RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Sectie Familie & Jeugd
locatie Haarlem
voorzieningenrechter
Wet tijdelijk huisverbod
zaak-/rekestnummers: C/15/382797 / FA RK 26-5526 (beroep)
C/15/382824 / TH ZA 26-8 (voorlopige voorziening)
Uitspraak naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb van 7 oktober 2026
in de zaak van
[verzoeker] , verzoeker, tevens eiser,
hierna te noemen: verzoeker
wonende te [plaats] ,
gemachtigde mr. R.J.A. Verhoeven, advocaat te Alkmaar,
tegen
de burgemeester van de GEMEENTE HOORN, verweerder
zetelende te Hoorn,
hierna te noemen: verweerder,
in welke zaak belanghebbende is:
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats] .
1. De procedure
Bij besluit van 17 september 2026 heeft verweerder aan verzoeker een huisverbod als bedoeld in de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) en een contactverbod met de vrouw en hun twee minderjarige kinderen opgelegd voor de periode van 17 september 2026 tot 27 september 2026.
Bij besluit van 24 september 2026 is het huisverbod en contactverbod verlengd met een aansluitende periode van achttien dagen, derhalve tot 15 oktober 2026.
Tegen de besluiten tot oplegging en verlenging van het tijdelijk huisverbod (hierna: de bestreden besluiten) heeft verzoeker bij brief van 1 oktober 2026 beroep ingesteld en tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen, namelijk het schorsen van het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op beroep. Verzoeker heeft tot slot verzocht om een proceskostenveroordeling.
Verweerder heeft op 5 oktober 2026 de volgende stukken ingediend: - de beschikking van de burgemeester van 17 september 2026;
- het formulier Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld van 17 september 2026;
- het proces-verbaal van bevindingen van de hulpofficier van justitie van 17 september 2026;
- de situatie ter plaatse van 17 september 2026;
- de beschikking van de burgemeester van 24 september 2026;
- het zorgadvies ten behoeve van het verlengen/intrekken van een tijdelijk huisverbod van 24 september 2026;
- het beleidsadvies ten behoeve van het verlengen/intrekken van een tijdelijk huisverbod van 24 september 2026;
- het episodejournaal.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2026. Hierbij zijn verschenen en gehoord:
verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde;
verweerder, vertegenwoordigd door mevrouw C.C.M. Gorter-Haring;
de vrouw.
2. De beoordeling
juridisch kader
Op grond van artikel 2 van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon als uit feiten of omstandigheden blijkt dat zijn/haar aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem/haar in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.
Op grond van artikel 9 van de Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.
Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Uit de wet volgt dat de gebruikmaking van de bevoegdheid door de burgemeester in een concreet geval door de rechter slechts terughoudend kan worden getoetst. Dit betekent dat die gebruikmaking slechts dan rechtens onaanvaardbaar moet worden geacht indien geoordeeld moet worden dat de burgemeester bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik van die bevoegdheid heeft kunnen maken.
kortsluiten
Aangezien alle voor een beslissing relevante feiten en omstandigheden aan de orde zijn geweest, meent de voorzieningenrechter, partijen gehoord hebbende, dat nader onderzoek in dit geval redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen. Daarom zal de voorzieningenrechter gebruikmaken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
bestreden besluiten
Verweerder heeft aan de bestreden besluiten - samengevat - het volgende ten grondslag gelegd.
Er heeft op 16 september 2026 een incident plaatsgevonden in de woning op grond waarvan vastgesteld is dat er dreiging is van gevaar dan wel een ernstig vermoeden daarvan. In de woning zijn meerdere wapens aangetroffen waarnaar nog onderzoek plaatsvindt door de politie. Daarnaast is verzoeker die dag aangehouden voor dronkenschap. De vrouw heeft gemeld dat er doorlopende spanningen en escalaties zijn. Na een belangenafweging is een tijdelijk huisverbod aan verzoeker opgelegd, waarbij het belang van de vrouw en de kinderen voor rust en veiligheid zwaarder is gewogen dan het woonbelang van verzoeker. Na het opleggen van het tijdelijk huisverbod is geprobeerd met hulpverlening tot veiligheidsafspraken te komen tussen verzoeker en de vrouw. Het is niet mogelijk gebleken om tot veiligheidsafspraken te komen. Verzoeker ontkent hetgeen de vrouw stelt over het overmatig alcoholgebruik en zijn bijdrage aan de escalaties. Er is meer tijd nodig om het hulpverleningstraject beter op gang te krijgen en veiligheidsafspraken te maken.
gronden verzoeker
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij zich niet met de bestreden besluiten kan verenigen. Verzoeker en de vrouw hebben drie jaar geleden hun relatie beëindigd, maar wonen nog steeds samen in hetzelfde huis. De vrouw wil dat verzoeker uit het huis vertrekt en zet hiertoe oneigenlijke middelen in. Zij heeft dan ook in strijd met de waarheid verklaard dat verzoeker zich onvoorspelbaar gedraagt en agressief kan worden door overmatig alcoholgebruik. Verzoeker herkent zich hier in het geheel niet in. In de politiesystemen komen ook geen meldingen voor waarin hij zich grensoverschrijdend zou hebben gedragen tegenover de vrouw en kinderen. De directe aanleiding voor de politie-interventie betrof ook geen huiselijk geweld, maar een banale ruzie tussen verzoeker en de vrouw over de keuze van een televisieprogramma. Daarbij heeft verzoeker zich op een gegeven moment met zijn eigen gitaar op zijn eigen hoofd geslagen. Tegenover zijn
huisgenoten is verzoeker echter nooit fysiek gewelddadig geweest, dus ook niet op 16 september 2026. Door de handelswijze van de vrouw en door het tijdelijk huisverbod heeft verzoeker op dit moment geen vaste woon- of verblijfplaats en is hij feitelijk dakloos.
Door en namens verzoeker is ter zitting hieraan toegevoegd dat hij op dit moment bij zijn nieuwe vriendin verblijft en dat hij op 2 november 2026 mogelijk een nieuwe woning heeft. Verzoeker erkent dat de verstandhouding tussen hem en de vrouw slecht is en hoopt dat hij zo snel mogelijk kan verhuizen. Hij heeft ter overbrugging naar de nieuwe woning, mede vanwege zijn werk, wel nog behoefte aan verblijf in de echtelijke woning. Verder heeft hij grote behoefte aan contact met zijn kinderen. Hij heeft hen sinds het tijdelijk huisverbod niet mogen spreken, terwijl hij geen gevaar vormt voor hen. Volgens verzoeker is er onvoldoende grondslag voor de bestreden besluiten, omdat er op basis van de enkele verklaring van de vrouw niet voldoende vastgesteld kan worden dat sprake is van ernstig gevaar. Daarbij is niet gebleken, wegens gebrek aan onderbouwing, dat de hulpverlening geen (veiligheids)afspraken heeft kunnen maken met verzoeker en de vrouw.
mening belanghebbende
De vrouw wijst erop dat het incident van 16 september 2026 niet een losstaand incident is, maar dat sprake is van een langdurig patroon, waarbij verzoeker veel drinkt en vervolgens intimiderend, agressief en dreigend gedrag vertoont. Zij heeft hier eerder geen meldingen van gedaan, omdat zij niet wilde dat de situatie verder zou escaleren en zij bang was dat de kinderen bij haar zouden worden weggehaald. Sinds het tijdelijk huisverbod is opglegd, is er weer rust en structuur in huis en komen de kinderen weer toe aan hun normale ontwikkeltaken.
oordeel voorzieningenrechter
Uit de inhoud van de overgelegde stukken en wat ter zitting naar voren is gebracht, concludeert de rechtbank dat ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten (nog steeds) sprake was van een ernstig vermoeden dat de aanwezigheid van verzoeker in de gezamenlijke woning ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van de vrouw en de kinderen. De rechtbank acht hiervoor in het bijzonder het volgende van belang. De vrouw heeft bij de politie aangegeven dat zij op 16 september 2026 met de kinderen de woning was ontvlucht, omdat verzoeker met spullen had gegooid en zijn gitaar tegen zijn eigen hoofd had geslagen. Volgens de vrouw drinkt verzoeker dagelijks, vinden er doorlopend vernielingen plaats en is verzoeker onvoorspelbaar in zijn gedrag. Verzoeker was volgens de vrouw twee dagen voorafgaand aan het incident vrijwel voortdurend onder invloed van alcohol. Daarnaast geeft de vrouw aan dat hij haar eerder bedreigd heeft met een (airsoft)wapen. Deze verklaringen vinden steun in het volgende. Verzoeker erkent dat er conflicten zijn tussen hem en de vrouw en meer specifiek dat hij, naar aanleiding van een conflict met de vrouw, op 16 september 2026 met een gitaar tegen zijn hoofd heeft geslagen en de gitaar ook stuk heeft geslagen. Verder is door de politie die ter plaatse is gekomen, waargenomen dat bij verzoeker sprake was van dronkenschap, waarvoor hij ook is aangehouden. Ook zijn er wapens/pistolen aangetroffen in de woning door de politie, die nog nader worden onderzocht. Verweerder is op grond hiervan dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat het voornoemde ernstige vermoeden er in dit geval was ten tijde van het opleggen van het tijdelijk huisverbod.
Verder is voldoende gebleken dat de Blijf Groep na het incident geprobeerd heeft veiligheidsafspraken te maken en hulpverlening op gang te brengen, om de risico’s te beperken. Het is tijdens de gesprekken niet gelukt om tot duidelijke afspraken te komen, zoals ook is vastgesteld ter zitting, waardoor het ernstige vermoeden op gevaar nog steeds aanwezig was. Een complicerende factor daarbij is dat verzoeker volgens de Blijf Groep zijn aandeel niet erkent in de escalaties en niet erkent dat hij hulp nodig heeft voor alcoholmisbruik.
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder bevoegd was om de bestreden besluiten te nemen en dat de bestreden besluiten ook op goede gronden zijn genomen. Verweerder heeft daarbij de belangenafweging in het nadeel van verzoeker kunnen laten uitvallen. De omstandigheid dat verzoeker (nog steeds) geen vaste slaapplaats heeft, heeft verweerder bij het opleggen en verlengen van het tijdelijk huisverbod niet van doorslaggevende betekenis hoeven vinden.
Tot slot dient te worden beoordeeld of er op dit moment aanleiding bestaat het tijdelijk huis- en contactverbod op te heffen, omdat aangenomen kan worden dat het gevaar is geweken. Hiervoor bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding. Het is niet gelukt om tot nieuwe veiligheidsafspraken te komen, waardoor het risico op een nieuwe escalatie nog steeds aanwezig is. Daar komt bij dat verweerder voldoende heeft toegelicht dat de hulpverlening de komende periode nodig heeft om tot een structurele oplossing te komen.
De voorzieningenrechter zal gelet op het voorgaande het beroep ongegrond verklaren.
Nu de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak, brengt dit in het onderhavige geval mee dat verzoeker geen belang meer heeft bij een uitspraak op zijn verzoek om een voorlopige voorziening, zodat dit verzoek wordt afgewezen.
Er is geen grond om een van partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten. Het verzoek van de verzoeker daartoe wordt daarom afgewezen.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;
wijst het verzoek tot een proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ok, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N.L. de Groot, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.
Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.