RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/077547-26 (P)
Uitspraakdatum: 15 oktober 2026
Tegenspraak ex art. 279 van het Wetboek van Strafvordering (Sv)
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 1 oktober 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te Amsterdam,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres 1] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. R.P. Peters en van wat de raadsman van de verdachte, mr. A.J.C.M. de Graaff, advocaat te Breda, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 oktober 2025 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer,
in elk geval in Nederland met een persoon, te weten [het slachtoffer] een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het aanraken/betasten van en/of knijpen in de billen van [het slachtoffer]
terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij [het slachtoffer]
daartoe de wil ontbrak.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de impliciet primair ten laste gelegde opzetaanranding.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Dat de verdachte het ten laste gelegde zou hebben begaan is slechts afkomstig van één bron, namelijk aangeefster zelf.
Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat het handelen van de verdachte kan worden gekwalificeerd als schuldaanranding, nu de verdachte geen opzet heeft gehad op het betasten van of knijpen in de billen van de aangeefster. Op basis van het dossier kan hoogstens worden bewezen dat de verdachte de aangeefster heeft aangeraakt op de billen en niet dat hij daarin heeft geknepen.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van opzetaanranding op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering
Bewijs in zedenzaken
In zedenzaken doet zich vaak de situatie voor dat er slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Ook in deze zaak is sprake van zo’n één-op-één situatie. Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige (in dit geval: de aangeefster). Daarbij geldt dat deze bepaling betrekking heeft op de bewezenverklaring als geheel en niet vereist is dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad in zedenzaken volgt dat niet is vereist dat de seksuele handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Het is voldoende als de verklaring van de aangeefster op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan de aangeefster. In zedenzaken kan dat steunbewijs onder meer bestaan uit een verklaring over de eigen waarneming van een getuige van de emotie van het slachtoffer na het ten laste gelegde feit. Een dergelijke verklaring kan steunbewijs opleveren als de emotionele toestand of eventuele gedragsverandering die de getuige (‘disclosure-getuige’) bij het slachtoffer heeft waargenomen, niet anders kan worden opgevat dan als een bevestiging van de verklaring van het slachtoffer. Het tijdsverloop tussen het ten laste gelegde feit en de waargenomen emoties zijn daarbij relevant.
Er moet zorgvuldig en behoedzaam worden omgegaan met verklaringen van (vermeende) slachtoffers in zedenzaken, zeker als de verdachte het ten laste gelegde feit ontkent en er geen directe getuigen zijn. De rechtbank zal daarom eerst de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster beoordelen. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of de verklaring van de aangeefster in voldoende mate steun vindt in ander bewijs.
Betrouwbaarheid verklaring aangeefster
Op 6 oktober 2025 heeft de aangeefster in een informatief gesprek zeden verklaard dat zij op 4 oktober 2025 aan het werk was voor Picnic. Zij bezorgde die avond boodschappen bij de woning van de verdachte. Het viel haar op dat de verdachte stond te wachten op de galerij van het flatgebouw, ongeveer 5 à 6 stappen van zijn voordeur vandaan. Zij moest langs hem lopen om de boodschappen neer te kunnen zetten. Toen zij bukte om de boodschappen op de mat te zetten, voelde zij dat hij haar met één hand vastpakte in het midden van haar kont en daar toen in kneep. Dit duurde ongeveer twee seconden. De verdachte wachtte tot de aangeefster nog een keer zou bukken om de spullen met statiegeld te pakken, maar de aangeefster weigerde dat. De verdachte gaf deze vervolgens aan haar, en zij wilde weggaan, maar de verdachte bleef voor haar staan zodat zij niet naar de lift kon gaan. Toen de aangeefster zei dat de verdachte naar binnen moest gaan, deed hij dat en kon zij weggaan.
Op 21 oktober 2025 heeft de aangeefster aangifte gedaan van aanranding. Ook uit de aangifte volgt dat de verdachte bij de balustrade voor zijn woning stond te wachten, dat de aangeefster met de boodschappen langs de verdachte liep en bukte om deze neer te zetten, en dat zij toen opeens de hand van de verdachte voelde op haar bil. Ook voelde zij dat de verdachte haar in haar billen kneep. De aangeefster heeft tegen de verdachte gezegd dat hij in zijn woning moest stappen want hij stond nog bij de balustrade. De verdachte zei tegen de aangeefster dat zij de statiegeldtassen moet pakken, maar de aangeefster zei dat hij ze aan haar moest geven. Daarna is zij weggelopen.
Uit het dossier volgt dat de aangeefster direct na de aanranding haar leidinggevende [getuige A] (hierna: [getuige A] ) een appje heeft gestuurd, dat de bewoner van de [adres 1] haar net heeft betast, dat hij buiten stond te wachten en dat hij, toen zij de boodschappen neerzette, haar kont vastpakte. Daarna heeft zij haar vriendin [getuige B] gebeld en haar verteld dat zij bij een man voor de deur stond om boodschappen te bezorgen, dat zij met de boodschappen naar binnen wilde lopen en dat de man haar toen van achter bij haar billen vastpakte. Na terugkomst op de ‘hub’ van Picnic heeft de aangeefster tegenover twee verbalisanten verklaard dat de verdachte haar stond op te wachten voor zijn voordeur, dat zij doorliep en bukte om de kratten neer te zetten, waarna zij een hand voor ongeveer twee seconden op haar billen voelde. De verdachte vroeg ook nog of zij de oude kratten voor hem wilde oppakken, maar zij weigerde dat, hij ging toen zelf bukken en gaf ze aan haar. Hierna is zij gelijk weggegaan.
De rechtbank is van oordeel dat de aangeefster consistent en gedetailleerd heeft verklaard over wat er in de avond van 4 oktober 2025 is gebeurd toen zij de boodschappen bij de woning van de verdachte heeft bezorgd, en in het bijzonder over de seksuele handelingen die de verdachte bij haar heeft verricht, namelijk het betasten van en knijpen in de bil. Dat de aangeefster ten overstaan van de verbalisanten ter plaatse niet direct heeft genoemd dat de verdachte in haar bil kneep, maakt niet dat de rechtbank aan de verklaringen van de aangeefster twijfelt. Naar het oordeel van de rechtbank komen de verklaringen van de aangeefster voor het grootste deel overeen en komen deze authentiek over. [getuige B] en [getuige A] hebben verklaard dat de aangeefster meteen vertelde wat er was gebeurd en emotioneel was. Die emotionele toestand van de aangeefster past naar het oordeel van de rechtbank goed bij haar lezing van de gebeurtenis.
De rechtbank acht de verklaring van de aangeefster dat de verdachte haar billen heeft betast en daarin heeft geknepen, dan ook betrouwbaar en zal deze als uitgangspunt nemen voor de bewijsvoering.
Steunbewijs
In de eerste plaats vindt de verklaring van de aangeefster steun in de verklaring van [getuige B] . Uit de getuigenverklaring van [getuige B] volgt dat de aangeefster tijdens het telefoongesprek – dat enkele minuten na de aanranding plaatsvond – moest huilen en dat zij in paniek en overstuur was. Verder ziet de rechtbank steun voor de verklaring van de aangeefster in de verklaring van [getuige A] , waaruit volgt dat de aangeefster bij terugkomst op de ‘hub’ emotioneel was, op het punt stond om in huilen uit te barsten en verdrietig keek. Ook heeft [getuige A] verklaard dat, wanneer hij iets over het voorval vroeg, de aangeefster dit lastig vond om te verdragen. Tot slot blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten ter plaatse dat de aangeefster erg trilde tijdens het gesprek. Dat was ongeveer een uur nadat het incident had plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank leveren voornoemde waarnemingen over de angstige en emotionele toestand van de aangeefster kort na het incident, voldoende steunbewijs op voor de verklaringen van de aangeefster.
Opzet
Uit de verklaring van de aangeefster volgt dat de verdachte buiten op de balustrade en niet bij haar in de hal stond, toen zij door hem in haar bil werd geknepen. Gelet hierop gaat de rechtbank voorbij aan de verklaring van de verdachte dat hij de aangeefster mogelijk per ongeluk heeft aangeraakt bij het naar achteren lopen in de hal van zijn woning.
Conclusie
De verklaring van de aangeefster is naar het oordeel van de rechtbank betrouwbaar en vindt voldoende steun in de andere bewijsmiddelen, zodat is voldaan aan het bewijsminimum. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte onverhoeds en welbewust in de billen van de aangeefster heeft geknepen, terwijl hij wist dat zij dat niet wilde.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 4 oktober 2025 te Nieuw-Vennep met een persoon, te weten [het slachtoffer] seksuele handelingen heeft verricht, te weten
- het aanraken/betasten van en knijpen in de billen van [het slachtoffer]
terwijl hij, verdachte, wist dat bij [het slachtoffer] daartoe de wil ontbrak.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
opzetaanranding.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 30 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken met een proeftijd van twee jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de
persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Gelet op de medische situatie van de verdachte is het thans onduidelijk of hij in staat zal zijn een taakstraf te verrichten. De raadsman heeft daarom verzocht aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de
rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de
omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van
een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de
rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding. Toen de aangeefster boodschappen bij de verdachte kwam bezorgen heeft hij tegen de wil van de aangeefster haar billen aangeraakt en daarin geknepen. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangeefster. Uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring blijkt welke impact dit op haar heeft gehad. Daarnaast draagt het handelen van de verdachte bij aan het gevoel van onveiligheid van vrouwen in het algemeen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van
de verdachte van 20 augustus 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. Dit weegt de rechtbank daarom niet ten nadele van de verdachte mee.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die in
soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de geëiste onvoorwaardelijke taakstraf van 30 uren passend en geboden is. Het verzoek van de raadsman om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen volgt de rechtbank niet. Dat de verdachte door zijn medische toestand geen taakstraf uit zou kunnen voeren is onvoldoende onderbouwd. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding voor een voorwaardelijke gevangenisstraf. De verdachte is niet eerder veroordeeld en ook na dit incident heeft de verdachte geen strafbare feiten gepleegd.
7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Namens de benadeelde partij [het slachtoffer] heeft mr. N.H. Fridsma, advocaat te Heemskerk, een vordering tot schadevergoeding van € 1.548,84 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde immateriële schade betreft € 1.000,00 en de materiële schade van € 548,84 bestaat uit de volgende posten:
- post 1: reiskosten € 48,84;
- post 2: toekomstige schade € 500,00.
Hierbij is verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering ten aanzien van de toekomstige materiële schade.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, met uitzondering van de gevorderde toekomstige materiële schade. Wat betreft de toekomstige schade dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de gevorderde reiskosten niet betwist. Ten aanzien van de gevorderde toekomstige materiële schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Verder heeft de raadsman verzocht de gevorderde immateriële schade te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank zal de gevorderde reiskosten (post 1) in zijn geheel toewijzen, omdat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit en voldoende is onderbouwd.
De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde toekomstige materiële schade (post 2) niet-ontvankelijk verklaren, omdat de wet geen ruimte biedt om toekomstige schade op voorhand te vergoeden.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij voldoende heeft onderbouwd dat zij als rechtstreeks gevolg van de opzetaanranding geestelijk letsel heeft opgelopen. Rekening houdend met de Rotterdamse schaal en de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat naar billijkheid een bedrag van € 350,00 toewijsbaar is. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van
€ 398,84 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.
De verdachte wordt veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten
behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: opzetaanranding] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 22c, 22d, 36f, 241 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 30 uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 15 dagen hechtenis.
Vordering benadeelde partij
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [het slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 398,84, bestaande uit € 48,84 als vergoeding voor de materiële en € 350,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [het slachtoffer] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [het slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 398,84, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.S. Neervoort, voorzitter,
mr. L. Boonstra en mr. M. van Doesburg, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.L.J. Smittenaar,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 oktober 2026.