ECLI:NL:RBNHO:2026:14307

ECLI:NL:RBNHO:2026:14307

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 20-10-2026
Datum publicatie 20-10-2026
Zaaknummer 15/252187-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord, bedreiging, vernieling en huisvredebreuk. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast wordt een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opgelegd voor de duur van vijf jaren.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/252187-25 (P)

Uitspraakdatum: 20 oktober 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 oktober 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. C.M. Brugman, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. V. Mes, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

De verdachte wordt, kort en zakelijk weergegeven, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), verweten dat hij zich op 24 september 2025 te Volendam schuldig heeft gemaakt aan de volgende feiten:

feit 1 primair: poging tot moord dan wel doodslag op [benadeelde 1] ;

feit 1 subsidiair: het voorbereiden van moord of doodslag op [benadeelde 1] ;

feit 2: het vernielen van een raam en/of een deur van een woning;

feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] ;

feit 4: huisvredebreuk.

De volledige tenlastelegging staat in bijlage 1 en maakt deel uit van dit vonnis.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Ten aanzien van de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op de verweren van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage 2 bij dit vonnis zijn opgenomen.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 primair

Feiten en omstandigheden

De volgende feiten en omstandigheden volgen uit de bewijsmiddelen en het dossier en hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag dienen.

De verdachte en [benadeelde 1] (hierna: de aangeefster) hebben ongeveer twee jaar een relatie gehad. In december 2024 heeft de aangeefster de relatie beëindigd. Na het beëindigen van de relatie hebben zij nog af en toe contact met elkaar gehad. In augustus 2025 heeft de aangeefster de verdachte op diverse sociale media geblokkeerd, omdat zij geen contact meer met hem wilde. Op 11 september 2025 is de verdachte naar de woning van de aangeefster gegaan om de spullen op te halen die daar nog van hem lagen. Op dat moment was er niemand thuis. De verdachte heeft vervolgens met de moeder van de aangeefster afgesproken dat hij zijn spullen op 12 september 2025 kon ophalen in de beautysalon van de moeder. Op die dag heeft hij de spullen opgehaald.

Op 24 september 2025 is de verdachte na zijn werk vanuit Utrecht met het openbaar vervoer naar de woning van de aangeefster in Volendam gereisd. De verdachte was volledig in het zwart gekleed en droeg een pet, een capuchon, zwarte handschoenen en een mondkapje dat zijn gezicht bedekte. Daarnaast had hij twee messen en een glassnijder bij zich. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte om 02:28:53 uur in de achtertuin van de woning van de aangeefster aanwezig was en dat hij meerdere malen heeft geprobeerd om de achterdeur van de woning open te krijgen. De aangeefster was op dat moment thuis en werd rond 04:00 uur wakker. Op haar telefoon zag zij een melding van de camera die was gericht op de achterdeur van de woning. Op de camerabeelden zag de aangeefster dat een persoon probeerde het glas van de achterdeur te breken. De aangeefster heeft daarop direct de politie gebeld. De aangeefster, haar moeder en haar broer hebben zich verscholen in de slaapkamer van de broer van de aangeefster. De verdachte heeft uiteindelijk het glas van de achterdeur met een baksteen vernield en is om 04:10:18 uur de woning binnengegaan. Vervolgens heeft hij de genoemde camera gepakt en in de rijstkoker gestopt. De politie was om 04:13 uur ter plaatse en heeft de verdachte aangetroffen in de slaapkamer van de moeder van de aangeefster. In die slaapkamer zijn ook de twee messen aangetroffen.

Alternatief scenario De verdediging heeft gesteld dat de verdachte de woning van de aangeefster enkel is binnengedrongen om zijn spullen terug te krijgen die hij dringend nodig had. Hij was niet van plan de aangeefster iets aan te doen. Daarmee heeft de verdachte een alternatieve lezing van de gebeurtenissen gegeven die niet zou stroken met een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit. Volgens de verdediging passen de feiten die als belastend zouden kunnen worden gezien net zo goed bij het scenario dat de verdachte enkel heeft ingebroken om zijn spullen terug te krijgen. De rechtbank stelt de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde gelet op het volgende.

De verdachte heeft geen overtuigende en aannemelijke verklaring kunnen geven voor het feit dat hij midden in de nacht door middel van braak de woning is binnengedrongen enkel en alleen om zijn spullen op te halen. Hij heeft bijvoorbeeld niet eerst gebeld om zijn komst aan te kondigen, noch heeft hij aangebeld aan de voordeur om zijn spullen terug te vragen. De verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat de bewoners niet thuis waren, omdat het donker en stil was en hij de auto niet zag staan. De rechtbank acht deze verklaring volstrekt ongeloofwaardig. Immers, de verdachte kwam om 02:28:53 uur aan bij het huis van de aangeefster, een tijdstip waarop bewoners doorgaans juist thuis zijn en slapen. De verdachte heeft geen enkele gegronde reden gegeven waarom de bewoners op dat moment niet thuis zouden zijn. Uit de bewijsmiddelen, te weten de 112-melding en de verklaringen van de aangeefster, haar moeder en haar broer, volgt bovendien dat de aangeefster om 04:02:45 uur de politie voor de eerste keer heeft gebeld om te melden dat er werd ingebroken. Op dat moment heeft de aangeefster gemeld dat zij het licht boven hadden aangedaan en lawaai hadden gemaakt, waarna de verdachte was weggelopen in de richting van de kerk. Ook daarom acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat de bewoners thuis waren ongeloofwaardig.

Bovendien heeft de verdachte wisselend verklaard over de spullen die hij naar eigen zeggen kwam halen. Zo heeft hij bij de politie verklaard dat een van de spullen een certificaat was van zijn beroepsopleiding en dat hij dat nodig had om zich in te schrijven bij de gemeente. Op de zitting heeft hij echter verklaard dat hij het certificaat nodig had, omdat hij een woning kon huren en de verhuurder van die woning om dat document had gevraagd. Een van de andere spullen die hij naar eigen zeggen kwam ophalen, betrof een klein, leeg doosje van zijn Gucci-riem. Hij wilde dat doosje hebben, omdat hij zijn riem wilde verkopen. De verdachte heeft verklaard dat het doosje op de plank in de slaapkamer van de aangeefster stond. Toen de verdachte de slaapkamer van de aangeefster verliet, heeft hij dat doosje echter niet meegenomen. De rechtbank kan dit niet rijmen met zijn verklaring dat hij juist naar de woning was gegaan om dit doosje op te halen. Daar komt bij dat de aangeefster heeft verklaard dat de verdachte in september 2025 nog spullen via haar moeder heeft teruggekregen en dat hij toen niet heeft aangegeven dat hij nog andere spullen miste, laat staan welke spullen dat zouden zijn.

De verdachte droeg verder donkere kleding, een pet en capuchon over zijn hoofd, zwarte latex handschoenen en een mondkapje voor zijn gezicht. De verdachte heeft hierover verklaard dat dit zijn werkkleding was, inclusief het mondkapje, en dat hij de handschoenen had aangetrokken om te voorkomen dat hij zich aan het glas van de achterdeur zou snijden. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig en gaat ervan uit dat de verdachte deze kleding droeg om onherkenbaar te blijven. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte wisselend over het mondkapje heeft verklaard. Tegenover de politie heeft hij namelijk verklaard dat hij het mondkapje droeg, omdat zijn gezicht zwart was geworden van het roet door het koken. Op een foto van de verdachte na zijn aanhouding op pagina 39 van het dossier is echter te zien dat zijn gezicht er normaal uitziet en niet zwart is. Op zitting heeft de verdachte desgevraagd verklaard dat hij het mondkapje droeg wegens een allergie. Uiteindelijk heeft de verdachte op zitting ook verklaard dat hij onherkenbaar wilde blijven, omdat hij ging inbreken.

De verklaring van de verdachte dat hij handschoenen droeg om snijwonden te voorkomen bij het openbreken van de deur acht de rechtbank evenmin geloofwaardig. Het ging immers om dunne latex handschoenen die op geen enkele manier bescherming bieden tegen scherp glas, ook niet als er twee paar over elkaar worden gedragen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de verdachte deze handschoenen droeg om te voorkomen dat hij forensisch materiaal, zoals vingerafdrukken, zou achterlaten.

De verdachte heeft over het onbruikbaar maken van de camera gericht op de achterdeur, verklaard dat hij de camera in de rijstkoker heeft gestopt, omdat de lichtjes hem irriteerden. Ook deze verklaring acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Op de beelden is te zien dat de verdachte, die bekend was in de woning, direct na het binnengaan van de woning de camera pakt en in de rijstkoker stopt. De rechtbank gaat ervan uit dat hij daarmee verdere opnames door de camera wilde voorkomen.

De verdachte heeft verder wisselend verklaard over wat hij heeft gedaan vanaf het moment dat hij in de slaapkamer van de aangeefster was. Tegenover de politie heeft hij desgevraagd verklaard dat hij niet wist of de spullen die hij nodig had nog in de slaapkamer van de aangeefster lagen, omdat hij nog niet had gekeken. Hij verklaarde namelijk dat de politie kwam en hij toen is weggerend naar de kamer van de moeder om zich te verstoppen. Op zitting heeft de verdachte echter verklaard dat hij enige tijd heeft gezocht naar de documenten, maar dat hij deze niet kon vinden en dat hij ook in een lade heeft gezocht. Deze verklaring heeft de verdachte echter pas op de zitting gegeven en pas nadat de moeder van de aangeefster op 30 maart 2026 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat zij dacht een lade (niet een laken) of een stoel te hebben gehoord.

Ook heeft de verdachte op zitting erkend dat hij eerst heeft geprobeerd de kamer van de broer te openen voordat hij naar de kamer van de moeder ging, terwijl hij tegenover de politie had verklaard dat hij vanuit de kamer van de aangeefster direct naar de kamer van de moeder is gegaan. Voor de vraag waarom de verdachte, die bekend was in de woning, eerst heeft geprobeerd de kamer van de broer binnen te gaan, terwijl de deur van deze slaapkamer dicht was en die van de moeder open stond, heeft hij geen aannemelijke verklaring kunnen geven.

