ECLI:NL:RBNHO:2026:14500

ECLI:NL:RBNHO:2026:14500

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 18-09-2026
Datum publicatie 23-10-2026
Zaaknummer HAA 26/4118
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning om een voormalig schoolgebouw te transformeren naar een woongebouw voor twaalf jongerenwoningen. Verzoeker is het niet eens met die vergunning. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 september 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit Zandvoort, verzoeker

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort,

Samenvatting

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 26/4118

en

(gemachtigde: W.L.C. Boelema).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Pré Wonen uit Velserbroek, vergunninghouder

(gemachtigde: mr. L.M. Kes).

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning om een voormalig schoolgebouw te transformeren naar een woongebouw voor twaalf jongerenwoningen. Verzoeker is het niet eens met die vergunning. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Het college heeft op 28 april 2026 een omgevingsvergunning verleend voor het transformeren van een voormalig schoolgebouw naar een woongebouw voor twaalf appartementen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Vergunninghouder heeft schriftelijk gereageerd, waarop een schriftelijke reactie van verzoeker is gevolgd.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [verzoeker] , de gemachtigde van het college, [naam 1] (werkzaam bij de Omgevingsdienst IJmond), de gemachtigde van vergunninghouder en [naam 2] (ontwikkelaar).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Relevante feiten en omstandigheden

De vergunninghouder heeft op 16 oktober 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor een project dat bestaat uit het transformeren van een voormalig schoolgebouw op de Koninginneweg 1 in Zandvoort naar een woongebouw voor twaalf appartementen. De aanvraag omvat drie activiteiten, namelijk 1) bouwactiviteit (omgevingsplan), 2) activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument en 3) bouwactiviteit (technisch). Het college heeft op 28 april 2026 een omgevingsvergunning verleend voor die drie activiteiten.

Verzoeker woont in de straat tegenover de projectlocatie. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende vergunning en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Op 20 mei 2026 is een vergunning verleend voor het kappen van bomen in de directe omgeving van het project. Daar heeft verzoeker ook bezwaar tegen gemaakt.

Beoordeling van het verzoek 4. De omgevingsvergunning is verleend voor drie activiteiten. Verzoeker vraagt schorsing van de vergunning tot zes weken na de beslissing op bezwaar en een onmiddellijke voorziening vóór de startdatum van het project. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek aan de hand van de drie vergunde activiteiten en de grondslag van het verzoek en de daarin door verzoeker genoemde gronden.

spoedeisendheid

5. De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of er sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) namelijk alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De voorzieningenrechter neemt voorshands die spoedeisendheid aan, omdat de beslissing op bezwaar naar verwachting nog enige tijd op zich laat wachten en vergunninghouder van plan is binnenkort met de bouw te starten.

bouwactiviteit (omgevingsplan)

De vergunning is onder meer verleend voor de bouwactiviteit (omgevingsplan). In dit deel van de vergunning staat dat het college de aanvraag en bijbehorende gegevens heeft getoetst aan het omgevingsplan. Ter zitting heeft het college bevestigd dat feitelijk getoetst is aan het bestemmingsplan Centrum Zandvoort (het bestemmingsplan). Dit bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Uit artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) volgt dat, als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning, het college de omgevingsvergunning moet verlenen. In die situatie is er geen ruimte voor een belangenafweging.

parkeren

Volgens verzoeker wordt in het project niet voldaan aan de Parkeernormennota 2021. Het project voegt twaalf woningen toe, zonder één parkeerplaats op eigen terrein. Als op grond van een zwaarwegend belang wordt afgeweken van de norm, moet dat worden voorgelegd aan het college. Dat is volgens verzoeker in dit geval niet gebeurd. Ook wordt niet voldaan aan de voorwaarde om in de berekening uit te gaan van dubbelgebruik. De aanvrager moet vastleggen dat de meegerekende plaatsen voor alle gebruikers toegankelijk zijn, maar er zijn helemaal geen parkeerplaatsen. Bovendien houden de maatregelen die de afwijking moeten dragen, geen stand. Uitsluiting van een parkeervergunning is geen tegenprestatie en het parkeerterrein ligt te ver weg. Ook stelt verzoeker dat het mobiliteitsplan ontbreekt en dat de gemaakte afspraken ten onrechte niet als voorschrift aan de vergunning zijn verbonden.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Uitgangspunt in het bestemmingsplan is dat er op eigen terrein moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Of voldaan wordt aan parkeernormen, moet worden bepaald aan de hand van de geldende ‘Beleidsregel van de gemeenteraad van de gemeente Zandvoort houdende regels omtrent de parkeernormennota’ (Parkeernormennota), in dit geval de door verzoeker genoemde Parkeernormennota 2021. Die nota bevat onder meer een omschrijving van situaties waarin kan worden afgeweken van het uitgangspunt van parkeren op eigen terrein. Het college heeft in dit geval gebruik gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid die is gebaseerd op een zwaarwegend belang. Deze afwijkingsmogelijkheid kan worden gehanteerd als ‘andere belangen zwaarder wegen dan het verkeers-/- parkeerkundig belang en/of wanneer grote economische of volkshuisvestelijke voordelen verwacht worden van het realiseren van de ontwikkeling’. Het college is – zoals ook ter zitting desgevraagd is bevestigd - in dit geval vanwege de volkshuisvestelijke voordelen – afgeweken.van voornoemd uitgangspunt. De voorzieningenrechter ziet voorshands onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat het college hieraan geen doorslaggevend gewicht heeft mogen toekennen.

Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat na afronding van de bouw sprake zal zijn van een aanzienlijke toegenomen parkeeroverlast. Zo wordt het volledige adressenbestand van de woningen opgenomen op de GROP-lijst van de gemeente Zandvoort. Daarmee is vooralsnog voldoende aannemelijk dat toekomstige bewoners geen parkeervergunning kunnen krijgen. De bewoners en hun bezoekers kunnen dus feitelijk niet in de straat parkeren.

Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat deze bezwaargrond van verzoeker vooralsnog geen redelijke kans van slagen lijkt te hebben. Het betoog van verzoeker over parkeren is daarom geen aanleiding om het besluit te schorsen.

bouwfase

8. Verzoeker stelt daarnaast dat de bouwfase niet beoordeeld is. Volgens hem is er geen bouwplaats op eigen terrein, is de tuin niet toegankelijk voor voertuigen en geldt in de steeg naast het gebouw een parkeerverbod. Verzoeker vreest voor de gevolgen van bouwverkeer. Dit standpunt van verzoeker is eveneens onvoldoende aanleiding voor schorsing van het besluit. Hierna legt de voorzieningenrechter uit waar dit voorlopige oordeel op is gebaseerd.

De bouwfase en daarmee ook het bouwverkeer valt buiten de reikwijdte van de vergunning. Daarmee valt het ook buiten het bereik van deze procedure. Daar voegt de voorzieningenrechter aan toe dat de overlast die verzoeker verwacht inherent is aan de bouwwerkzaamheden die met de vergunning verricht kunnen worden, tijdelijk van aard is en tot op zekere hoogte geduld moet worden. Bovendien is in de vergunning een verbod opgenomen voor het gebruik van de openbare weg (inclusief wegbermen en stoepen) voor de opslag van bouwmaterialen, containers, schaftketen en dergelijke, alsmede een verbod om over de stoep te rijden. In de vergunning staat ook dat vergunninghouder toestemming moet vragen om desondanks een gedeelte van de openbare weg te gebruiken

stikstof

9. Verzoeker stelt dat de stikstofberekening voor de aanlegfase er ten onrechte vanuit gaat dat er vooral inpandig wordt gewerkt en dat er tijdens de bouw geen mobiele werktuigen nodig zijn. Daar komt bij dat volgens verzoeker de verkeerssituatie in de berekening niet klopt. In AERIUS is het verkeer ingevoerd als doorstromend verkeer binnen de bebouwde kom, in twee richtingen maar die route bestaat niet want het is ter plaatse een eenrichtingsweg. Verder geldt dat het stikstofonderzoek dateert van vóór het parkeeradvies van 6 maart 2026. De parkeeroplossing die het college aandraagt, is dus niet in die berekening meegenomen. De uitkomst van de berekening ligt precies op de grens die bepaalt of er een extra vergunningtraject in de zin van een aparte natuurvergunning nodig is. Juist dan mag verwacht worden dat de uitgangspunten kloppen, aldus verzoeker.

De voorzieningenrechter ziet in dit standpunt van verzoeker geen aanleiding om het besluit te schorsen of een andere voorziening te treffen. Het systeem van de Omgevingswet is zo dat de aanvrager zelf bepaalt voor welke activiteiten hij wel en niet gelijktijdig een aanvraag doet. Vergunninghouder heeft voor een aantal activiteiten een vergunning gevraagd en gekregen. Zij heeft dit niet aangevraagd voor de Natura2000 activiteit. De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van verzoeker zo dat hij meent dat voor het project ook een omgevingsvergunning voor een Natura2000 activiteit noodzakelijk is. Dat is echter niet de activiteit waarvoor hier vergunning is gevraagd en gekregen. Onder de Omgevingswet is het ook niet meer verplicht om bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een bepaald type activiteit gelijktijdig ook voor andere eventueel noodzakelijke activiteiten een omgevingsvergunning aan te vragen. Dit heeft tot gevolg dat voor de voorzieningenrechter in deze procedure alleen de omgevingsvergunning voor de gevraagde en verleende activiteiten ter beoordeling voor ligt. Wat verzoeker aanvoert valt buiten de reikwijdte van die vergunning en kan daarom niet leiden tot het treffen van een voorlopige voorziening.

bouwactiviteit (technisch)

10. Het college acht aannemelijk dat het project voldoet aan de minimale eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In het licht van het standpunt van verzoeker over de stikstofberekening, is in deze procedure vooral artikel 7.19a van het Bbl relevant. Op basis van dat artikel moet degene die bouwwerkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren, adequate maatregelen nemen om de stikstofuitstoot te beperken. Die verplichting geldt evenwel alleen voor de bouwfase op de bouwplaats. Het geldt niet voor vervoersbewegingen van en naar de bouwplaats. Gelet op de afstand tussen de locatie van het project en het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied is vooralsnog onvoldoende aannemelijk dat het werk op de bouwplaats significante gevolgen voor dat gebied heeft. In zoverre is er daarom evenmin aanleiding om tot schorsing van de omgevingsvergunning over te gaan.

activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument

11. Voor deze activiteit is de vergunning onder meer gebaseerd op positieve adviezen van de centrale erfgoedcommissie en van de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit van MOOI Noord-Holland. Hoewel verzoeker geen gronden tegen dit deel van de vergunning heeft aangevoerd, hecht de voorzieningenrechter eraan om op te merken dat het college op die adviezen mocht afgaan.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. F. Vermeij

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand