RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/240353-25 (P)
Uitspraakdatum: 20 oktober 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 6 oktober 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Verdonk, en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. V. Mes, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1 primair
hij op of omstreeks 11 januari 2025 te Venhuizen, gemeente Drechterland als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Twijver zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, -bij verminderd zicht door zonlicht-
- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat zou zijn om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- bij het afslaan naar links, teneinde de Tuinstraat in te rijden, een hem op het verlengde van die weg, genaamd het Westeinde, tegemoetkomende fietsster niet voor te laten gaan en/of
- met onverminderde of nauwelijks verminderde snelheid aan te rijden tegen die fietsster,
waardoor zij (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een op meer plaatsen gebroken linker arm en/of een gebroken linker enkel en/of 2 gebroken ribben en/of een gebroken ruggenwervel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
feit 1 subsidiair
hij op of omstreeks 11 januari 2025 te Venhuizen, gemeente Drechterland als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Twijver,
- zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- bij het afslaan naar links, teneinde de Tuinstraat in te rijden, een hem op het verlengde van die weg, genaamd het Westeinde, tegemoetkomende fietsster niet heeft laten voorgaan en/of
- met onverminderde of nauwelijks verminderde snelheid is aangereden tegen die fietsster, waarbij letsel aan die persoon is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
feit 2
hij op of omstreeks 11 januari 2025 te Venhuizen, gemeente Drechterland als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Twijver, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot feit 1 acht zij bewezen dat het ongeval is te wijten aan de schuld van de verdachte als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). De verdachte heeft op de T-splitsing geen voorrang verleend aan een hem tegemoetkomende fietser toen hij linksaf sloeg. Hij heeft zijn rijgedrag niet aangepast, toen hij voordat hij de bocht wilde nemen, werd verblind door de zon en daardoor niets kon zien. De officier van justitie kwalificeert dit handelen van de verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Het letsel van het slachtoffer kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. De verdachte kan enkel worden verweten dat hij door een kort moment van onoplettendheid op een T-splitsing geen voorrang heeft verleend aan een hem tegemoetkomende fietser, waardoor hij met het slachtoffer in botsing is gekomen. Die enkele verkeersfout levert volgens de raadsman niet de onder artikel 6 WVW 1994 minimaal vereiste mate van schuld op. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Subsidiair heeft de raadsman ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit bepleit dat het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend.
De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde feit kan worden bewezen.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsoverweging feit 1 primair
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 11 januari 2025 omstreeks 15.30 uur reed de verdachte als bestuurder van een personenauto in Venhuizen. De verdachte reed op de Twijver in de richting van de T-splitsing met het Westeinde en de Tuinstraat. Het slachtoffer fietste vanuit het Westeinde in de richting van de Twijver. Op het moment dat de verdachte naar links afsloeg richting de Tuinstraat is hij in botsing gekomen met het slachtoffer. Het slachtoffer heeft als gevolg van deze botsing onder andere een gebroken linkerarm, een gebroken linkerenkel, twee gebroken ribben en een gebroken ruggenwervel opgelopen. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het slachtoffer niet heeft gezien, omdat hij werd verblind door de laagstaande zon.
Juridisch kader
De rechtbank moet beoordelen of de verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor het slachtoffer (zwaar) lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het begrip “schuld” in de zin van artikel 6 WVW 1994 houdt in dat minimaal sprake moet zijn geweest van een aanmerkelijke mate van verwijtbaar onvoorzichtig en/of onoplettend handelen. Er is sprake van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid als de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid kunnen worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer bijzondere gevallen als roekeloos handelen. Bij de beoordeling of sprake is van “schuld” in de zin van artikel 6 WVW 1994 en zo ja, in welke gradatie, gaat het om het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de omstandigheden van het geval.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de verdachte als bestuurder van een personenauto, in strijd met de geldende verkeersregels, geen voorrang heeft verleend aan een hem tegemoetkomende fietser en vervolgens met deze fietser in botsing is gekomen. De verdachte heeft verklaard dat hij door de laagstaande zon niets zag voordat hij de bocht inging en daardoor de fietser niet heeft opgemerkt. Van een bestuurder mag onder de gegeven omstandigheden van een laagstaande zon worden verwacht dat hij voorzorgsmaatregelen treft, waaronder het verminderen van zijn snelheid of het helemaal stoppen voordat wordt afgeslagen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte hierin is tekortgeschoten. Uit de camerabeelden die onderdeel uitmaken van het dossier blijkt namelijk dat de zon al enige tijd op de voorruit van de auto van de verdachte scheen, terwijl hij op de T-splitsing afreed. Van een plotselinge, onverwachte verblinding door de zon of een kort moment van onoplettendheid was dus geen sprake. De verdachte heeft voldoende gelegenheid gehad om de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen en zijn snelheid te verminderen of te stoppen, voordat hij linksaf sloeg. Dit heeft hij nagelaten. De verdachte was bovendien bekend met de T-splitsing en wist dat daar andere weggebruikers aanwezig konden zijn. Ondanks deze wetenschap en het feit dat zijn zicht werd gehinderd door de zon, heeft hij zijn snelheid nauwelijks verminderd en niet gecontroleerd of sprake was van tegemoetkomend verkeer voordat hij linksaf sloeg. Daardoor heeft het ongeval plaatsgevonden.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en het verkeersongeval aan zijn schuld is te wijten als bedoeld in artikel 6 WVW 1994.
Verder stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer als gevolg van het verkeersongeval zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat:
feit 1 primair
hij op 11 januari 2025 te Venhuizen, gemeente Drechterland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg de Twijver, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, bij verminderd zicht door zonlicht,
- zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat zou zijn om zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en
- bij het afslaan naar links, teneinde de Tuinstraat in te rijden, een hem op het verlengde van die weg, genaamd het Westeinde, tegemoetkomende fietsster niet voor te laten gaan en
- met nauwelijks verminderde snelheid aan te rijden tegen die fietsster,
waardoor zij (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken linkerarm en een gebroken linkerenkel en 2 gebroken ribben en een gebroken ruggenwervel werd toegebracht;
feit 2
hij op 11 januari 2025 te Venhuizen, gemeente Drechterland als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Twijver, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
feit 2: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor feit 1 zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie gevorderd de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Indien de rechtbank de verdachte veroordeelt voor feit 1 primair, heeft de raadsman verzocht een taakstraf van zestig uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. Daarnaast heeft de raadsman verzocht de verdachte voor feit 2 schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval door zich als bestuurder van een personenauto aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te gedragen, terwijl hij niet over een rijbewijs beschikte. De verdachte is op een T-splitsing linksaf geslagen, terwijl hij werd verblind door de laagstaande zon en heeft daarbij geen voorrang verleend aan een hem tegemoetkomende fietser, waardoor een botsing is ontstaan. Hierdoor heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Zij heeft een gebroken arm, een gebroken linkerenkel, twee gebroken ribben en een gebroken ruggenwervel opgelopen. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring volgt dat het ongeval grote impact heeft gehad op het slachtoffer en dat zij, ondanks een langdurig revalidatietraject, nog altijd niet volledig is hersteld.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 28 augustus 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van Reclassering Nederland van 9 maart 2026. De reclassering schat het risico op recidive in als laag en vindt interventies en toezicht niet nodig.
De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de verdachte direct openheid van zaken heeft gegeven en verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen, onder meer door contact te zoeken met het slachtoffer. Bovendien blijkt uit het dossier en de houding en verklaring van de verdachte ter zitting dat hij oprecht spijt heeft en is doordrongen van de ernst van de gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank weegt dit in het voordeel van de verdachte mee bij het bepalen van de straf.
Op te leggen straf
Feit 1 primair
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Op basis van die oriëntatiepunten wordt voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer in de regel een taakstraf van 120 uren en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden opgelegd. Deze straffen zijn voor de rechtbank het uitgangspunt.
De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte echter aanleiding om enigszins af te wijken van dit uitgangspunt, omdat de verdachte op dit moment niet over een rijbewijs beschikt. De rechtbank ziet hierin aanleiding om een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen als waarschuwing aan de verdachte om, zodra hij wel over een rijbewijs beschikt, niet opnieuw de fout in te gaan.
Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een taakstraf voor de duur van 120 uren en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden en daaraan een proeftijd van twee jaar verbinden.
Feit 2
Alles afwegende is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de straf die voor feit 1 wordt opgelegd, voor dit feit geen afzonderlijke straf of maatregel moet worden opgelegd.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht.
6, 107, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Feit 1 primair
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 120 [honderdtwintig] uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 60 [zestig] dagen hechtenis.
Veroordeelt de verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 [zes] maanden. Beveelt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op 2 [twee] jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Feit 2
Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.M.C. de Haan, voorzitter,
mr. A. Buiskool en mr. G. Elst, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2026.
Bijlage
De bewijsmiddelen
(..)