RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/351992-25 (P)
Uitspraakdatum: 23 september 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 september 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. Prins en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.I. Keukens, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
De verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat hij zich op 31 oktober 2025 schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1: medeplegen van brandstichting en/of het veroorzaken van een ontploffing bij de woning aan de [adres 2] , terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;
feit 2: medeplegen van het beschadigen van de auto van [benadeelde 1] ;
feit 3: medeplegen van het beschadigen van de auto van [benadeelde 2] .
De volledige tenlastelegging staat in de bijlage en maakt deel uit van dit vonnis.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is om van de zaak kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3, waarbij hij ten aanzien van feit 1 heeft gevorderd de verdachte partieel vrij te spreken van het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
Standpunt van de verdediging
De verdachte heeft de feiten bekend. Zijn raadsvrouw heeft betoogd dat er geen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar te duchten is geweest, zodat de verdachte van dit onderdeel van feit 1 moet worden vrijgesproken. Voor het overige heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Partiële vrijspraak van feit 1
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen bewijs bevat waaruit volgt dat bij de ontploffing gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voor personen te duchten was. De rechtbank zal de verdachte daarom van dit onderdeel van feit 1 vrijspreken.
Bewijs
De rechtbank komt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen tot een bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3. Aangezien de verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen.
Ten aanzien van feit 1
de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van9 september 2026;
een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 3] van 31 oktober 2025 (p. 75 e.v.);
een proces-verbaal van brandonderzoek forensische opsporing van 5 november 2025 (p. 105 e.v.);
ten aanzien van feit 2
de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van9 september 2026;
een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] van 4 november 2025 (p. 86 e.v.);
een proces-verbaal van brandonderzoek forensische opsporing van 5 november 2025 (p. 105 e.v.);
ten aanzien van feit 3
de bekennende verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van9 september 2026;
een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] van 5 november 2025 (p. 89 e.v.);
een proces-verbaal van brandonderzoek forensische opsporing van 5 november 2025 (p. 105 e.v.).
De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat:
feit 1 hij op 31 oktober 2025 te IJmuiden, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een cobra tegen de voordeur van de woning aan de [adres 2] te zetten en vervolgens af te steken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning aan de [adres 2] en in de directe nabijheid geparkeerde auto's, te duchten was;feit 2
hij op 31 oktober 2025 te IJmuiden, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft beschadigd;
feit 3 hij op 31 oktober 2025 te IJmuiden, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, die aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft beschadigd.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op de eendaadse samenloop van:
feit 1: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,
en
feit 2 en feit 3, telkens: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 367 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 365 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel moeten de volgende bijzondere voorwaarden worden verbonden: een contactverbod met de medeverdachte en een locatieverbod voor de [adres 2] . Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zij heeft verzocht om maximaal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, met daarnaast eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, waarbij wordt verzocht de eis van de officier van justitie te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing bij een woning en het beschadigen van twee auto’s. In de nacht van 31 oktober 2025 is de verdachte samen met de medeverdachte naar de woning aan de [adres 2] gereden. De medeverdachte verkeerde ten onrechte in de veronderstelling dat haar nicht, met wie zij ruzie had, daar woonde. Bij de voordeur, ter hoogte van de brievenbus, hebben zij een Cobra 6 tot ontploffing gebracht. Op het moment van de ontploffing lagen de bewoners van het huis, die geen enkele relatie tot de verdachte en de medeverdachte hadden, boven te slapen. Door de ontploffing zijn onder meer de voordeur en twee auto’s die dicht bij de woning geparkeerd stonden beschadigd.
Aanslagen met zwaar vuurwerk en andere explosieven in woonwijken zijn een groot en toenemend maatschappelijk probleem. Dergelijke aanslagen leiden tot onveiligheid en tot gevoelens van angst en onrust in de samenleving in het algemeen en bij de vaak nietsvermoedende bewoners van woningen waar een explosief wordt geplaatst in het bijzonder. Dat de ontploffing van de Cobra 6 op de [adres 2] een grote impact heeft gehad op het gezin dat daar woont, blijkt ook uit de slachtofferverklaringen die de vader en de dochter op de zitting hebben voorgelezen. Zij zijn op 31 oktober 2025 enorm geschrokken en heel bang geweest en zij verkeerden lange tijd in de veronderstelling dat zij doelwit waren van een gerichte aanslag, in plaats van volstrekt onschuldige slachtoffers van een verdachte die zich in een adres had vergist. De verdachte heeft bij zijn handelen geen enkele rekening gehouden met deze ernstige gevolgen.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 27 juli 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van GGZ Reclassering Fivoor van 20 augustus 2026. De reclassering schat het risico op recidive in als laag tot gemiddeld. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft de verdachte stappen in de goede richting gezet. Zo heeft hij onder meer een gedragsinterventie afgerond en het contact met de begeleiding van het RIBW (begeleid wonen) hersteld. De verdachte heeft de handvatten die hem tijdens het toezicht zijn aangereikt, gemotiveerd opgepakt. De reclassering beschrijft dat de verdachte veel heeft geleerd, maar dat zijn psychosociaal functioneren kwetsbaar blijft. De positieve lijn die de verdachte heeft ingezet is nog pril en behoeft verdere monitoring en begeleiding. De verdachte krijgt begeleiding vanuit het RIBW en behandeling van FACT Parnassia. Nu de verdachte voldoende is ingebed in de bestaande hulpverlening, acht de reclassering interventies en toezicht niet noodzakelijk en adviseert zij om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van de gepleegde feiten acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om hiervan af te wijken. Hierbij houdt de rechtbank rekening met het volgende.
De verdachte is een kwetsbare man, met een licht verstandelijke beperking. Hij is impulsief en beïnvloedbaar en heeft zich in een periode van afzondering en eenzaamheid door de medeverdachte laten overtuigen om geweld te plegen bij het huis waar iemand zou wonen met wie zij ruzie had. Hij heeft zijn rol direct en onvoorwaardelijk bekend, zich schuldbewust opgesteld, door middel van mediation contact gezocht met de slachtoffers gezocht en ter zitting uitvoerig spijt betuigd. De rechtbank vindt hem hierin oprecht overkomen. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat de verdachte sinds het incident goed is ingebed in de hulpverlening en de zorg en begeleiding krijgt die voor hem noodzakelijk is. Hij heeft dit gemotiveerd aangegrepen. Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft de verdachte stappen gezet en lering getrokken uit de gedragsinterventie en meldplicht, waardoor het recidiverisico wordt ingeschat op laag-gemiddeld. Verder waarschuwt de reclassering dat de verdachte bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn woning bij begeleid wonen zou kunnen verliezen.
Onder deze omstandigheden acht de rechtbank, ondanks de ernst van de feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan het voorarrest niet in het maatschappelijk belang, en om die reden niet passend. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf van 367 dagen opleggen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 365 dagen voorwaardelijk. Een groot voorwaardelijk strafdeel moeten dienen als stok achter de deur. Aan de voorwaardelijke straf zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden, met als bijzondere voorwaarden een contactverbod met de medeverdachte en een locatieverbod voor de [adres 2] . Vanwege de ernst van het feit zal de rechtbank daarnaast een taakstraf van de maximale duur van 240 uur opleggen.
7. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
Vordering benadeelde partij [benadeelde 4]
Namens de benadeelde partij heeft zijn advocaat, mr. A.M. Buitenhuis, een vordering tot schadevergoeding van € 4.761,97, ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde materiële schade betreft € 1.761,97, bestaande uit het eigen risico voor zorgkosten (€ 354,09), beveiligingscamera’s (€ 838,-) en een abonnement voor de beveiligingscamera’s (€ 569,88). Daarnaast wordt, zo begrijpt de rechtbank, € 3.000,- aan immateriële schade gevorderd, gelet op de al door het Schadefonds Geweldsmisdrijven uitgekeerde vergoeding van € 1.000,-.
Verder vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 3.000,- aan toekomstige materiële schade en € 4.000,- aan toekomstige immateriële schade in verband met een eventuele hoger beroepsprocedure.
Tot slot vordert de benadeelde partij de vordering hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële en immateriële schade kan worden toegewezen, omdat deze kosten rechtstreeks verband houden met het strafbare feit en voldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de toekomstige materiële en immateriële schade moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. De officier van justitie heeft gevorderd het bedrag hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het rechtstreekse verband tussen de kosten van het eigen risico aan zorgkosten en het feit niet kan worden vastgesteld, omdat de benadeelde partij al psychische klachten had voordat de ontploffing plaatsvond. Nu niet kan worden vastgesteld welk deel van de kosten van het eigen risico verband houdt met de ontploffing, heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Daarnaast heeft zij verzocht de kosten voor de beveiligingscamera’s en de daarmee samenhangende abonnementskosten af te wijzen, omdat ook hier het rechtstreekse verband ontbreekt. Verder heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade moet worden gematigd tot € 1.000,- en dat de benadeelde partij ten aanzien van de toekomstige schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade bestaande uit het eigen risico voor de zorgkosten voldoende is onderbouwd en rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit, nu uit het ingebrachte behandeladvies volgt dat de benadeelde partij zich direct ná het bewezenverklaarde feit heeft gemeld met psychische klachten als gevolg van de ontploffing. Ook de kosten die zijn gemaakt voor de aanschaf van de beveiligingscamera’s en de daarmee samenhangende abonnementskosten zullen worden toegewezen. Uit de toelichting bij de vordering en uit de slachtofferverklaring blijkt dat de benadeelde partij zich als gevolg van de ontploffing bij zijn woning erg angstig voelt. Om zijn gevoel van veiligheid terug te krijgen, heeft hij zeer kort na het incident het beveiligingssysteem met abonnement aangeschaft. De rechtbank is van oordeel dat het ontstane gevoel van onveiligheid bij de benadeelde partij een rechtstreeks gevolg is van de door de verdachte veroorzaakte ontploffing, waardoor de als gevolg hiervan gemaakte kosten ook voor rekening van de verdachte dienen te komen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de ontploffing een grote impact heeft gehad op de benadeelde partij en dat hij hierdoor psychische klachten heeft opgelopen die passen bij een posttraumatische stressstoornis (PTSS). De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van aantasting in de persoon. Daarmee bestaat een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade.
De rechtbank acht, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de onderbouwing van de vordering, alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend en de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal in het bijzonder paragraaf 14.2 (PTSS) het gevorderde bedrag van € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding billijk en voor toewijzing vatbaar.
Toekomstige schade
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet vaststaat dat deze kosten daadwerkelijk zullen worden gemaakt.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij zal dus gedeeltelijk worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 4.761,97, bestaande uit € 1.761,97 materiële schade en € 3.000,- immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor hoofdelijk aansprakelijk. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 4.761,97 aan de Staat moet betalen.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 5]
Namens de benadeelde partij heeft haar advocaat, mr. A.M. Buitenhuis, een vordering tot schadevergoeding van € 3.705,48, ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde materiële schade betreft € 705,48, bestaande uit het eigen risico voor zorgkosten. Daarnaast wordt, zo begrijpt de rechtbank, € 3.000,- aan immateriële schade gevorderd, gelet op de al door het Schadefonds Geweldsmisdrijven uitgekeerde vergoeding van € 1.000,-.
Verder vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 3.000,- aan toekomstige materiële schade en € 4.000,- aan toekomstige immateriële schade in verband met een eventuele hoger beroepsprocedure.
Tot slot verzoekt de benadeelde partij de vordering hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële en immateriële schade kan worden toegewezen, omdat deze kosten rechtstreeks verband houden met het strafbare feit en voldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de toekomstige materiële en immateriële schade moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. De officier van justitie heeft gevorderd het toegewezen bedrag hoofdelijk op te leggen, te vermeerderen met de wettelijke rente en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de gevorderde materiële schade niet betwist. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade moet worden gematigd tot € 1.000,- en dat de benadeelde partij ten aanzien van de toekomstige schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd en door de verdediging niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden ter hoogte van het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de ontploffing een grote impact heeft gehad op de benadeelde partij en dat zij sindsdien kampt met psychische en lichamelijke klachten die passen bij een acute stressstoornis. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van aantasting in de persoon. Daarmee bestaat een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade.
De rechtbank acht, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de onderbouwing van de vordering, alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend en de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal in het bijzonder paragraaf 14.2 (PTSS) tot het gevorderde bedrag van € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding billijk en voor toewijzing vatbaar.
Toekomstige schade
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet vaststaat dat deze kosten daadwerkelijk zullen worden gemaakt.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij zal dus gedeeltelijk worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 3.705,48, bestaande uit € 705,48 materiële schade en € 3.000,- immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor hoofdelijk aansprakelijk. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 3.705,48 aan de Staat moet betalen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 55, 157, 350 van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 367 [driehonderdzevenenzestig] dagen.
Beveelt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 365 [driehonderdvijfenzestig] dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met de medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] ;
- zich niet in de [adres 2] bevindt.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 240 [tweehonderdveertig] uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 [honderdtwintig] dagen hechtenis.
Vorderingen van de benadeelde partijen
[benadeelde 4]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 4.761,97, bestaande uit € 1.761,97 als vergoeding voor de materiële en € 3.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 4] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.761,97, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 47 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte, [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] , aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
[benadeelde 5]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 3.705,48, bestaande uit € 705,48 als vergoeding voor de materiële en € 3.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 5] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 5] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.705,48, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte, [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] , aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Voorlopige hechtenis
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.H. de Jonge Van Ellemeet, voorzitter,
mr. P.A. Hesselink en mr. M. van Doesburg, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 september 2026.
Bijlage
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op of omstreeks 31 oktober 2025 te IJmuiden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een cobra, althans een brandbaar en/of explosief materiaal, tegen de (voor)deur van de woning aan de [adres 2] te zetten/plakken en vervolgens af te steken, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning op/aan de [adres 2] en/of omliggende woningen in de [adres 2] en/of het wegdek en/of in de directe nabijheid geparkeerde auto's en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor bewoners en/of aanwezige personen op/nabij de [adres 2] te duchten was;
feit 2
hij op of omstreeks 31 oktober 2025 te IJmuiden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
feit 3
hij op of omstreeks 31 oktober 2025 te IJmuiden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.