De verdachte heeft over de in de slaapkamer van de moeder aangetroffen keukenmessen verklaard dat hij deze alleen bij zich had, omdat hij uit zijn werk kwam. Hij heeft verklaard de messen niet beneden uit zijn rugzak te hebben gehaald, maar dat de messen al die tijd in de binnenzak van zijn jas hebben gezeten. Op vragen van de rechtbank en de officier van justitie hoe dat mogelijk was, nu het ging om grote, scherpe messen, heeft de verdachte verklaard dat de messen in een kartonnen beschermhoes (schede) zaten. Volgens de verdachte heeft hij de messen in paniek uit zijn jas gehaald toen hij in de slaapkamer van de moeder was en heeft hij toen de schedes verwijderd. Daarna zou hij de schedes weer om de messen hebben gedaan en de messen in de slaapkamer hebben verstopt. Uit de beschrijving van de politie van het aantreffen van de messen en uit de afbeelding op pagina 21 van het dossier blijkt niet dat de messen waren voorzien van een beschermhoes. Ook zijn er geen beschermhoezen in beslag genomen onder de verdachte, noch zijn deze onderdeel van de goederen bij binnenkomst bij het huis van bewaring. Dit maakt de verklaring van de verdachte dat hij de messen al die tijd gewoon in zijn jas bij zich droeg en deze niet speciaal in zijn handen mee naar boven heeft genomen, niet aannemelijk.

Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij de glassnijder bij zich had, omdat deze op 24 september 2025 was bezorgd in het restaurant waar hij werkte. Hij had deze besteld om samen met zijn vriendin een glazen tafel te maken. Vervolgens had hij de glassnijder in zijn rugzak gedaan. Ook dit onderdeel van de verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig, nu de verdachte juist met deze glassnijder in eerste instantie heeft geprobeerd de achterruit van de woning open te snijden of te breken.

Geconcludeerd wordt dat de verdachte niet van meet af aan consistent heeft verklaard. Daarnaast valt het de rechtbank op dat de verdachte zijn verklaring telkens op punten aanpast om deze te laten aansluiten bij het dossier. Gelet op al het voorgaande en met name de wisselende, tegenstrijdige en onaannemelijke verklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank het scenario van de verdachte dat hij de woning alleen is binnengegaan om zijn spullen terug te krijgen ongeloofwaardig. De rechtbank stelt de verklaring van de verdachte daarom terzijde.

Begin van uitvoering

De raadsman heeft bepleit dat geen sprake is geweest van een poging tot moord, omdat geen sprake is geweest van een begin van uitvoering. De rechtbank volgt dit standpunt niet en legt hierna uit waarom.

Voor een strafbare poging tot het plegen van een misdrijf is vereist dat het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Volgens de Hoge Raad is sprake van een begin van uitvoering indien de door de verdachte verrichte gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van het misdrijf. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van een begin van uitvoering, komt het aan op de feiten en omstandigheden van het concreet voorliggende geval. Een belangrijke beoordelingsfactor daarbij is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Verder kan het bij een poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele andere deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op 24 september 2025 vanuit Utrecht met het openbaar vervoer naar de woning van de aangeefster in Volendam is gereisd. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte midden in de nacht, om 02:28:53 uur, bij de woning van de aangeefster is aangekomen. De verdachte was volledig in het zwart gekleed en droeg een pet, een capuchon, zwarte handschoenen en een mondkapje dat zijn gezicht bedekte. Daarnaast had hij twee messen en een glassnijder bij zich. De verdachte is over de muur achter de woning geklommen en heeft vervolgens meerdere pogingen gedaan om het glas van de achterdeur te breken. Uit de camerabeelden blijkt dat de verdachte ruim anderhalf uur bezig is geweest om de woning binnen te komen. Uiteindelijk heeft hij met een baksteen het glas vernield, waarna hij het slot van de deur heeft opengedraaid en de woning is binnengegaan. Eenmaal binnen heeft de verdachte meteen de camera gepakt en deze in een rijstkoker geplaatst om verdere opnames te voorkomen. Vervolgens heeft hij zijn rugzak neergezet en is hij de trap opgelopen met twee messen en ducttape en direct naar de slaapkamer van de aangeefster gegaan. Nadat hij haar daar niet had aangetroffen, is hij naar de slaapkamer van haar broer gegaan en heeft hij geprobeerd die deur te openen. Doordat de broer van de aangeefster de deurklink vasthield, is het de verdachte niet gelukt de deur te openen en de slaapkamer, waar zich onder meer de aangeefster bevond, binnen te gaan. Op dat moment kwam de politie ter plaatse en heeft de verdachte zich verstopt in de slaapkamer van de moeder van de aangeefster. De verdachte heeft een ladder voor de deur van die slaapkamer geplaatst, waardoor de politie de slaapkamer niet kon betreden. Agenten die zich buiten op het dak van de woning bevonden en zicht hadden op de verdachte in de slaapkamer, zagen dat hij twee messen in zijn handen had en deze met slijpende bewegingen langs elkaar bewoog.

De rechtbank komt, gelet op al deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, tot het oordeel dat sprake is geweest van een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht geweest op de voltooiing van het misdrijf. Deze gedragingen lagen in tijd en plaats zeer dicht bij de voltooiing daarvan en de verdachte had het misdrijf kunnen voltooien als hij de aangeefster in haar slaapkamer, of een andere plek in de woning, had aangetroffen.

Voorbedachten rade

Voor een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair ten laste gelegde bestanddeel 'voorbedachten rade' moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte het vooropgezette plan had de aangeefster van het leven te beroven. De verdachte is midden in de nacht vanuit Utrecht met het openbaar vervoer naar Volendam gereisd, waarna hij ruim anderhalf uur bezig is geweest om de woning binnen te komen. De verdachte was gekleed om herkenning te voorkomen en had twee messen en een glassnijder bij zich. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verdachte bezig is geweest met het bedenken van een plan om de aangeefster van het leven te beroven en dat hij daarvoor goederen heeft verzameld.

Uit deze omstandigheden blijkt dat de verdachte zowel tijdens de reis naar de woning van de aangeefster toe, als ook in de tuin en de woning van de aangeefster, uren de tijd en daarmee voldoende gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap te geven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin de verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. Evenmin zijn andere contra-indicaties aannemelijk geworden die het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan. Daarmee is sprake van voorbedachten rade.

Opzet

Zoals hiervoor overwogen was het (planmatige) handelen van de verdachte erop gericht de aangeefster van haar leven te beroven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van ‘vol’ opzet.

De rechtbank wordt in haar oordeel gesterkt door het gesprek dat de verdachte enkele dagen eerder op 19 september 2025 via Instagram heeft gevoerd met [getuige] (hierna: [getuige] ), een ex-collega van de verdachte. [getuige] heeft hierover verklaard dat de verdachte boos was op de aangeefster nadat hij op Instagram een ‘story’ had gezien waaruit bleek dat de aangeefster met een jongen in Den Haag had gegeten. Tijdens het gesprek heeft de verdachte tegen [getuige] gezegd dat hij de aangeefster een lesje wilde leren, dat ze te ver was gegaan, dat ze om ellende vroeg en dat als hij haar weer zou zien dat hij ‘haar zou begraven met lood’, ofwel een kogel volgens [getuige] . Dat uit het dossier volgt dat discussie bestaat over de exacte vertaling uit het Thais van deze uitlatingen, doet hier niet aan af. Immers, de strekking van de verschillende vertalingen van deze uitlatingen is naar het oordeel van de rechtbank immers steeds dezelfde, namelijk dat de verdachte boos was en de aangeefster kwaad wilde doen.

Conclusie

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot moord wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat:

feit 1 primair hij op 24 september 2025 te Volendam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde 1] van het leven te beroven,- naar Volendam is gegaan en- zich in de nachtelijke uren naar de woning van [benadeelde 1] heeft begeven en- terwijl hij donkere kleding en donkere schoenen en een hoodie en een pet en een mondkapje en zwarte (latex) handschoenen droeg en- had meegenomen twee messen en- een raam van de deur van de woning van die [benadeelde 1] heeft stukgemaakt met een baksteen en- zich vervolgens de toegang tot die woning heeft verschaft en- in die woning het camerasysteem onbruikbaar heeft gemaakt en- naar de bovenverdieping van die woning is gegaan met de twee messen en ducttape en- heeft getracht de slaapkamer te openen, waarin die [benadeelde 1] zich met haar moeder en broer verscholen hielden,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2 hij op 24 september 2025 te Volendam opzettelijk en wederrechtelijk een raam van een deur van een woning, die toebehoorde aan een ander, heeft vernield;

feit 3 hij op 24 september 2025 te Volendam [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, doordat hij- terwijl hij donkere kleding en donkere schoenen en een hoodie en een pet en een mondkapje en zwarte (latex) handschoenen droeg en- zich in de nachtelijke uren naar de woning heeft begeven waar die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] aanwezig waren en- een raam van de deur van die woning heeft stukgemaakt met een baksteen en- zich vervolgens de toegang tot die woning heeft verschaft en- in die woning het camerasysteem onbruikbaar heeft gemaakt en- naar de bovenverdieping van die woning is gegaan met twee messen en ducttape en- heeft getracht de slaapkamer te openen, waarin die [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] zich verscholen hielden;

feit 4 hij op 24 september 2025 te Volendam, in een woning, gelegen aan de Burgermeester Kolfschotenstraat 1 en in gebruik bij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , wederrechtelijk is binnengedrongen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair: poging tot moord;

feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 4: in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast vordert de officier van justitie een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor de duur van vijf jaren, inhoudende een contactverbod met de slachtoffers, waarbij wordt bepaald dat voor iedere overtreding van deze maatregel een week vervangende hechtenis wordt toegepast, met een maximum van zes maanden. De officier van justitie vordert daarnaast dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om, in het geval dat de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 1 komt, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen van meer dan drie jaren in verband met de mogelijkheid tot strafonderbreking op basis van artikel 40a van de Regeling tijdelijk verlaten van de inrichting.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord op zijn ex-vriendin met wie hij twee jaar een relatie heeft gehad. Midden in de nacht is hij naar de woning gegaan waar zij samen met haar broer en moeder woont. De verdachte was volledig in het zwart gekleed en droeg een pet, een capuchon, zwarte handschoenen en een mondkapje dat zijn gezicht bedekte. Daarnaast had hij onder meer twee grote keukenmessen bij zich. Nadat hij het raam van de achterdeur had vernield, is hij de woning binnengegaan. Vervolgens is hij direct naar boven gegaan, op zoek naar de aangeefster. Op dat moment hielden zij, haar broer en haar moeder zich schuil in de slaapkamer van de broer. Toen de verdachte de aangeefster niet in haar slaapkamer aantrof, liep hij naar de slaapkamer van haar broer. Hij voelde aan de deur, die door haar broer werd dichtgehouden. Toen de politie ter plaatse kwam, heeft de verdachte zich verstopt in de slaapkamer van haar moeder en de deur daarvan gebarricadeerd.

Moord behoort tot de ernstigste misdrijven die onze strafwetgeving kent. Het opzettelijk en met voorbedachte raad benemen van iemands leven is de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed. De verdachte heeft met zijn handelen de maatschappij en de rechtsorde op ernstige wijze geschokt. Daarnaast heeft hij een levensbedreigend gevaar voor de aangeefster in het leven geroepen. Zij moest zich in haar eigen woning verstoppen om aan de verdachte te ontkomen. Het is in dit geval weliswaar niet zo ver gekomen dat de aangeefster daadwerkelijk is gedood, maar de gevolgen voor haar zijn desondanks zeer ingrijpend. De verdachte heeft door zijn handelwijze een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Daarnaast bevonden de moeder en broer van de aangeefster zich ook in de woning, waardoor ook zij werden geconfronteerd met een zeer bedreigende situatie. Hoe groot de impact van deze gebeurtenissen op hen is geweest, blijkt mede uit de slachtofferverklaringen, waarin is aangegeven dat zij zich niet meer veilig voelen in hun eigen woning.

De gedragingen van de verdachte voorafgaand aan en leidend tot de feiten passen bij de in de literatuur genoemde kenmerken van (een poging tot) femicide. Vaak gaat het, zoals ook in deze zaak, om een man die zijn voormalige vrouwelijke partner wil doden. In dit geval had zij de relatie beëindigd, aangegeven geen contact meer met hem te willen en was met een andere man uit eten geweest, terwijl hij zich daar kennelijk niet bij kon neerleggen. Dat de verdachte als gevolg van een verbroken relatie tot dergelijk vergaand gedrag is gekomen, acht de rechtbank buitengewoon schokkend en zorgwekkend.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 4 mei 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 25 maart 2026, opgesteld door [psycholoog] , klinisch psycholoog. Uit dit rapport blijkt onder meer dat bij de verdachte geen psychische stoornis is vastgesteld. De deskundige adviseert om de feiten, indien bewezen, volledig aan de verdachte toe te rekenen en ziet geen aanleiding om begeleiding of behandeling binnen een strafrechtelijk kader te adviseren.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 13 april 2026. Uit het rapport blijkt dat het risico op recidive niet kan worden ingeschat, omdat onvoldoende zicht bestaat op de criminogene factoren. Daarnaast heeft de verdachte ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit een ontkennende verklaring afgelegd en stelt hij dat hij zijn leven op orde heeft en geen begeleiding of behandeling nodig heeft. De reclassering adviseert om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat geen mogelijkheid wordt gezien voor reclasseringstoezicht.

De op te leggen straf

Gelet op de aard en de ernst van de gepleegde feiten acht de rechtbank enkel oplegging van een langdurige gevangenisstraf gerechtvaardigd. Het zwaartepunt bij het bepalen van de hoogte daarvan ligt in deze zaak bij de poging tot moord op de aangeefster, zonder af te doen aan de ernst van de gevolgen voor de moeder en de broer. De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf aansluiting gezocht bij straffen die in min of meer vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank komt evenwel tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. Daarbij houdt de rechtbank, meer dan de officier van justitie, rekening met de omstandigheid dat het uiteindelijk niet tot een fysieke confrontatie tussen de verdachte en de aangeefster is gekomen, waarbij de rechtbank wel in aanmerking neemt dat dit enkel het gevolg is geweest van het optreden van de politie en niet dat van de verdachte.

Alles afwegend, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. De rechtbank ziet gelet op de aard en ernst van de gepleegde feiten geen aanleiding om ten behoeve van de strafonderbreking een lagere straf op te leggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.

7. Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr

De rechtbank is van oordeel dat ter voorkoming van strafbare feiten de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid aan de verdachte moet worden opgelegd voor de duur van vijf jaren, inhoudende dat hij op geen enkele wijze, direct of indirect, contact heeft of zoekt met [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] . De rechtbank bepaalt daarbij dat iedere overtreding van het contactverbod een week vervangende hechtenis tot gevolg heeft, met een maximum van zes maanden.

De rechtbank zal de vrijheidsbeperkende maatregel niet dadelijk uitvoerbaar te verklaren, omdat niet voldaan wordt aan de voorwaarden daarvoor zoals bepaald in artikel 38v, vierde lid, Sr. Daarbij weegt de rechtbank mee dat er geen aanwijzingen bestaan dat de verdachte na de bewezenverklaarde feiten contact heeft opgenomen met de slachtoffers. Ook overigens bevat het dossier onvoldoende concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat sprake is van een zodanig recidiverisico dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar moet worden verklaard.

8. Beslag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen verbeurd te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten

- 1 STK mes (voorwerpnummer: BZAR3797);

- 1 STK mes (voorwerpnummer: BZAR3798);

- 1 STK glassnijder (voorwerpnummer: BZAR3799);- 1 STK tape (omschrijving: PL1100-2025223170-1775851),

moeten worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de zitting is gebleken dat de bewezen verklaarde feiten met betrekking tot voornoemde voorwerpen, zijn begaan.

9. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

Vordering benadeelde partij [benadeelde 1]

Door Slachtofferhulp Nederland is namens de benadeelde partij [benadeelde 1] een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade (€ 2.564,85) en immateriële schade (€ 5.500,-) die zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr.

De gestelde materiële schade bestaat uit:

reparatiekosten van de woning en het plaatsen van sloten: € 1.282,81;

kosten van de beveiligingscamera: € 239,-;

kosten aansluiting beveiligingscamera en het abonnement: € 414,02;

kosten van medicatie: € 21,02;

kosten van therapie: € 421,-;

kosten voor het omboeken van het vliegticket: € 187,-.

Verder vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 10.000,- aan toekomstige materiële schade wegens verhuiskosten in verband met een eventuele procedure in hoger beroep.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële en immateriële schade kan worden toegewezen, omdat deze kosten rechtstreeks verband houden met de strafbare feiten en voldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de toekomstige materiële schade moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Verder heeft de officier van justitie gevorderd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025 en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de gevorderde materiële schade niet betwist, met uitzondering van de kosten van en voor de beveiligingscamera. De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij ten aanzien van deze kosten niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze kosten onvoldoende zijn onderbouwd. Verder heeft de raadsman verzocht de vordering ten aanzien van de toekomstige schade af te wijzen, omdat het rechtstreeks verband met de ten laste gelegde feiten ontbreekt.

Oordeel van de rechtbank

9.1.3.1 Materiële schade

De vordering tot vergoeding van materiële schade, bestaande uit de reparatie van de woning en het plaatsen van sloten, medicatie, therapie en het omboeken van het vliegticket, is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezen verklaarde feiten rechtstreeks schade heeft geleden ter hoogte van het gevorderde bedrag. De rechtbank zal deze schadeposten daarom geheel toewijzen.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de kosten voor de aanschaf van de beveiligingscamera geheel moeten worden toegewezen. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde partij naar aanleiding van de gebeurtenissen op 24 september 2025 wegens gevoelens van onveiligheid een buitencamera heeft aangeschaft. Op zitting is een factuur overgelegd waaruit volgt dat de camera op 25 september 2025 is aangeschaft. Daarmee is voldoende onderbouwd dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat de kosten voor de aansluiting van de beveiligingscamera en het daarbij behorende abonnement moeten worden afgewezen. Gelet op het feit dat de verdachte tot aan de inhoudelijke behandeling in voorlopige hechtenis heeft verbleven, staan deze kosten in een te ver verwijderd verband met de bewezen verklaarde feiten.

9.1.3.2 Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.

Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de gebeurtenissen op 24 september 2025 een grote impact hebben gehad op de benadeelde partij en dat zij hierdoor psychische klachten heeft opgelopen die passen bij een posttraumatische stressstoornis (PTSS). De benadeelde partij ervaart tot op heden ernstige angst- en spanningsklachten. Zij slaapt slecht, heeft last van nachtmerries, schrikt van onverwachte geluiden en voelt zich voortdurend alert. Deze klachten hebben daarnaast geleid tot depressieve klachten. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon. Daarmee bestaat een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade.

Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal en in het bijzonder naar paragraaf 14.2 (PTSS). De rechtbank is van oordeel dat sprake is van categorie d (minder ernstig), omdat het behandeltraject tot op heden goed verloopt en de verwachting is dat dit traject succesvol zal worden afgerond. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde immateriële schadevergoeding van € 5.500,- billijk is en voor toewijzing vatbaar.

9.1.3.3 Toekomstige schade

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet vaststaat dat deze kosten daadwerkelijk zullen worden gemaakt.

9.1.3.4 Conclusie

De vordering van de benadeelde partij zal dus gedeeltelijk worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 7.650,83, bestaande uit € 2.150,83 materiële schade en € 5.500,- immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij wordt voor de toekomstige schade niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en het overige wordt afgewezen.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 7.650,83 aan de Staat moet betalen.

Vordering benadeelde partij [benadeelde 2]

Door Slachtofferhulp Nederland is namens de benadeelde partij [benadeelde 2] een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade (€ 21,02) en immateriële schade (€ 2.675,-) die hij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr. De gestelde materiële schade bestaat uit kosten van medicatie.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële en immateriële schade kan worden toegewezen, omdat deze kosten rechtstreeks verband houden met het strafbare feit en voldoende zijn onderbouwd. Verder heeft de officier van justitie gevorderd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025 en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de gevorderde materiële schade niet betwist. Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade moet worden gematigd tot € 500,-.

Oordeel van de rechtbank

9.2.3.1 Materiële schade

De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden ter hoogte van het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.

9.2.3.2 Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd.

Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat hij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de gebeurtenissen op 24 september 2025 een grote impact hebben gehad op de benadeelde partij en dat hij last heeft van angst- en stressklachten. De huisarts heeft de benadeelde slaapmedicatie voorgeschreven in verband met slaapproblemen. Daarnaast ervaart de benadeelde partij nachtmerries, een verminderde eetlust en een verhoogde staat van alertheid.

Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal en in het bijzonder naar paragraaf 14.1 (geestelijk letsel). De rechtbank is van oordeel dat sprake is van categorie d (minder ernstig), omdat de ernst van de klachten beperkt is gebleven. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde immateriële schadevergoeding van € 2.675,- billijk is en voor toewijzing vatbaar.

9.2.3.3 Conclusie

De vordering van de benadeelde partij zal dus geheel worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 2.696,02, bestaande uit € 21,02 materiële schade en € 2.675,- immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 2.696,02 aan de Staat moet betalen.

Vordering benadeelde partij [benadeelde 3]

Door Slachtofferhulp Nederland is namens de benadeelde partij [benadeelde 3] een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens materiële schade (€ 647,07) en immateriële schade (€ 4.000,-) die zij als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr.

De gestelde materiële schade bestaat uit:

kosten van therapie: € 198,-;

kosten aansluiting beveiligingscamera en het abonnement: € 427,-;

kosten van medicatie: € 22,07.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële en immateriële schade kan worden toegewezen, omdat deze kosten rechtstreeks verband houden met het strafbare feit en voldoende zijn onderbouwd. Verder heeft de officier van justitie gevorderd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025 en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de gevorderde materiële schade ten aanzien van de medicatie niet betwist. De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij ten aanzien van de kosten van therapie niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het causale verband met het ten laste gelegde feit onvoldoende is onderbouwd. Verder heeft de raadsman verzocht de kosten van de aansluiting van de beveiligingscamera en het abonnement af te wijzen, omdat het rechtstreeks verband met het ten laste gelegde feit ontbreekt. Tot slot heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade moet worden gematigd tot € 500,-.

Oordeel van de rechtbank

9.3.3.1 Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de kosten van medicatie voldoende zijn onderbouwd en door de verdediging niet zijn betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde feit.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de kosten van therapie geheel moeten worden toegewezen. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de benadeelde partij na de gebeurtenissen op 24 september 2025 last heeft gekregen van angst- en stressklachten en lichamelijke klachten, waarvoor zij twee behandelingen bij een psychotherapeut heeft gevolgd. Op grond van de bij de vordering gevoegde verklaring van de huisarts en de facturen van de behandelingen kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor de aansluiting van de beveiligingscamera en het daarbij behorende abonnement moeten worden afgewezen, omdat niet is komen vast te staan dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het onder 3 bewezen verklaarde feit.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de beveiligingscamera en het abonnement zijn aangeschaft ten behoeve van de beautysalon van de benadeelde partij. Mede gelet op de betwisting door de verdediging heeft de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd dat deze kosten rechtstreeks voortvloeien uit het onder 3 bewezen verklaarde feit.

9.3.3.2 Immateriële schade

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd.

Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat zij door het strafbare feit op andere wijze in haar persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt. Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de gebeurtenissen op 24 september 2025 een grote impact hebben gehad op de benadeelde partij en dat zij last heeft van angst- en stressklachten. Daarnaast ervaart de benadeelde partij lichamelijke klachten, zoals ademhalingsproblemen, duizeligheid en pijn in haar linkerschouder. Voor deze klachten heeft zij een traumabehandeling gevolgd in de vorm van twee sessies hypnotherapie bij een psychotherapeut.

Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank gekeken naar de Rotterdamse schaal en in het bijzonder naar paragraaf 14.1 (geestelijk letsel). De rechtbank is van oordeel dat sprake is van categorie d (minder ernstig), omdat de ernst van de klachten beperkt is gebleven. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een schadevergoeding van € 2.675,- billijk is en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank verklaart de benadeelde partij voor de overige immateriële schade niet-ontvankelijk in haar vordering.

9.3.3.3 Conclusie

De vordering van de benadeelde partij zal dus gedeeltelijk worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 2.895,07, bestaande uit € 220,07 materiële schade en € 2.675,- immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij wordt voor de overige immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en het overige wordt afgewezen.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 2.895,07 aan de Staat moet betalen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 36f, 45, 55, 57, 138, 285, 289, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 [vijf] jaren.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vrijheidsbeperkende maatregel ex 38v Sr

Legt aan de verdachte op de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 5 [vijf] jaren, inhoudende dat de verdachte:

- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met:

[benadeelde 1] , geboren op [geboortedatum 2] ;

[benadeelde 2] , geboren op [geboortedatum 3] ;

[benadeelde 3] , geboren op [geboortedatum 4] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 [één] week voor iedere keer dat een van de verboden wordt geschonden, met een maximum van 6 [zes] maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beslag

Verklaart verbeurd:

- 1 STK mes (voorwerpnummer: BZAR3797);

- 1 STK mes (voorwerpnummer: BZAR3798);

- 1 STK glassnijder (voorwerpnummer: BZAR3799);

- 1 STK tape (omschrijving: PL1100-2025223170-1775851).

Vorderingen van de benadeelde partijen

[benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 7.650,83, bestaande uit € 2.150,83 als vergoeding voor de materiële en € 5.500,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor de toekomstige schade niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.650,83, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 63 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

[benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 2.696,02, bestaande uit € 21,02 als vergoeding voor de materiële en € 2.675,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.696,02, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

[benadeelde 3]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 2.895,07, bestaande uit € 220,07 als vergoeding voor de materiële en € 2.675,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 3] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor de overige immateriële schade niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.895,07, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 28 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Buiskool, voorzitter,

mr. A.M.C. de Haan en mr. G. Elst, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2026.

Bijlage 1

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a Sv ter zitting van 23 maart 2026, ten laste gelegd dat:

feit 1 primair hij op of omstreeks 24 september 2025 te Volendam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [benadeelde 1] van het leven te beroven,-naar Volendam is gegaan en/of-zich in de nachtelijke uren naar de woning van [benadeelde 1] heeft begeven en/of-terwijl hij donkere kleding en/of donkere schoenen en/of een hoodie en/of een pet en/of mondkapje en/of zwarte (latex) handschoenen droeg en/of-daarbij had meegenomen twee messen en/of duct tape en/of-een raam van de deur van de woning van die [benadeelde 1] heeft gebroken/stuk heeft gemaakt met een glassnijder en/of een baksteen en/of-zich vervolgens de toegang tot die woning heeft verschaft en/of-in die woning het camera systeem onbruikbaar heeft gemaakt en/of-naar de boven verdieping van die woning is gegaan met de twee messen en/of duct tape en/of-aldaar de deur van de slaapkamer van die [benadeelde 1] heeft opengedaan en/of-het dekbed van het bed in die slaapkamer heeft getrokken en/of-(vervolgens) heeft getracht de slaapkamer te openen, waarin die Paisan zich met haar moeder en broer verscholen hield(en),terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 1 subsidiair hij op of omstreeks 24 september 2025 te Volendam, althans in Nederland, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord of doodslag op [benadeelde 1] ,-zwarte /donkerkleurige kleding en/of schoenen en/of-een of meerdere zwarte (latex) handschoenen en/of-een of meerdere mondkapje(s) en/of-een of meerdere messen en/of-een of meerdere glassnijders en/of-duct tapeheeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf;

feit 2 hij, op of omstreeks 24 september 2025 te Volendam, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een raam en/of een deur van een woning, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

feit 3 hij op of omstreeks 24 september 2025 te Volendam, althans in Nederland [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, doordat hij- terwijl hij donkere kleding en/of donkere schoenen en/of een hoodie en/of een pet en/of mondkapje en/of zwarte (latex) handschoenen droeg en/of-zich in de nachtelijke uren naar de woning heeft begeven waar die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] aanwezig waren en/of-een raam van de deur van die woning heeft gebroken/stuk heeft gemaakt met een glassnijder en/of een baksteen en/of-zich vervolgens de toegang tot die woning heeft verschaft en/of-in die woning het camera systeem onbruikbaar heeft gemaakt en/of-naar de boven verdieping van die woning is gegaan met de twee messen en/of de duct tape en/of-aldaar de deur van de slaapkamer van die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 3] heeft opengedaan en/of-het dekbed van het bed in de slaapkamer van [benadeelde 1] heeft getrokken en/of-(vervolgens) heeft getracht de slaapkamer te openen, waarin die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en of [benadeelde 3] zich verscholen hielden;

feit 4 hij op of omstreeks 24 september 2025, te Volendam, in een woning, gelegen aan de Burgermeester Kolfschotenstraat 1 en in gebruik bij [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en of [benadeelde 3] , althans een ander of anderen dan verdachte, wederrechtelijk is binnengedrongen.

Bijlage 2

De bewijsmiddelen

(..)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand