meerdere ziekelijke stoornis(sen) van de geestvermogens, als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, Sr, bestond. Voornoemde feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

Gelet op de ernst van en de omstandigheden waaronder deze feiten hebben plaatsgevonden, vereist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd. De rechtbank zal daarom overgaan tot de oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging.

De bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven die gericht zijn tegen dan wel gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat een termijn van de tbs-maatregel met dwangverpleging niet is beperkt tot vier jaren.

Afwijzing verzoek heropening onderzoek

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet noodzakelijk is een onderzoek naar de mogelijkheid van tbs-maatregel met voorwaarden te gelasten. Het verzoek tot heropening van het onderzoek om de reclassering een maatregelenrapport te laten opmaken wordt daarom afgewezen.

Contactverbod als maatregel

[slachtoffer D] en [slachtoffer C] hebben via hun advocaat verzocht om aan de verdachte een contactverbod op te leggen. De officier van justitie heeft dat contactverbod gevorderd als een maatregel in de zin van artikel 38v Sr.

De rechtbank heeft begrip voor de gevoelens van de slachtoffers [slachtoffer C] en [slachtoffer D] vanwege de hiervoor bewezen verklaarde feiten. De rechtbank kan dit contactverbod echter alleen opleggen als dit noodzakelijk is ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. Gelet op de langdurige gevangenisstraf en de tbs-maatregel met dwangverpleging die aan de verdachte worden opgelegd, wordt aan deze voorwaarde niet voldaan. De rechtbank zal daarom geen contactverbod in de zin van artikel 38v Sr opleggen.

7. Vordering benadeelde partij [slachtoffer A] (zaak A, feit 1)

Namens de benadeelde partij [slachtoffer A] , wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder

[naam A] , heeft mr. B. Roodveldt een vordering tot schadevergoeding van

€ 12.625,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die [slachtoffer A] als gevolg van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade van € 125,- betreft kledingschade. De gestelde immateriële schade bedraagt € 12.500,- en wordt gevorderd wegens de snee in zijn scheenbeen met zenuwpijn en een ontsierend litteken tot gevolg. Ook is gesteld dat [slachtoffer A] psychische gevolgen (PTSS) heeft opgelopen door het handelen van de verdachte.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer A] geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de gevorderde materiële schade geen verweer gevoerd. Voor de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat een lager bedrag zou moeten worden vastgesteld. Dit vanwege het gebrek aan onderbouwing van het zenuwletsel en de (mindere) ernst van de psychische klachten en van het litteken. Daarbij heeft de verdediging verwezen naar de wat hen betreft toepasselijke bedragen zoals opgenomen in de zogenoemde Rotterdamse schaal.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De rechtbank acht genoegzaam gebleken dat de kleding die [slachtoffer A] ten tijde van het bewezenverklaarde droeg onbruikbaar is geraakt omdat deze bebloed en gescheurd is. De verdediging heeft dit niet betwist. De vordering voor de materiële schade zal dus worden toegewezen tot een bedrag van € 125,-.

Immateriële schade

In dit geval staat vast dat [slachtoffer A] lichamelijk letsel heeft opgelopen door het gepleegde strafbare feit, namelijk een forse snijwond van 12 cm in zijn scheenbeen. Anders dan de verdediging stelt, volgt uit het specialistenbericht van 8 december 2025 een PTSS diagnose waarbij traumagerelateerde klachten blijven bestaan maar dat [slachtoffer A] deze klachten niet belemmerend genoeg vindt om de EMDR-behandeling voort te zetten. Ook is, zo blijkt uit de overgelegde foto, sprake van een duidelijk zichtbaar en ook ontsierend litteken. Daar doet niet aan af dat dit met een lange broek kan worden bedekt. De rechtbank zal daarom overgaan tot het toekennen van een vergoeding van immateriële schade, begroot naar billijkheid. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken worden toegewezen en op de Rotterdamse schaal, in het bijzonder op paragraaf 10, categorie c ‘minder ernstig littekenvorming’, paragraaf 13, categorie a ‘herstelperiode van ongeveer vier tot zes maanden’ en b ‘herstelperiode van ongeveer twee tot vier maanden’, en paragraaf 14.2, categorie d ‘minder ernstig’. De rechtbank stelt de schadevergoeding echter lager vast dan gevorderd, omdat de zenuwpijn niet is onderbouwd en dus niet is gebleken dat sprake is van letsel in de zin van paragraaf 5 van genoemde schaal. In plaats daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op paragraaf 13 die ziet op licht letsel met restloos herstel (met uitzondering van ontsierende littekens). Naar het oordeel van de rechtbank is verder sprake van één duidelijk zichtbaar litteken. De rechtbank acht, alles afwegend, een bedrag van € 5.000,- billijk. Daarom wijst de rechtbank de vordering van de immateriële schade tot dat bedrag toe. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die [slachtoffer A] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

In het resterende deel van de vordering zal [slachtoffer A] niet-ontvankelijk worden verklaard.

8. Vordering benadeelde partij [slachtoffer B] (zaak A, feit 2)

Namens de benadeelde partij [slachtoffer B] , wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder [naam C] , heeft mr. B. Roodveldt een vordering tot schadevergoeding van € 5.431,29 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die [slachtoffer B] als gevolg van het in zaak A onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde materiële schade van € 3.931,29 betreft een camerasysteem voor de kinderopvang van moeder die aan huis is gevestigd. De gestelde immateriële schade bedraagt € 1.500,- en wordt gevorderd wegens de psychische gevolgen die [slachtoffer B] door het handelen van de verdachte zou hebben opgelopen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer B] geheel kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging betwist dat de gevorderde materiële schade in rechtstreeks verband staat tot het bewezenverklaarde. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging geen standpunt ingenomen, maar de rechtbank verzocht deze kritisch te beoordelen.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde materiële schade niet een rechtstreeks gevolg is van het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde feit in de zin van artikel 51f , eerste lid, en artikel 361 lid 2 onder b Sv. Het camerasysteem is aangeschaft voor de kinderopvang van moeder die aan huis is gevestigd. De rechtbank ziet hierin onvoldoende rechtstreeks verband tot het bewezen verklaarde feit. Daarom zal de vordering voor zover die ziet op de materiële schade worden afgewezen.

Immateriële schade

[slachtoffer B] maakt ook aanspraak op vergoeding van immateriële schade voor aantasting op andere wijze in persoon in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer B] door de verdachte is bedreigd met een mes. [slachtoffer B] heeft, zo blijkt uit de toelichting op de vordering, paniek tijdens zijn werk als kok wanneer collega’s met een mes langs hem lopen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer B] . Gelet op de aard en ernst van de normschending en de beschreven gevolgen daarvan voor [slachtoffer B] , is de rechtbank van oordeel dat ook zonder nadere concrete onderbouwing zonder meer kan worden aangenomen dat [slachtoffer B] door het strafbare feit in de persoon is aangetast. De rechtbank ziet daarom aanleiding een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen.

De verdediging heeft het gevorderde bedrag ter hoogte van € 1.500,- als vergoeding van de geleden immateriële schade niet betwist. De rechtbank acht toewijzing van dit bedrag billijk. De gevorderde vergoeding voor de immateriële schade zal daarom volledig worden toegewezen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die [slachtoffer B] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

9. Vordering benadeelde partij [slachtoffer C] (zaak B, feit 1)

Namens de benadeelde partij [slachtoffer C] heeft mr. A.L. Louwerse een vordering tot schadevergoeding van € 14.000,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die [slachtoffer C] als gevolg van het in zaak B onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde immateriële schade bedraagt € 12.500,- en wordt gevorderd wegens de psychische gevolgen die [slachtoffer C] door het handelen van de verdachte zou hebben opgelopen. Daarnaast wordt toekomstige (materiële en/of immateriële) schade gevorderd voor een bedrag van € 1.500,-.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer C] met uitzondering van de toekomstige schade kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

Voor de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat een lager bedrag zou moeten worden vastgesteld. Dit vanwege het gebrek aan onderbouwing van de psychische klachten. Volgens de verdediging moet worden aangesloten bij de onderzijde van paragraaf 15.2, categorie B ‘ernstig’ van de Rotterdamse schaal (€ 6.000,-). Ten aanzien van de toekomstige schade dient [slachtoffer C] in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Immateriële schade

[slachtoffer C] maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade voor aantasting op andere wijze in persoon in de zin van artikel 6:106 BW. Het juridisch kader hiervoor is reeds uiteengezet onder 8.3.

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer C] op vijftien jarige leeftijd is blootgesteld aan ontuchtige handelingen door de verdachte bestaande uit het op diverse manieren seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer C] . Hiermee heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van [slachtoffer C] . Gelet op de aard en ernst van de normschending en de beschreven gevolgen daarvan voor [slachtoffer C] , is de rechtbank van oordeel dat ook zonder nadere concrete onderbouwing zonder meer kan worden aangenomen dat [slachtoffer C] door het strafbare feit in de persoon is aangetast. De rechtbank ziet daarom aanleiding een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen.

Bij het bepalen van de hoogte van de toe te wijzen schadevergoeding heeft de rechtbank gekeken naar de aard en ernst van de bewezen verklaarde ontuchtige handelingen, alsmede de duur en frequentie van het seksueel binnendringen in die periode, de afhankelijkheidsrelatie tussen [slachtoffer C] en de verdachte, de jonge leeftijd van [slachtoffer C] , haar kwetsbaarheid en het leeftijdsverschil met de verdachte. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken worden toegewezen en op genoemde Rotterdamse schaal. In die schaal heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij paragraaf 15.2, categorie B ‘ernstig’, met een bijbehorende bandbreedte van

€ 6.000,- tot € 12.500,-.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding van € 10.000,- billijk is. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 september 2023 (de laatste dag van de bewezen verklaarde periode waarin het schade toe brengende feit heeft plaatsgevonden) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

In het resterende deel van de vordering tot immateriële schade zal [slachtoffer C] niet-ontvankelijk worden verklaard.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die [slachtoffer C] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

Toekomstige schade

[slachtoffer C] heeft onvoldoende gesteld waaruit de toekomstige schade bestaat als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal [slachtoffer C] in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

10. Vordering benadeelde partij [slachtoffer D] (zaak B, feit 2)

Namens de benadeelde partij [slachtoffer D] heeft mr. A.L. Louwerse een vordering tot schadevergoeding van € 4.000,- ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die [slachtoffer D] als gevolg van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gestelde immateriële schade bedraagt € 2.500,- en wordt gevorderd wegens de psychische gevolgen die [slachtoffer D] door het handelen van de verdachte zou hebben opgelopen. Daarnaast wordt toekomstige (materiële en/of immateriële) schade gevorderd voor een bedrag van € 1.500,-.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer D] met uitzondering van de toekomstige schade kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat een lager bedrag moet worden vastgesteld. Dit vanwege het gebrek aan onderbouwing van de psychische klachten. Volgens de verdediging moet worden aangesloten bij paragraaf 15.3, categorie c ‘tamelijk ernstig’ althans aan de onderzijde van categorie b ‘ernstig’ van de Rotterdamse schaal (€ 1.000,-). Ten aanzien van de toekomstige schade dient [slachtoffer D] in de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Immateriële schade

[slachtoffer D] maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade voor aantasting op andere wijze in persoon in de zin van artikel 6:106 BW. Uit de brief van [gz-psycholoog] van 31 mei 2024 die bij het verzoek tot schadevergoeding is gevoegd, volgt dat [slachtoffer D] behandeld is voor haar psychische klachten die zij zou hebben geleden door het strafbare feit. De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer D] met die brief voldoende heeft onderbouwd dat zij als gevolg van het handelen van de verdachte geestelijk letsel heeft opgelopen, zodat de grondslag voor vergoeding van immateriële schade en het causale verband zijn gegeven.

Bij het bepalen van de hoogte van de toe te wijzen schadevergoeding heeft de rechtbank gekeken naar de aard en ernst van de bewezen verklaarde aanranding, alsmede de handelswijze van de verdachte en de locatie van de aanranding, de afhankelijkheidsrelatie tussen [slachtoffer D] en de verdachte, de jonge leeftijd en kwetsbaarheid van [slachtoffer D] en het leeftijdsverschil met de verdachte. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken worden toegewezen en op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. In die schaal heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij paragraaf 15.3, categorie b ‘ernstig’, met een bijbehorende bandbreedte van € 1.000,- tot € 5.000,-.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding van € 2.500,- billijk is. De gevorderde vergoeding voor de immateriële schade zal daarom volledig worden toegewezen. Het bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf [1 oktober 2023] (de laatste dag van de bewezen verklaarde periode waarin het schade toe brengende feit heeft plaatsgevonden) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die [slachtoffer D] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.

Toekomstige schade

[slachtoffer D] heeft onvoldoende gesteld waaruit de toekomstige schade bestaat als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

11. Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet verder aanleiding om in het belang van alle voornoemde benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel, als bedoeld in artikel 36f Sr, aan de verdachte op te leggen.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 37a, 37b, 45, 56, 57, 239 (oud) 245 (oud), 246 (oud), 285, 302 Sr.

13. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de in zaak A onder 1 primair en 2 en in zaak B onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 (vierendertig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer A]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 5.125,- (zegge: vijfduizend honderdenvijfentwintig euro), bestaande uit € 125,- (zegge: honderdenvijfentwintig euro) als vergoeding voor de materiële en € 5.000,- (zegge: vijfduizend) als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan

[slachtoffer A] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer

[slachtoffer A] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.125,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer B]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 1.500,- (zegge: vijftienhonderd euro), bestaande uit vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 12 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer B] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer B] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer C]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 10.000,- (zegge: tienduizend euro), bestaande uit vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer C] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer

[slachtoffer C] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 75 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 september 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer D]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 2.500,- (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro), bestaande uit

vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf [1 oktober 2023] tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer D] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer D] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf [1 oktober 2023] tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.E. Francke, voorzitter,

mr. P.A. Hesselink en mr. P.E.A. Chao, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. M.H.A. Sluiter en mr. T. Pomper

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 oktober 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

Zaak A

feit 1

primair

hij op of omstreeks 12 januari 2025 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer A] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het (onder)been, althans in het lichaam, van [slachtoffer A] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 12 januari 2025 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer

[slachtoffer A] heeft mishandeld door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het (onder)been, althans in het lichaam, van [slachtoffer A] te steken en/of te snijden, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond in het (onder)been, ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 12 januari 2025 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer

[slachtoffer A] heeft mishandeld door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het (onder)been, althans in het lichaam, van [slachtoffer A] te steken en/of te snijden;

feit 2

hij op of omstreeks 12 januari 2025 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer

[slachtoffer B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, te tonen en/of met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de richting van [slachtoffer B] te bewegen;

Zaak B

feit 1

hij in of omstreeks de periode van 17 september 2023 tot en met 18 september 2023 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, met [slachtoffer C] , geboren op [geboortedatum C] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,

een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer C] , te weten:

- zijn penis in de mond en/of anus en/of vagina van [slachtoffer C] te steken

en/of

- zijn vinger(s) in de anus en/of vagina van [slachtoffer C] te steken;

feit 2

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2023 tot en met 31 september 2023 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer D] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten:

- het (boven de kleren) in de borst van [slachtoffer D] te knijpen en/of

- zijn tong in de mond van [slachtoffer D] te steken

en bestaande dat geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of

een andere feitelijkheid hieruit dat hij, verdachte,

- [slachtoffer D] op haar rug op de bank heeft geduwd om vervolgens op haar te

liggen/leunen en/of

- zeer plotseling en/of onverhoeds zijn tong in de mond van [slachtoffer D] heeft

gestoken en/of

- ( vervolgens) zeer plotseling en/of onverhoeds in de borst van [slachtoffer D] heeft

geknepen;

feit 3

hij op of omstreeks 9 mei 2024 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer de eerbaarheid heeft geschonden op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten aan de [A-straat] , door zijn broek naar beneden te laten zakken, waarna hij zijn penis vastpakt en zijn penis liet zien en daarbij roept: "Pijp me dan".

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand