ECLI:NL:RBNHO:2026:14448

ECLI:NL:RBNHO:2026:14448

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 22-10-2026
Zaaknummer 15/072951-26, 15/005269-24 (vord tul) en 10/220686-23 (vord tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

De verdachte heeft zich gedurende twee weken schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 104 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast wordt een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr opgelegd voor de duur van twee jaren.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/072951-26, 15/005269-24 (vord tul) en 10/220686-23 (vord tul) (P)

Uitspraakdatum: 23 september 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 september 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres 1],

nu verblijvende op het adres:

[adres 2].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B.R. Koenders en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. D.A.W. Dekker, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

De verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat hij in de periode van 20 januari 2026 tot en met 24 februari 2026 [benadeelde] (hierna: de aangeefster) heeft belaagd.

De volledige tekst van de tenlastelegging staat in bijlage 1 en maakt deel uit van dit vonnis.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is van de zaak kennis te nemen, dat de officier van justitie ontvankelijk is en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. Wel moet de verdachte partieel worden vrijgesproken van de bedreiging met een mes, omdat daarvoor onvoldoende bewijs is en moet de pleegperiode worden beperkt tot de periode van 21 januari 2026 tot en met 4 februari 2026.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hij geen opzettelijke, wederrechtelijke inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van:

het zich zonder redelijk doel ophouden bij of in de woning van de aangeefster;

het zich zonder toestemming toegang verschaffen tot haar woning;

het bedreigen van de aangeefster met een mes, en

het zoeken van contact met de aangeefster via sociale media.

Daarnaast heeft de raadsman bepleit in ieder geval de pleegperiode te beperken tot de dagen 3 februari 2026 tot en met 5 februari 2026.

Oordeel van de rechtbank

Partiële vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs waaruit volgt dat de verdachte contact heeft gezocht met de aangeefster via sociale media. De rechtbank zal hem daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage 2 bij dit vonnis zijn opgenomen.

Bewijsmotivering

3.3.3.1 Inleiding

De aangeefster en de verdachte zijn ex-partners en hebben samen twee minderjarige kinderen. De verdachte kwam in december 2025 vrij na een gevangenisstraf van twee jaar te hebben uitgezeten voor een poging tot doodslag op de aangeefster. Direct na zijn invrijheidsstelling is hij weer in contact gekomen met haar, naar eigen zeggen vanwege zorgen over de kinderen. Volgens de aangeefster verliep het contact zo’n twee tot drie weken goed, maar vonden al snel meerdere ernstige incidenten plaats. Zij heeft vervolgens op 28 januari 2026 en op 7 februari 2027 aangifte gedaan van bedreiging met een mes, huisvredebreuk en belaging. De verdachte ontkent dat deze incidenten hebben plaatsgevonden.

3.3.3.2 Juridisch kader

Van belaging, ook wel stalking genoemd, is sprake wanneer iemand een ander herhaaldelijk lastig valt en daardoor opzettelijk een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van die ander, om hem of haar te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel vrees aan te jagen. Het kan daarbij gaan om een herhaling van steeds dezelfde gedraging, maar ook om het samenstel van verschillende gedragingen. Bij de beoordeling of sprake is van belaging zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Voorts is van belang dat het bewijs niet kan berusten op slechts één getuigenverklaring. Voor een bewezenverklaring moet sprake zijn van ander bewijs dat voldoende steun biedt aan die verklaring (steunbewijs). Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat niet is vereist dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring door steunbewijs wordt gedekt. Het is voldoende dat de getuigenverklaring op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen die uit een andere bron afkomstig zijn. Daar staat tegenover dat tussen die verklaring en het overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.

3.3.3.3 De betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster

De aangeefster heeft uitvoerig, gedetailleerd en consistent verklaard over wat er is voorgevallen. Zij heeft verklaard dat zij op 21 januari 2026 de spullen van de verdachte in de tuin van haar woning heeft gezet, zoals afgesproken met de verdachte, waarna de verdachte deze heeft opgehaald. In de periode van 21 januari 2026 tot en met 4 februari 2026 heeft de verdachte veelvuldig contact met haar opgenomen, zowel via WhatsApp als telefonisch, terwijl zij de verdachte meerdere keren heeft verzocht haar met rust te laten.

Daarnaast heeft zij verklaard dat de verdachte in deze periode ongewenst en zonder toestemming bij en in haar woning is geweest, doordat hij vermoedelijk haar reservesleutel heeft weggenomen. Op 23 januari 2026 is de verdachte, terwijl de aangeefster niet thuis was, de woning binnengegaan en heeft hij een briefje voor de kinderen achtergelaten. Op 24 januari 2026 is hij wederom de woning binnengegaan. De aangeefster was op dat moment thuis met de kinderen. De verdachte heeft een mes gepakt, is dreigend voor de aangeefster gaan staan en heeft gezegd dat als hij haar niet kon krijgen, niemand haar kon krijgen. De aangeefster heeft vervolgens omstreeks 13.45 uur de politie gebeld en is met de kinderen gevlucht naar het huis van haar tante, waar de politie haar geadviseerd heeft haar sloten te vervangen.

Ook op 4 februari 2026 bevond de verdachte zich volgens de aangeefster bij haar woning. Omstreeks 04:12 uur werd aangebeld en zag zij op de deurbelcamera dat de verdachte voor de deur stond. De aangeefster heeft direct 112 gebeld. Drie minuten later werd op de achterdeur geklopt en zag zij de verdachte vanuit haar slaapkamerraam in de tuin staan. Zij belde wederom 112. Intussen zag de aangeefster op haar telefoon dat zij meerdere WhatsApp-berichten van de verdachte had ontvangen.

Uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting zijn aanwijzingen naar voren gekomen dat de aangeefster haar verklaringen valselijk heeft afgelegd. De verklaringen van de aangeefster worden bovendien op meerdere punten ondersteund, onder meer door de berichten en telefoonoproepen die zijn aangetroffen in haar telefoon, het aantreffen van het briefje en het door de aangeefster inschakelen van de politie. Dit draagt bij aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster.

De verdachte heeft hier tegenover gesteld dat hij enkel met toestemming in en bij de woning van de aangeefster is geweest en haar niet heeft belaagd. De verdachte heeft echter op veel vragen van de rechtbank geen antwoord kunnen geven, omdat hij geen herinnering zou hebben aan meerdere hem verweten gedragingen, zoals zijn handelingen op de momenten dat de aangeefster de politie of 112 belde. Ook heeft hij niet kunnen toelichten waarom hij een briefje achterliet in de woning van de aangeefster of wanneer en hoe hij haar huissleutel weer zou hebben ingeleverd. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte dan ook niet geloofwaardig.

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar en zal zij die als uitgangspunt voor de bewijsvoering nemen.

3.3.3.4 Het steunbewijs

De aangifte van de aangeefster vindt voldoende steun in andere bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De aangifte vindt in de eerste plaats steun in het briefje dat de aangeefster op 23 januari 2026 in haar woning heeft aangetroffen. De verdachte heeft bekend dat het briefje van hem afkomstig is, wat bevestigt dat de verdachte in de woning van de aangeefster is geweest.

De aangifte wordt ook ondersteund door de camerabeelden van 24 januari 2026, waaruit blijkt dat rond hetzelfde tijdstip dat de aangeefster de politie belt, een man met het postuur van de verdachte uit de woning van de aangeefster loopt.

De rechtbank stelt voorts vast dat met de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] veelvuldig contact is gezocht met de aangeefster. De aangeefster heeft verklaard dat beide nummers door de verdachte zijn gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank wordt dit bevestigd door de inhoud van de berichten, die onder andere gaan over de kinderen en verwijten die de verdachte de aangeefster maakt, en door het feit dat de moeder van de verdachte [telefoonnummer 2] belt, op het moment dat de politie haar vraagt haar zoon te bellen.

De verdachte heeft op 4 februari 2026 tussen 03:30 uur en 04:03 uur berichten naar de aangeefster gestuurd waarin hij haar smeekt hem te helpen, aangeeft dat hij nergens heen kan en haar vraagt de politie niet te bellen. Dit past bij de verklaring van de aangeefster dat die nacht rond 04:12 uur bij haar is aangebeld en zij de verdachte vervolgens heeft herkend op beelden van de deurbelcamera en in haar tuin heeft zien staan. Uit het voorgaande leidt de rechtbank dan ook af dat de verdachte in de nacht van 4 februari 2026 opnieuw bij de woning van de aangeefster is geweest.

3.3.3.5 Conclusie

De rechtbank stelt vast dat de verdachte met deze gedragingen tegen de uitdrukkelijke wil van de aangeefster veelvuldig contact met haar heeft gezocht, haar heeft gedwongen dit contact te dulden en haar vrees heeft aangejaagd. Hoewel dit in een relatief korte periode van twee weken heeft plaatsgevonden, maken de aard en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, dat sprake is van een vergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster en daarmee van belaging. Immers, de verdachte is meermalen tegen de wil van de aangeefster haar huis binnengegaan, hij haar heeft bedreigd met een mes en hij heeft ’s nachts voor haar deur en in haar tuin gestaan. De rechtbank betrekt hierbij de omstandigheid dat deze gedragingen plaatsvonden zeer kort nadat de verdachte op vrije voeten was gesteld na een eerdere poging tot doodslag op de aangeefster.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:

hij in de periode van 21 januari 2026 tot en met 4 februari 2026 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde], door op verschillende data en tijdstippen in voormelde periode:

- zonder redelijk doel zich bij de woning van die [benadeelde] op te houden en

- meermalen zonder toestemming zich de toegang tot de woning van die [benadeelde] te verschaffen en

- die [benadeelde] (in het bijzijn van haar kinderen) met een mes te bedreigen en

- meermalen berichten te versturen naar die [benadeelde] en

- meermalen die [benadeelde] te bellen

met het oogmerk die [benadeelde] te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen.

Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op: belaging.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 104 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie vordert daarnaast oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor de duur van twee jaar, inhoudende een contactverbod met de aangeefster en een locatieverbod voor de omgeving van de woning van de aangeefster, de buitenschoolse opvang en de school van de kinderen. Voor iedere overtreding van deze maatregel door de verdachte moet twee weken vervangende hechtenis worden toegepast, met een maximum van zes maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een maand op te leggen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gelijk aan de duur van het voorarrest, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf, met daaraan verbonden een contact- en locatieverbod.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich gedurende twee weken schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner. Hij is meermalen zonder toestemming haar huis binnengegaan, heeft haar daar in het bijzijn van de kinderen bedreigd met een mes, heeft haar veelvuldig gebeld en tekst- en voiceberichten gestuurd. Door zo te handelen heeft de verdachte een stelselmatige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster en bij haar gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt, zoals blijkt uit de aangiften en de ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring.

De persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 27 juli 2026. Hieruit blijkt dat hij niet eerder voor belaging is veroordeeld. Hij is echter wel in 2024 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, voor onder meer een poging tot doodslag en mishandeling van de aangeefster. Ten tijde van het bewezenverklaarde liep de verdachte nog in deze proeftijd. Dit heeft hem er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank neemt dit in strafverzwarende zin mee in de straftoemeting.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van Leger des Heils Reclassering van 26 augustus 2026. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. De reclassering adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, vanwege het (tot februari 2029) lopende reclasseringstoezicht in de zaak met parketnummer 15/005269-24.

De op te leggen straf

De ernst van het gepleegde feit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft ook de rechtbank gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 104 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest passend en geboden. Aan de voorwaardelijke straf zal de rechtbank een proeftijd verbinden van twee jaar, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Maatregelen ex artikel 38v Sr en dadelijke uitvoerbaarheid

Ter voorkoming van strafbare feiten en mede gelet op de uitdrukkelijke wens van de aangeefster, is de rechtbank van oordeel dat de vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v Sr moet worden opgelegd voor de duur van twee jaar, inhoudende dat de verdachte:

op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met [benadeelde], [geboortedatum 2], met uitzondering van contact dat verband houdt met de omgang met de kinderen en enkel wanneer daartoe toestemming is gegeven door Veilig Thuis;

zich niet in de buurt van de woning van [benadeelde] bevindt, te weten het gebied gelegen tussen de [adres 3], de [adres 4] en de [adres 5], en

zich niet in de buurt van de kinderopvang en school van de kinderen bevindt, te weten in de [adres 6] en de [adres 7].

De rechtbank zal daarbij bepalen dat een overtreding van het contact- of locatieverbod één week vervangende hechtenis tot gevolg heeft, met een totale duur van de vervangende hechtenis van maximaal zes maanden.

De rechtbank zal bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt tegenover de aangeefster. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de verdachte eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten tegen de aangeefster.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Mr. B. Roodveldt, advocaat te Zaandam, heeft namens de benadeelde partij, [benadeelde], een vordering tot schadevergoeding van € 2.500,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering moet worden afgewezen, omdat geen sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade moet worden gematigd.

Oordeel van de rechtbank

Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd.

In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen, dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. De rechtbank is van oordeel dat daar, gelet op de aard en de ernst van de normschending, in dit geval sprake van is, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.

De rechtbank acht een schadevergoeding van € 2.500,- billijk, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de bedragen die rechters die in min of meer vergelijkbare gevallen hebben toegekend en de bandbreedte genoemd in de Rotterdamse Schaal, paragraaf 17 (belaging) categorie b (ernstig).

De vordering van de benadeelde partij zal dus geheel worden toegewezen. Het bedrag van

€ 2.500,- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 2.500,- aan de Staat moet betalen.

8. Vorderingen tot tenuitvoerlegging

Parketnummer 15/005269-24

Bij vonnis van 25 november 2024 in de zaak met parketnummer 15/005269-24 heeft de meervoudige strafkamer van deze rechtbank de verdachte wegens, kort gezegd, poging tot doodslag, mishandelingen en vernieling veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden.

Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 13 december 2024 aan de verdachte toegezonden. De voornoemde proeftijd is ingegaan op 10 december 2024 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging zal afwijzen, omdat het toezicht recent is gestart en de reclassering nog mogelijkheden ziet om het toezicht voort te zetten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat dit niet opportuun is gelet op de behandeling die de verdachte moet gaan krijgen in het kader van het reclasseringstoezicht. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de bij deze voorwaardelijke straf opgelegde proeftijd te verlengen en een contactverbod met de aangeefster en een locatieverbod voor de omgeving van haar woning als bijzondere voorwaarden toe te voegen. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht een gedeelte van de vordering toe te wijzen en deze straf om te zetten in een taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

Anders dan de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de vordering gedeeltelijk, namelijk voor de duur van vier maanden, moet worden toegewezen. Uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, niet heeft nageleefd. De verdachte heeft binnen een maand nadat hij op vrije voeten kwam opnieuw een strafbaar feit gepleegd jegens de aangeefster, terwijl hij nog in een proeftijd liep wegens de poging doodslag op dezelfde aangeefster. Nu de verdachte zo snel opnieuw de fout in is gegaan, met ernstig gedrag jegens dezelfde persoon, terwijl hem een jaar voorwaardelijke gevangenisstraf boven het hoofd hing, is het naar het oordeel van de rechtbank niet passend om deze straf in het geheel niet ten uitvoer te leggen. De rechtbank acht de daarbij opgelegde bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht echter nog wel van belang om het risico op recidive te verminderen. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding de vordering slechts gedeeltelijk toe te wijzen.

Parketnummer 10/220686-23

Bij vonnis van 23 juni 2025 in de zaak met parketnummer 10/220686-23 heeft de politierechter van de rechtbank Rotterdam de verdachte wegens, kort gezegd, bedreiging, belediging van een ambtenaar en handelen in strijd met de Wet wapens en munitie veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur.

Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaar bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 11 juli 2025 aan de verdachte toegezonden. De voornoemde proeftijd is ingegaan op 8 juli 2025 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging zal toewijzen, omdat de verdachte tijdens de proeftijd een strafbaar feit heeft gepleegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat dit niet opportuun zou zijn gelet op de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit niet heeft nageleefd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 63, 285b van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 104 [honderdvier] dagen.

Beveelt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 60 [zestig] dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vrijheidsbeperkende maatregel ex 38v Sr

Legt aan de verdachte op de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr van voor de duur van 2 [twee] jaren, inhoudende dat de verdachte:

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 [een] week voor iedere keer dat één van de verboden wordt geschonden, met een maximum van 6 [zes] maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering benadeelde partij

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde] geleden schade tot een bedrag van € 2.500,-, bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 februari 2026 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15/005269-24 en gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van 12 [twaalf] maanden, opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 25 november 2024, aldus, dat van die straf een gedeelte, groot 4 [vier] maanden, wordt tenuitvoergelegd.

Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10/220686-23 en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde taakstraf voor de duur van 40 [veertig] uren, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 juni 2025.

Voorlopige hechtenis

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.A. Hesselink, voorzitter,

mr. C.H. de Jonge Van Ellemeet en mr. M. van Doesburg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. D. Koppe,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 september 2026.

Bijlage 1

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 20 januari 2026 tot en met 24 februari 2026 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde], door op verschillende data en/of tijdstip(pen) in voormelde periode:

- een of meermalen (zonder redelijk doel) zich bij en/of rond de woning van die [benadeelde] op te houden en/of

- een of meermalen (zonder toestemming) zich de toegang tot de woning van die [benadeelde] te verschaffen en/of

- die [benadeelde] (in het bijzijn van haar kinderen) met een mes te bedreigen en/of

- een of meermalen bericht(en) te versturen naar die [benadeelde] en/of

- een of meermalen die [benadeelde] te bellen en/of

- een of meermalen contact te zoeken met die [benadeelde] via sociale media

met het oogmerk die [benadeelde], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

Bijlage 2

De bewijsmiddelen

(..)

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. P.A. Hesselink
  • mr. C.H. de Jonge Van Ellemeet
  • mr. M. van Doesburg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand