RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/303339-25, 15/171481-24 (vord tul), 23/000675-23 (vord tul) en
23/001577-23 (vord tul)
Uitspraakdatum: 23 september 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 september 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1],
nu gedetineerd in P.I. Zwolle.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. Prins en van wat de verdachte en haar raadsvrouw, mr. S.W. Kuijpers, advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
De verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat zij zich op 31 oktober 2025 schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1: medeplegen van brandstichting en/of het veroorzaken van een ontploffing bij de woning aan de [adres 2], terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;
feit 2: medeplegen van het beschadigen van de auto van [benadeelde 1];
feit 3: medeplegen van het beschadigen van de auto van [benadeelde 2].
De volledige tenlastelegging staat in bijlage 1 en maakt deel uit van dit vonnis.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd om van de zaak kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3, waarbij hij ten aanzien van feit 1 heeft gevorderd de verdachte partieel vrij te spreken van het levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de verdachte ontkent betrokken te zijn geweest bij het veroorzaken van een ontploffing. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte ten aanzien van feit 1 moet worden vrijgesproken van het onderdeel levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.
Oordeel van de rechtbank
Partiële vrijspraak van feit 1
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen bewijs bevat waaruit volgt dat bij de ontploffing gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voor personen te duchten was. De rechtbank zal de verdachte daarom van dit onderdeel van feit 1 vrijspreken.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 3 op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage 2 bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsoverweging
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde op de zitting het volgende vast. Op 31 oktober 2025 omstreeks 03:22 uur heeft een ontploffing plaatsgevonden bij de woning aan de [adres 2]. De ontploffing is veroorzaakt doordat een Cobra 6 in de brievenbus is geplaatst en is aangestoken. Uit de camerabeelden van de aanwezige Ring-deurbel blijkt dat twee personen op een scooter komen aanrijden, waarna de vrouwelijke bijrijder afstapt en de Cobra bij het huis tot ontploffing brengt. Deze bijrijder wordt door meerdere verbalisanten herkend als de verdachte. Verder heeft de medeverdachte verklaard dat hij op 31 oktober 2025 als bestuurder, met de verdachte als bijrijder, naar de woning aan de [adres 2] is gereden, waar de verdachte vervolgens een Cobra 6 heeft afgestoken. Deze verklaring wordt verder ondersteund door WhatsApp-gesprekken die de verdachte voorafgaand aan het incident met de medeverdachte heeft gevoerd, waarin zij uitvoerig spreken over het gooien van een cobra door de brievenbus aan de [adres 2].
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin dat:
feit 1
zij op 31 oktober 2025 te IJmuiden, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een cobra tegen de voordeur van de woning aan de [adres 2] te zetten en vervolgens af te steken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning aan de [adres 2] en in de directe nabijheid geparkeerde auto's, te duchten was;
feit 2
zij op 31 oktober 2025 te IJmuiden, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, die aan [benadeelde 1] toebehoorde, heeft beschadigd;
feit 3
zij op 31 oktober 2025 te IJmuiden, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, die aan [benadeelde 2] toebehoorde, heeft beschadigd.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op de eendaadse samenloop van:
feit 1: medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,
en
feit 2 en feit 3, telkens: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van eenentwintig maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie vordert daarnaast een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor de duur van twee jaar, inhoudende een contactverbod met de medeverdachte en een locatieverbod voor de [adres 2]. Voor iedere overtreding van deze maatregel moet een week vervangende hechtenis worden toegepast, met een maximum van zes maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zij heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing bij een woning en het beschadigen van twee auto’s. In de nacht van 31 oktober 2025 is de verdachte samen met de medeverdachte naar de woning aan de [adres 2] gereden. De verdachte verkeerde ten onrechte in de veronderstelling dat haar nicht, met wie zij ruzie had, daar woonde. Bij de voordeur, ter hoogte van de brievenbus, hebben zij een Cobra 6 tot ontploffing gebracht. Op het moment van de ontploffing lagen de bewoners van het huis, die geen enkele relatie tot de verdachte en de medeverdachte hadden, boven te slapen. Door de ontploffing zijn onder meer de voordeur en twee auto’s die dicht bij de woning geparkeerd stonden beschadigd.
Aanslagen met zwaar vuurwerken en andere explosieven in woonwijken zijn een groot en toenemend maatschappelijk probleem. Dergelijke situaties leiden tot onveiligheid en tot gevoelens van angst en onrust in de samenleving in het algemeen en bij de vaak nietsvermoedende bewoners van woningen waar een explosief wordt geplaatst in het bijzonder. Dat de ontploffing van de Cobra 6 op de [adres 2] een grote impact heeft gehad op het gezin dat daar woont, blijkt ook uit de slachtofferverklaringen die de vader en de dochter op de zitting hebben voorgelezen. Zij zijn op 31 oktober 2025 enorm geschrokken en heel bang geweest en zij verkeerden lange tijd in de veronderstelling dat zij doelwit waren van een gerichte aanslag, in plaats van volstrekt onschuldige slachtoffers van een verdachte die zich in een adres had vergist. De verdachte heeft bij haar handelen geen enkele rekening gehouden met deze ernstige gevolgen.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 8 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting. Bovendien liep de verdachte op 31 oktober 2025 in vier proeftijden van eerdere veroordelingen. Dit heeft haar er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van GGZ Reclassering Tactus van 24 augustus 2026. De reclassering kan het risico op recidive niet inschatten, omdat er vanwege de ontkennende houding van de verdachte geen zicht is op delictgerelateerde factoren. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat zij geen mogelijkheden ziet om met interventies of toezicht het gedrag van de verdachte te veranderen.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 19 mei 2026, opgesteld door [psychiater], psychiater. Uit dit rapport blijkt onder meer dat bij de verdachte sprake is van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, antisociale persoonlijkheidstrekken (DD antisociale persoonlijkheidsstoornis), een stoornis in het gebruik van amfetamine (onduidelijk is hoe lang deze in remissie is) en zwakbegaafdheid. Het is onduidelijk in hoeverre op de pleegdatum sprake was van een psychotisch toestandsbeeld maar het lijkt waarschijnlijk dat er wel psychotische symptomen aanwezig waren, gezien het door de GGZ beschreven chronische karakter hiervan en de nu ook nog onderliggende wanen. In welke mate die symptomen aanwezig waren, is niet vast te stellen. De antisociale persoonlijkheidstrekken en zwakbegaafdheid waren ten tijde van het tenlastegelegde bij de verdachte aanwezig. Omdat de verdachte de feiten ontkent, kan de psychiater geen delictscenario opstellen. Hierdoor is het voor de psychiater niet mogelijk conclusies te trekken over de vraag of en, zo ja, in welke mate de genoemde (psychische) stoornissen van invloed zijn geweest op de keuzes en het gedrag van de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en de ernst van de gepleegde feiten acht de rechtbank enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gerechtvaardigd. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en gekeken naar straffen die Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken hebben opgelegd. Voor het bij een plofkraak veroorzaken van een ontploffing waarbij gemeen gevaar voor goederen te duchten was, geldt op basis van de oriëntatiepunten een gevangenisstraf van twee jaar als uitgangspunt.
De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om in haar voordeel enigszins af te wijken van dit uitgangspunt. De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de psychische kwetsbaarheid van de verdachte en de bij haar vastgestelde psychische problematiek.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van eenentwintig maanden passend en geboden, met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
Vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr De rechtbank is van oordeel dat ter voorkoming van strafbare feiten de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid moet worden opgelegd aan de verdachte voor de duur van twee jaren, inhoudende dat de verdachte:
op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met de medeverdachte;
zich niet in de [adres 2] bevindt.
De rechtbank zal daarbij bepalen dat iedere overtreding van het contact- of locatieverbod een week vervangende hechtenis tot gevolg heeft, met een maximum van zes maanden.
7. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
Vordering benadeelde partij [benadeelde 3]
Namens de benadeelde partij, heeft zijn advocaat, mr. A.M. Buitenhuis, een vordering tot schadevergoeding van € 4.761,97, ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde materiële schade betreft € 1.761,97, bestaande uit het eigen risico voor zorgkosten (€ 354,09), beveiligingscamera’s (€ 838,-) en een abonnement voor de beveiligingscamera’s (€ 569,88). Daarnaast wordt, zo begrijpt de rechtbank, € 3.000,- aan immateriële schade gevorderd, gelet op de al door het Schadefonds Geweldsmisdrijven uitgekeerde vergoeding van € 1.000,-.
Verder vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 3.000,- aan toekomstige materiële schade en € 4.000,- aan toekomstige immateriële schade in verband met een eventuele hoger beroepsprocedure.
Tot slot vordert de benadeelde partij de vordering hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële en immateriële schade kan worden toegewezen, omdat deze kosten rechtstreeks verband houden met het strafbare feit en voldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de toekomstige materiële en immateriële schade moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. De officier van justitie heeft gevorderd het bedrag hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens de bepleite vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit.
Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het rechtstreekse verband tussen de kosten van het eigen risico aan zorgkosten en het feit niet kan worden vastgesteld, omdat de benadeelde partij al psychische klachten had voordat de ontploffing had plaatsgevonden. Nu niet kan worden vastgesteld welk deel van de kosten van het eigen risico verband houdt met de ontploffing, heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Daarnaast heeft zij verzocht de benadeelde partij ten aanzien van de kosten voor de beveiligingscamera’s en de daarmee samenhangende abonnementskosten niet-ontvankelijk te verklaren, omdat ook hier het rechtstreekse verband ontbreekt. Verder heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade moet worden gematigd tot € 1.000,- en dat de benadeelde partij ten aanzien van de toekomstige schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade bestaande uit het eigen risico voor de zorgkosten voldoende is onderbouwd en rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit, nu uit het ingebrachte behandeladvies volgt dat de benadeelde partij zich direct ná het bewezenverklaarde feit heeft gemeld met psychische klachten als gevolg van de ontploffing. Ook de kosten die zijn gemaakt voor de aanschaf van de beveiligingscamera’s en de daarmee samenhangende abonnementskosten zullen worden toegewezen. Uit de toelichting bij de vordering en uit de slachtofferverklaring blijkt dat de benadeelde partij zich als gevolg van de ontploffing bij zijn woning erg angstig voelt. Om zijn gevoel van veiligheid terug te krijgen, heeft hij zeer kort na het incident het beveiligingssysteem met abonnement aangeschaft. De rechtbank is van oordeel dat het ontstane gevoel van onveiligheid bij de benadeelde partij een rechtstreeks gevolg is van de door de verdachte veroorzaakte ontploffing, waardoor de als gevolg hiervan gemaakte kosten ook voor rekening van de verdachte dienen te komen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de ontploffing een grote impact heeft gehad op de benadeelde partij en dat hij hierdoor psychische klachten heeft opgelopen die passen bij een posttraumatische stressstoornis (PTSS). De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van aantasting in de persoon. Daarmee bestaat een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade.
De rechtbank acht, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de onderbouwing van de vordering, alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend en de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal in het bijzonder paragraaf 14.2 (PTSS) het gevorderde bedrag van € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding billijk en voor toewijzing vatbaar.
Toekomstige schade
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet vaststaat dat deze kosten daadwerkelijk zullen worden gemaakt.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij zal dus gedeeltelijk worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 4.761,97, bestaande uit € 1.761,97 materiële schade en € 3.000,- immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor hoofdelijk aansprakelijk. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 4.761,97 aan de Staat moet betalen.
Vordering benadeelde partij [benadeelde 4]
Namens de benadeelde partij heeft haar advocaat, mr. A.M. Buitenhuis, een vordering tot schadevergoeding van € 3.705,48, ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde materiële schade betreft € 705,48, bestaande uit het eigen risico voor zorgkosten. Daarnaast wordt, zo begrijpt de rechtbank, € 3.000,- aan immateriële schade gevorderd, gelet op de al door het Schadefonds Geweldsmisdrijven uitgekeerde vergoeding van € 1.000,-.
Verder vordert de benadeelde partij een vergoeding van € 3.000,- aan toekomstige materiële schade en € 4.000,- aan toekomstige immateriële schade in verband met een eventuele hoger beroepsprocedure.
Tot slot verzoekt de benadeelde partij de vordering hoofdelijk toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële en immateriële schade kan worden toegewezen, omdat deze kosten rechtstreeks verband houden met het strafbare feit en voldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van de toekomstige materiële en immateriële schade moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. De officier van justitie heeft gevorderd het toegewezen bedrag hoofdelijk op te leggen, te vermeerderen met de wettelijke rente en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens de bepleite vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde feit.
Subsidiair heeft de raadsvrouw de gevorderde materiële schade niet betwist. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade moet worden gematigd tot € 1.000,- en dat de benadeelde partij ten aanzien van de toekomstige schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
De vordering tot vergoeding van materiële schade is voldoende onderbouwd en – nu de rechtbank niet tot een vrijspraak komt – niet door de verdediging betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden ter hoogte van het gevorderde bedrag. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom geheel toe.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.
Uit de toelichting op de vordering blijkt dat de ontploffing een grote impact heeft gehad op de benadeelde partij en dat zij sindsdien kampt met psychische en lichamelijke klachten die passen bij een acute stressstoornis. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van aantasting in de persoon. Daarmee bestaat een wettelijke grondslag voor de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade.
De rechtbank acht, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de onderbouwing van de vordering, alsmede de bedragen die in min of meer vergelijkbare gevallen worden toegekend en de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse Schaal in het bijzonder paragraaf 14.2 (PTSS) tot het gevorderde bedrag van € 3.000,- aan immateriële schadevergoeding billijk en voor toewijzing vatbaar.
Toekomstige schade
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat niet vaststaat dat deze kosten daadwerkelijk zullen worden gemaakt.
Conclusie
De vordering van de benadeelde partij zal dus gedeeltelijk worden toegewezen, namelijk tot een bedrag van € 3.705,48, bestaande uit € 705,48 materiële schade en € 3.000,- immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor hoofdelijk aansprakelijk. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 3.705,48 aan de Staat moet betalen.
8. Vorderingen tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 9 januari 2025 in de zaak met parketnummer 15/171481-24 heeft de politierechter van deze rechtbank de verdachte wegens, kort gezegd, verduistering, mishandeling, overtreding van een verbod op het houden van dieren en dierenmishandeling, veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken.
Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 29 januari 2025 aan de verdachte toegezonden. De voornoemde proeftijd is ingegaan op 25 januari 2025 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
Daarnaast is de verdachte bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 september 2025 in de zaak met parketnummer 23/000675-23 wegens, kort gezegd, vernieling, beschadiging, wederspannigheid, handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, diefstal en bedreiging veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken.
Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 18 september 2025 aan de verdachte toegezonden. De voornoemde proeftijd is ingegaan op 17 september 2025 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
Verder is de verdachte bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 september 2025 in de zaak met parketnummer 23/001577-23 wegens, kort gezegd, poging tot zware mishandeling, vernieling, meermalen gepleegd en mishandeling veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken.
Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 18 september 2025 aan de verdachte toegezonden. De voornoemde proeftijd is ingegaan op 17 september 2025 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de voorwaardelijke straffen alsnog ten uitvoer zullen worden gelegd.
De raadsvrouw heeft verzocht de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen af te wijzen.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vorderingen te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen moeten worden toegewezen, omdat uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte de voorwaarden niet heeft nageleefd, nu zij zich voor het einde van de proeftijden opnieuw schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 38v, 38w, 47, 55, 157, 350 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 [eenentwintig] maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vrijheidsbeperkende maatregel ex 38v Sr
Legt aan de verdachte op de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 2 [twee] jaren, inhoudende dat de verdachte:
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 [een] week voor iedere keer dat een van de verboden wordt geschonden, met een maximum van 6 [zes] maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Vorderingen van de benadeelde partijen
[benadeelde 3]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 4.761,97, bestaande uit € 1.761,97 als vergoeding voor de materiële en € 3.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 3], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.761,97, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 47 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte, [medeverdachte], geboren op [geboortedatum 2], aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
[benadeelde 4]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 3.705,48, bestaande uit € 705,48 als vergoeding voor de materiële en € 3.000,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 4], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.705,48, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 37 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte, [medeverdachte], geboren op [geboortedatum 2], aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vorderingen tot tenuitvoerlegging
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/171481-24 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 [vier] weken, opgelegd bij vonnis van deze rechtbank van 9 januari 2025.
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 23/000675-23 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 [twee] weken, opgelegd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 september 2025.
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 23/001577-23 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 4 [vier] weken, opgelegd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 september 2025.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.H. de Jonge Van Ellemeet, voorzitter,
mr. P.A. Hesselink en mr. M. van Doesburg, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 september 2026.
Bijlage 1
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1
zij op of omstreeks 31 oktober 2025 te IJmuiden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een cobra, althans een brandbaar en/of explosief materiaal, tegen de (voor)deur van de woning aan de [adres 2] te zetten/plakken en vervolgens af te steken, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten de woning op/aan de [adres 2] en/of omliggende woningen in de [adres 2] en/of het wegdek en/of in de directe nabijheid geparkeerde auto's en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor bewoners en/of aanwezige personen op/nabij de [adres 2] te duchten was;
feit 2
zij op of omstreeks 31 oktober 2025 te IJmuiden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
feit 3
zij op of omstreeks 31 oktober 2025 te IJmuiden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
Bijlage 2
De bewijsmiddelen
(..)