RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/103643-26 (P)
Uitspraakdatum: 15 oktober 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 1 oktober 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres],
nu gedetineerd in PI Alphen aan den Rijn.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. J.J. Prins en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. I.J.K. van der Meer, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1hij op of omstreeks 7 april 2026 te Velsen-Noord, gemeente Velsen een of meerdere wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten- een vuurwapen, van het merk Sterling, type MKII mod400, kaliber .380/9mmx17, en/of- een vuurwapen, van het merk Umarex, type Colt Double Eagle,zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 2 patronen van het kaliber.380/9mmx17 voorhanden heeft gehad;
2hij op of omstreeks 7 april 2026 te Velsen-Noord, gemeente Velsen [zijn vader] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een vuurwapen, althans een vuurwapen gelijkend voorwerp, op [zijn vader] te richten en [zijn vader] dreigend de woorden toe te voegen "ik schiet je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De verdachte is een kwetsbare verdachte in de zin van artikel 28b, eerste lid, Sv. Voorafgaande aan het eerste verhoor is de verdachte niet in de gelegenheid gesteld om zich door een advocaat over de gevolgen van het afstand doen van zijn recht op rechtsbijstand te laten inlichten. Dit terwijl een kwetsbare verdachte alleen afstand kan doen van het recht op rechtsbijstand nadat hij door een advocaat over de consequenties daarvan is geïnformeerd. Daarom moet de eerste verklaring die de verdachte heeft afgelegd, van het bewijs worden uitgesloten. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat dit tot strafvermindering moet leiden.
Verder heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging. Alleen de buren hebben de bedreigende teksten gehoord en uit het dossier volgt onvoldoende dat de verdachte de uitlatingen gericht zou hebben uitgesproken tegen zijn vader.
Oordeel van de rechtbank
Vormverzuim: bijstand advocaat
De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 7 april 2026 om 00:50 uur is aangehouden, om 01.11 uur is voorgeleid voor de hulpofficier van justitie en om 11:00 uur is verhoord. Bij zijn aanhouding en voorgeleiding is aan de verdachte medegedeeld dat hij recht heeft op consultatie- en verhoorbijstand door een advocaat, dat hij daarvan afstand kan doen, dat het doen van afstand nadelige gevolgen kan hebben en dat hij altijd kan terugkomen op zijn beslissing. De verdachte heeft verklaard geen gebruik te willen maken van consultatie- en verhoorbijstand door een advocaat. Aan de verdachte is bij zijn verhoor nogmaals door de verbalisanten meegedeeld dat hij recht heeft op verhoorbijstand, maar de verdachte verklaarde hierop geen gebruik te willen maken van verhoorbijstand van een advocaat. Vervolgens is de verdachte nogmaals geïnformeerd dat het doen van afstand nadelige gevolgen kan hebben en dat hij altijd terug kan komen op zijn beslissing. Op de vragen die hem daarna zijn gesteld, heeft de verdachte meermaals verwarde antwoorden gegeven, waarbij hij onder meer aangeeft dat hij zich suïcidaal voelt en vraagt of ze hem geen euthanasie pilletje kunnen geven. Ook observeren de verbalisanten dat de verdachte een onrustige indruk maakt, meermaals gaat staan en heen en weer beweegt. Verder is bij de melding van het incident op 7 april 2026 aangegeven dat de verdachte mogelijk in een psychose zou zitten, en stond in de politiesystemen een aandachtsvestiging van 14 februari 2026 geregistreerd dat de verdachte toenemend psychotisch gedrag vertoont, wordt begeleid door Fivoor en dat bij incidenten de Crisisdient moet worden benaderd om de verdachte te beoordelen.
Gezien deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ten tijde van het verhoor zodanig ontregeld was dat de verhorende verbalisanten hem als een kwetsbare verdachte hadden moeten aanmerken. Nu sprake was van een kwetsbare verdachte, van wie aangenomen moet worden dat hij de gevolgen van zijn beslissing om zonder raadsman te worden verhoord door de politie onvoldoende kon overzien en niet in staat was zijn wil te bepalen, was de afstand van het recht op rechtsbijstand voorafgaand en tijdens zijn verhoor niet rechtsgeldig. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.
Bij de beoordeling of, en zo ja welk gevolg aan dit vormverzuim verbonden moet worden, houdt de rechtbank rekening met het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt.
Geschonden belang
Artikel 28b Sv is ingevoerd als onderdeel van de Nederlandse implementatiewetgeving van Richtlijn 2013/48/EU. Blijkens de preambule is deze Richtlijn een nadere uitwerking van het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde recht op een eerlijk proces. Indien sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, in de zin dat een verdachte te kennen heeft gegeven afstand te doen van het recht op rechtsbijstand maar die afstand niet rechtsgeldig is omdat hij als gevolg van zijn kwetsbaarheid niet in staat was zijn wil te bepalen, zal dat verzuim daarom in de regel leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen die de verdachte zonder rechtsbijstand heeft afgelegd tijdens het eerste politieverhoor. Dat rechtsgevolg hoeft echter niet noodzakelijkerwijs aan het vormverzuim te worden verbonden als bewijsuitsluiting niet nodig is ter verzekering van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Ernst van het verzuim
Het geschonden voorschrift strekt ter bescherming van het recht op een eerlijk proces. Schending van dit voorschrift kan dan ook in beginsel als een ernstig verzuim worden aangemerkt.
Nadeel
In het betreffende politieverhoor heeft de verdachte ontkend zijn vader te hebben bedreigd met een vuurwapen. Evenmin heeft de verdachte in dat verhoor bevestigd dat hij de in de tenlastelegging opgenomen woordelijke bedreiging heeft geuit. Het had op de weg van de verdediging gelegen om het nadeel van het geschonden vormvoorschrift nader te concretiseren.
Conclusie
De rechtbank heeft de verklaring die de verdachte tijdens het politieverhoor heeft afgelegd, niet voor het bewijs gebruikt en ziet geen aanleiding tot strafvermindering als rechtsgevolg vanwege het geconstateerde vormverzuim. Door de rechtbank wordt in strafverminderende zin rekening gehouden met de kwetsbaarheid van de verdachte. Bij deze stand van zaken is er naar het oordeel van de rechtbank, de procedure als geheel overziend, geen schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsmotivering bedreiging (feit 2)
De buren van de verdachte hebben gehoord dat de verdachte zijn vader bedreigde door onder meer te schreeuwen “Ik schiet je dood” en “ik schiet je voor je kop”. Wanneer de politie bij de woning aankomt, verklaart de vader dat hij en de verdachte ruzie hadden en dat de verdachte zojuist een vuurwapen op hem had gericht. De politie hoort de verdachte vervolgens vanaf de bovenverdieping schreeuwen “Je hebt er maar eentje nodig en dan is het klaar”. Bij de doorzoeking van de slaapkamer van de verdachte heeft de politie twee vuurwapens aangetroffen. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat er tussen hem en zijn vader een woordenwisseling was.
Onder die omstandigheden, in samenhang bezien, kan de conclusie naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de bedreiging van de verdachte gericht is geweest tegen zijn vader, dat de vader ook daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van die bedreiging en dat de verdachte daartoe ook het opzet heeft gehad. Daarnaast kon die geuite bedreiging in combinatie met het richten van een vuurwapen in redelijkheid ook de vrees bij de vader doen ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1 hij op 7 april 2026 te Velsen-Noord, gemeente Velsen wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten- een vuurwapen, van het merk Sterling, type MKII mod400, kaliber .380/9mmx17, en- een vuurwapen, van het merk Umarex, type Colt Double Eagle,zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 2 patronen van het kaliber.380/9mmx17 voorhanden heeft gehad;
Feit 2 hij op 7 april 2026 te Velsen-Noord, gemeente Velsen [zijn vader] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een vuurwapen op [zijn vader] te richten en [zijn vader] dreigend de woorden toe te voegen "ik schiet je dood".
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
Feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezen verklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, alsmede een locatieverbod voor de [A-straat] in Velsen-Noord en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Verder heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het door de politie toegepaste geweld tijdens de aanhouding van de verdachte niet buitensporig is geweest.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat tijdens de aanhouding van de verdachte disproportioneel geweld is gebruikt waarbij de verdachte, terwijl hij al op de grond lag, een vuistslag in zijn gezicht heeft gekregen. Hierdoor heeft de verdachte letsel opgelopen. De raadsvrouw heeft betoogd dat dit een vormverzuim betreft als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, Sv, waarmee in de strafmaat rekening moet worden gehouden.
Verder heeft de raadsvrouw verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, alsmede met de omstandigheid dat de verdachte de wapens enkel hield voor hobbymatige activiteiten, zoals het uit elkaar halen en in elkaar zetten van de wapens.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het met een vuurwapen bedreigen van zijn vader. Dit moet voor zijn vader erg beangstigend zijn geweest en het had heel anders kunnen aflopen. Het gebruik van een vuurwapen is op zichzelf al levensgevaarlijk, laat staan nu de verdachte onder invloed van drugs was en hij het wapen op zijn vader richtte. De rechtbank acht de gedragingen van de verdachte zeer kwalijk, in het bijzonder omdat de bedreiging plaatsvond in het huis van zijn vader, de plek waar zijn vader zich veilig had moeten voelen. Daarbij heeft de verdachte het vertrouwen van zijn vader, die de verdachte tijdelijk bij hem thuis liet wonen omdat er geen passende plek voor hem was, beschaamd. Daarnaast heeft de verdachte twee vuurwapens en munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerd voorhanden hebben van vuurwapens levert in de maatschappij een onaanvaardbaar risico en gevoelens van onveiligheid op. Niet zelden leidt het bezit of het voorhanden hebben van een vuurwapen tot het daadwerkelijke gebruik daarvan, zoals ook in deze zaak het geval is geweest.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 8 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank neemt dit strafverzwarend mee.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 24 november 2026. Daaruit leidt de rechtbank af dat bij de verdachte meervoudige problematiek speelt, dat hij zorg en hulp op diverse gebieden nodig heeft, en dat het vinden van een passende plek voor hem zeer gecompliceerd is. De reclassering schat het recidiverisico als hoog in en ziet onder meer het middelengebruik en het psychosociaal functioneren van de verdachte als delictgerelateerde factoren. De reclassering heeft geadviseerd een (gedeeltelijk) voorwaardelijk straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, opneming in een zorginstelling, ambulante behandeling met de mogelijkheid van een kortdurende opname en het meewerken aan controles ter beheersing van het middelengebruik. Ook heeft de reclassering geadviseerd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
Vormverzuim: de aanhouding van de verdachte
Uit het dossier volgt dat de vader van de verdachte ter plaatse aan de politie heeft verklaard dat de verdachte zojuist een vuurwapen op hem had gericht en dat de verdachte op de bovenverdieping was. Op aanwijzing van de politie komt de verdachte naar beneden en loopt hij vervolgens naar buiten de voortuin in. In de voortuin vermaant een verbalisant hem te blijven staan, maar de verdachte zegt “nee ik ga” en hij loopt met versnelde pas de [A-straat] op. Een verbalisant rent achter hem aan en houdt hem tegen door zijn arm vast te pakken en hem tegen de grond te werken, maar daar begint de verdachte zich hevig tegen te verzetten. Meerdere verbalisanten proberen hem onder controle te krijgen en meermaals wordt de verdachte gewaarschuwd dat als hij zich zou blijven verzetten er geweld gebruikt zou worden. De verdachte blijft zich met kracht verzetten. Hierdoor krijgen de verbalisanten hem niet (volledig) onder controle, waarop een verbalisant de verdachte twee vuistslagen in het gezicht geeft. Daardoor heeft de verdachte gering letsel opgelopen.
Gelet op de omstandigheden dat het mogelijk zou gaan om een psychotische verdachte met een vuurwapen, dat de verdachte zich met kracht is blijven verzetten en dat de verdachte meermaals was gewaarschuwd, is het toegepaste geweld naar het oordeel van de rechtbank niet als disproportioneel aan te merken. Van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv is dan ook geen sprake. Dit verweer wordt verworpen.
De op te leggen straf
De aard en ernst van de gepleegde feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank zonder meer de oplegging van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), alsmede op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel van belang om herhaling van strafbare feiten te voorkomen. Aan de voorwaardelijke straf zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden met daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank in het dossier en in hetgeen ter zitting is besproken onvoldoende aanleiding om een locatieverbod aan de verdachte op te leggen.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechtbank dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 14a, 14b, 14c, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
artikel 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
Meldplicht bij reclassering
- de verdachte zich zal melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste meldplichtafspraak meldt de verdachte zich binnen vijf dagen bij GGZ Reclassering Fivoor op de Zijlweg 148C 2015 BJ in Haarlem.
Opneming in een zorginstelling
- de verdachte zich zal laten opnemen in en behandelen door een nader te bepalen zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie, zolang als de reclassering nodig vindt. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en
zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, woonoverlast en/of andere problematiek. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
Ambulante behandeling
- de verdachte zich zal laten opnemen door een nader te bepalen zorgverlener,
te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, woonoverlast en/of andere problematiek.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/ crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat betrokkene zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
Beheersing middelengebruik
- de verdachte zal meewerken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Beveelt dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. van Doesburg, voorzitter,
mr. G.D. Kleijne en mr. E.L. Hoogstraate, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.L.J. Smittenaar,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 oktober 2026.