RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 september 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit IJmuiden, verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/4222
en
(gemachtigde: Y. Abdellaoui).
Procesverloop
1. Het college heeft bij besluit van 27 augustus 2026 de tijdelijke noodopvang van verzoeker beëindigd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van het college en dhr. [naam] (consulent wonen).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
griffierecht
2. Verzoeker heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht voor de behandeling van het verzoek wegens betalingsonmacht. Verzoeker heeft een verklaring van de Belastingdienst overgelegd, over zijn inkomen uit 2025. Verzoeker verwacht in 2026 minder inkomen te hebben, omdat hij minder werkt dit jaar. Hij heeft daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk gemaakt dat hij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt daarom. Verzoeker wordt vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
Relevante feiten en omstandigheden
Verzoeker heeft zich vanwege dakloosheid op 2 mei 2026 bij het college gemeld op grond van de Wet maatschappelijk opvang (Wmo 2015). Met ingang van 24 juni 2026 heeft het college aan verzoeker tijdelijke noodopvang verleend. Deze tijdelijke opvang gold voor drie weken en werd geboden in Hotel Velsen. De periode van opvang is daarna verlengd.
Op 11 augustus 2026 heeft het college telefonisch aan verzoeker laten weten dat de noodopvang na twee weken zou eindigen. Op 27 augustus 2026 heeft het college bericht dat de tijdelijke opvang per 28 augustus 2026 wordt beëindigd. Hieraan ligt ten grondslag dat noodopvang een tijdelijke voorziening is en dat het de bedoeling is dat verzoeker tijdens die periode op zoek ging naar een vervolgplek. Verzoeker heeft tijdens zijn verblijf verschillende mogelijkheden aangereikt gekregen om een verblijfplaats te vinden. Bovendien is verzoeker voldoende zelfredzaam. Hij heeft inkomen uit arbeid en zijn hulpvraag gaat enkel over huisvesting, zo staat in het besluit.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het college is bereid gebleken om de opvang voort te zetten, totdat het verzoek op een zitting zou zijn behandeld. Op de zitting heeft de gemachtigde van het college de bereidheid geuit om de opvang nog verder voort te zetten, tot aan de datum van de uitspraak.
Het verzoek om een voorlopige voorziening
4. Verzoeker vraagt om voortzetting van de opvang totdat er is beslist op zijn aanvraag voor een urgentieverklaring. Hij stelt dat hij acuut dakloos raakt en dat dit desastreuze gevolgen heeft voor zijn werk als Uber-chauffeur en de start van zijn academische masteropleiding.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
5. In mei 2026 heeft verzoeker zich gemeld voor opvang. In die melding schrijft verzoeker dat zijn situatie op dat moment kritiek was en dat hij noodgedwongen in een onverwarmde auto of garagebox zonder faciliteiten verblijft. Volgens verzoeker komt hij daardoor overdag niet tot rust terwijl dat wel nodig is vanwege zijn structurele nachtwerk als Uber-chauffeur. In juni 2026 heeft het college noodopvang aan verzoeker geboden. Die beslissing was vooral ingegeven door de omstandigheid dat verzoeker volgens het college op dat moment zo spoedig mogelijk enkele weken moest worden opgevangen in een hotel om tot rust te komen en te zorgen dat hij zijn baan/inkomen niet zou verliezen. Verzoeker zou toen uitgeput zijn, zo staat in het dossier. Noodopvang is een tijdelijke opvang, bedoeld voor acute situaties. Gelet op het tijdelijke, spoedeisende karakter van die opvang, acht de voorzieningenrechter het begrijpelijk dat daar niet een heel uitvoerig onderzoek aan vooraf is gegaan.
6. Verzoeker stelt nu dat het college zorgvuldig moet onderzoeken of de noodzaak voor de tijdelijke opvang daadwerkelijk en duurzaam is verdwenen. De voorzieningenrechter volgt verzoeker daar voorshands niet in. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit voorlopige oordeel is gekomen.
Voor de vraag of verzoeker aanspraak kan maken op opvang op grond van de Wmo 2015, moet allereerst beoordeeld worden of hij behoort tot de groep van personen voor wie die opvang is bedoeld. Daarvoor is bepalend of hij in staat is om zich te handhaven in de samenleving. Dat blijkt uit de definitie van het begrip ‘opvang’, in de Wmo 2015. Gelet op de hulpvraag van verzoeker houdt dat in dit geval concreet in dat beoordeeld moet worden of hij door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak te voorzien. Met andere woorden: verzoeker kan pas aanspraak maken op opvang als hij geen onderdak heeft door problemen die hij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving.
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat verzoeker niet behoort tot de doelgroep die in aanmerking komt voor opvang op grond van de Wmo 2015. Het college acht verzoeker namelijk voldoende zelfredzaam en de voorzieningenrechter kan het college daarin vooralsnog volgen. Op de zitting heeft het college namelijk onder andere verklaard dat voor het werk van verzoeker als zzp-er een bepaalde mate van zelfstandigheid nodig is, dat hij over een inkomen beschikt, dat hij in september van dit jaar is gestart met een master opleiding in Utrecht en dat wat betreft zijn fysieke gesteldheid niet gebleken is welke concrete actuele beperkingen verzoeker zou ervaren. Al met al blijkt daar vooralsnog niet uit dat verzoeker problemen heeft bij het zich handhaven in de samenleving en daardoor niet in staat zou zijn om zelf in zijn onderdak te voorzien. Het college mocht zich daarbij baseren op de verklaringen van verzoeker zelf. Dit betekent dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor opvang op grond van de Wmo 2015. Zijn bezwaar lijkt daarom vooralsnog weinig kans van slagen te hebben.
Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter was het college onder deze omstandigheden niet gehouden om de noodopvang voort te zetten. Dat het verzoeker niet gelukt is om andere huisvesting te vinden, doet daar niet aan af. De Wmo 2015 is immers niet bedoeld om het tekort aan betaalbare woonruimte in Nederland op te lossen. Het bieden van noodopvang schept geen verplichting voor het college om die opvang te continueren totdat verzoeker zelf onderdak elders geregeld heeft. Daar komt bij dat de noodopvang aanvankelijk voor drie weken geboden zou worden, dat die opvang daarna is verlengd en dat verzoeker sinds begin augustus weet dat die noodopvang beëindigd zou worden. Hij wist dus vanaf begin af aan dat de noodopvang tijdelijk zou zijn en dat er een andere - al dan niet tijdelijke - oplossing gevonden zou moeten worden. Het ligt op de weg van verzoeker om andere mogelijkheden voor huisvesting te onderzoeken, waarbij de voorzieningenrechter opmerkt dat die andere huisvesting ook kan bestaan uit een andere tijdelijke oplossing.
7. Gelet op de zelfredzaamheid van verzoeker en diens financiële middelen, valt niet in te zien dat verzoeker het bezwaar niet zou kunnen afwachten. Daarbij speelt mee dat het college op zitting verklaard heeft dat verblijf in een hostel voor verzoeker een beschikbare en betaalbare tijdelijke optie zou kunnen zijn. De voorzieningenrechter acht het daardoor onaannemelijk dat verzoeker in afwachting van de beslissing op bezwaar noodgedwongen weer in zijn auto of garagebox zou moeten overnachten. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om uitsluitend bij wege van ordemaatregel te bepalen dat het college het huidige verblijf van verzoeker in de noodopvang moet voortzetten tot en met 18 september 2026. Dat zou verzoeker ruimschoots de gelegenheid moeten bieden om elders onderdak te vinden.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om het besluit te schorsen totdat op het bezwaar is beslist, maar ziet wel aanleiding om bij wijze van ordemaatregel te bepalen dat het college de noodopvang moet voortzetten tot en met 18 september 2026.
9. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat het college bij wege van ordemaatregel de noodopvang moet voortzetten tot en met 18 september 2026;
- wijst de meer of anders verzochte voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: