RECHTBANK NOORD-HOLLAND
vonnis
Familie en Jeugd
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/376486 / KG ZA 26-170
Vonnis in kort geding van 7 mei 2026
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [plaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. H. Ruder te Alkmaar,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. E.A. Boitelle te Amsterdam.
Partijen zullen hierna de man en vrouw genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding, met bijlagen, van de man, van 13 april 2026;
het betekeningsexploot;- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met bijlagen, van de vrouw van 21 april 2026;
nadere producties van de man van 22 april 2026;
nadere productie van de vrouw van 23 april 2026.
De mondelinge behandeling van het kort geding heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Aanwezig waren partijen en hun advocaten.
2. De feiten
Partijen zijn gehuwd geweest, welk huwelijk is geëindigd op [datum] door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 31 maart 2025 van de rechtbank Midden-Nederland.
Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen:- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] . De ouders zijn gezamenlijk met het gezag belast over de kinderen. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij de vrouw.
Bij genoemde beschikking is onder meer bepaald dat het ouderschapsplan, ondertekend op 6 en 10 maart 2025, onderdeel uitmaakt van de gegeven beschikking.
Partijen zijn in voornoemd ouderschapsplan - voor zover nu van belang - het volgende overeengekomen:
3. Het geschil in conventie
De man vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw verbiedt om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen, op straffe van een aan de man te betalen dwangsom van € 250 per dag tot een maximum van € 20.000.Subsidiair vordert de man dat de kinderen hun hoofdverblijf voorlopig bij hem zullen hebben, totdat een beslissing is genomen in de bodemprocedure.
De man legt, kort samengevat, het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. De vrouw heeft op 30 maart 2026 per WhatsApp plotseling aan de man laten weten dat zij voornemens is naar [plaats] te verhuizen. Ook heeft zij op 30 maart 2026 haar huidige huurwoning opgezegd per 30 april 2026. De vrouw heeft dit nooit eerder met de man overlegd en de man heeft haar laten weten het hier niet mee eens te zijn. De noodzaak van de verhuizing is niet met de man gedeeld en het belang daarvan voor de kinderen is niet onderbouwd. De kinderen zijn hun hele leven geworteld in de regio [regio] (opvang, school, BSO, zwemles, vriendjes en vriendinnetjes etc.) en wonen inmiddels bijna vier jaar in de huidige woning. Door de huur reeds op te zeggen heeft de vrouw een risicovolle en spoedeisende situatie voor de kinderen gecreëerd. Daar komt bij dat de kinderen een echtscheiding hebben meegemaakt met veel spanningen en wisselingen in de thuissituatie. Tegen deze achtergrond acht de man het risico aanzienlijk dat een plotselinge en ingrijpende wijziging, zoals de voorgenomen verhuizing en schoolwisseling, niet in het belang van de kinderen is en kan leiden tot hernieuwde onrust en een verstoring van de huidige stabiliteit. Het is ook niet in het belang van de kinderen om tot het volgende schooljaar heen en weer te reizen van het nieuwe adres van de vrouw naar de huidige school. Ook neemt de afstand tussen de man en het woonadres van de kinderen toe van 36 kilometer naar ongeveer 64 kilometer.
Doordat partijen belast zijn met het gezamenlijk gezag, had de vrouw de man mee moeten nemen in haar overweging. Wanneer partijen er niet uit komen, dient de vrouw vervangende toestemming te verzoeken in een bodemprocedure. Vervangende toestemming leent zich niet voor een uitspraak in kort geding. Bovendien heeft de vrouw de verhuiscriteria niet meegewogen in haar plotselinge beslissing te gaan verhuizen. De belangen van de kinderen dienen te prevaleren boven de belangen van de vrouw, aldus de man.
Indien de vrouw toch haar verhuizing doorzet, meent de man dat het tijdelijk hoofdverblijf van de kinderen bij hem moet worden bepaald totdat een beslissing is genomen in een bodemprocedure. De man is in staat en bereid zorg te dragen voor het brengen en halen van de kinderen van en naar hun huidige school voor de rest van dit schooljaar. De man kan de kinderen een veilige en stabiele leefomgeving bieden en zal er alles aan doen om het contact met de vrouw goed te blijven faciliteren.
Door en namens de man is ter zitting hieraan toegevoegd dat de vrouw onzorgvuldig en eenzijdig heeft gehandeld en dat er geen noodzaak is om naar [plaats] te verhuizen, ook niet door de gestelde hoge huur van de huidige woning van de vrouw. Van de vrouw mag verwacht worden dat zij in de huidige regio waar de kinderen geworteld zijn op zoek gaat naar een andere woning. De man is niet principieel tegen een verhuizing, maar daarover dient wel overleg te worden gevoerd. Daarnaast is een nieuwe school niet in het belang van de kinderen, omdat zij al veel veranderingen hebben meegemaakt. Ook is het appartement van 66 m2 met drie slaapkamers niet geschikt, omdat de oudste dochter van de vrouw daar ook zal gaan wonen en heeft de man bezwaar geuit tegen een stad als [plaats] , omdat de kinderen gewend zijn om in een meer landelijke omgeving te wonen.
De vrouw voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. Het geschil in reconventie
De vrouw vordert, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen tot verhuizing met de kinderen naar de woning aan [adres] ;
aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen tot inschrijving van de kinderen op [school] aan [adres] .
De vrouw legt, kort samengevat, het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. De vrouw heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen, nu zij haar huidige woning niet langer kan betalen en zij een uniek aanbod van een betaalbare woning in [plaats] heeft ontvangen. De vrouw kan de woning niet betalen, omdat de man aan de vrouw vanaf maart 2026 € 205 per kind per maand aan kinderalimentatie betaalt, terwijl in het ouderschapsplan € 1.000 per kind per maand is afgesproken. Hierdoor heeft de vrouw een bedrag van € 1.590 per maand minder te besteden, terwijl de huurprijs van de woning in [plaats] € 2.500 per maand bedraagt en de vrouw exclusief kindgebonden budget een netto inkomen heeft van € 4.500 per maand. De vrouw is als gevolg hiervan gedwongen om alternatieve woonruimte te zoeken en heeft in de gehele regio [regio] (inclusief [plaats] ) gezocht. De vrouw heeft met de woning in [plaats] ongelooflijk veel geluk gehad en dit is een kans die zij niet kan laten liggen. Het gaat om een woning met drie slaapkamers in een mooie kindvriendelijke buurt met goede voorzieningen. De huurprijs van de woning in [plaats] bedraagt € 1.700 per maand, derhalve € 800 per maand minder dan de woning in [plaats] . De vrouw is zich ervan bewust dat een verhuizing en schoolwissel betekenisvol is voor de kinderen, maar de kinderen zullen dit zeker aankunnen. Beide kinderen doen het goed op school, zowel cognitief als sociaal-emotioneel. Ze zijn erg sociaal en maken makkelijk nieuwe vrienden. [plaats] is ook niet ver weg van de huidige woonplaats en de vrouw kan een overgangsperiode met de huidige school goed faciliteren. Bijkomend voordeel is dat de oudste dochter van de vrouw ook op school zit in [plaats] , vlakbij de nieuwe woning. De reistijd voor de kinderen naar school is tot de zomervakantie ook beperkt, omdat het van [plaats] naar de huidige school van de kinderen 26 minuten rijden is. Voor de man is het naar de nieuwe woning in [plaats] iets meer dan 10 minuten extra reistijd. De vrouw stelt verder dat van enige roekeloosheid geen sprake is, omdat de huuropzegging is gedaan onder voorbehoud en de vrouw met de nieuwe verhuurder goede afspraken heeft kunnen maken.
Door en namens de vrouw is ter zitting hieraan toegevoegd dat er geen tijd is voor een 1:253a BW procedure, omdat het huis in [plaats] plots op haar pad is gekomen en het huis een unieke kans is qua locatie en huurprijs. Wanneer een volgende woning vrijkomt, is een groot vraagteken en brengt financiële onzekerheid met zich mee. Daarnaast had de vrouw niet verwacht dat de man geen toestemming zou geven, omdat partijen het tijdens mediation over een verhuizing hebben gehad en een verhuizing geen effect heeft op de zorgregeling tussen de kinderen en de man. Het huis is daarnaast geschikt voor vier personen, omdat de grootste kamer kan worden gesplitst. De kinderen zijn ook aan de omgeving van [plaats] gewend, maken makkelijk vriendjes en zullen ook in [plaats] naar een vrije school gaan. De vrouw acht de verhuizing in het belang van de kinderen.
De man voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
gezamenlijke behandeling vorderingen
Gelet op de nauwe verwevenheid van de vorderingen in conventie en in reconventie en de daaraan ten grondslag liggende stellingen, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
spoedeisend belang
Op grond van artikel 254 Rv is de voorzieningenrechter in alle spoedeisende zaken, waarin gelet op de belangen van partijen een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd deze te geven. Spoedeisend belang heeft de eisende partij in ieder geval, indien niet kan worden gevergd dat hij of zij een bodemprocedure afwacht.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van een voldoende spoedeisend belang bij de vorderingen van partijen, gelet op het feit dat de moeder voornemens is om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen.
inhoudelijke beoordeling
Voorop wordt gesteld dat het gezag over de kinderen door partijen gezamenlijk wordt uitgeoefend. Dit betekent dat partijen belangrijke beslissingen, zoals een verhuizing en een (wijziging van) schoolkeuze, alleen gezamenlijk kunnen nemen en gehouden zijn om voorafgaand aan het nemen van dergelijke beslissingen met elkaar te overleggen. In ieder geval is voor een dergelijke beslissing toestemming van de andere gezaghebbende ouder nodig. Indien die toestemming niet wordt verleend, zal de andere ouder vervangende toestemming moeten verzoeken in een bodemprocedure op de voet van artikel 1:253a BW. In die procedure zal de (meervoudige kamer van de) rechtbank een zodanige beslissing nemen als haar in het belang van kinderen voorkomt, waarbij de belangen van alle betrokkenen in aanmerking zullen worden genomen en tegen elkaar zullen worden afgewogen met inachtneming van de in de rechtspraak ontwikkelde vaste criteria. Indien sprake is van een dusdanige noodzaak kunnen in kort geding ordemaatregelen worden getroffen, totdat in een bodemprocedure is beslist.
De voorzieningenrechter dient ervoor te waken dat met een voorlopige voorziening vooruit wordt gelopen op de definitieve beslissing die in de bodemzaak zal volgen. In gevallen zoals de onderhavige dient door de voorzieningenrechter dan ook terughoudend om te worden gegaan met het geven van vervangende toestemming voor een verhuizing, mede gelet op het definitieve en ingrijpende karakter daarvan. Het voorgaande brengt met zich dat slechts in uitzonderlijke gevallen het belang van één van partijen of van de kinderen kan rechtvaardigen dat reeds in kort geding vooruitlopend op een beslissing in de bodemprocedure vervangende toestemming wordt verleend voor een verhuizing.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een dusdanige noodzaak aan de zijde van de vrouw om een ordemaatregel te treffen. De voorzieningenrechter begrijpt dat het eenzijdig aanpassen van de kinderalimentatie door de man het voor de vrouw lastig maakt om de huidige huur te betalen, maar dit vormt geen reden om in kort geding vervangende toestemming voor verhuizing naar [plaats] te verlenen. Ook het feit dat de aangeboden woning in [plaats] voor de vrouw volgens haar zeggen een enorme mogelijkheid is, is daarvoor onvoldoende. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat zij naar andere goedkopere woonruimte in de regio waar zij thans met de kinderen woont, heeft gezocht. De voorzieningenrechter zal dan ook de primaire vordering van de man toewijzen, onder afwijzing van de vordering van de vrouw, en de vrouw verbieden om met de kinderen naar [plaats] te verhuizen totdat in een mogelijk te entameren bodemprocedure anders zal worden beslist, waarbij de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat de man totdat in rechte anders zal zijn beslist de eerder overeengekomen kinderalimentatie aan de vrouw zal voldoen. De voorzieningenrechter ziet gelet op de verhouding van partijen aanleiding om hieraan een dwangsom te verbinden, waardoor ook de door de man gevorderde dwangsom zal worden toegewezen.
Nu de vrouw geen vervangende toestemming krijgt om met de kinderen te verhuizen, zal de voorzieningenrechter ook de vordering van de vrouw afwijzen om de kinderen in te schrijven op een andere school.
Nu de primaire vordering van de man is toegewezen, behoeft de subsidiaire vordering geen verdere bespreking.
kosten van het geding
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
verbiedt de vrouw om met:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ; en- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , naar [plaats] te verhuizen totdat in de bodemprocedure anders zal worden beslist;
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 250 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 6.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 20.000 is bereikt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.S. Goedèl en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. N.L. de Groot op 7 mei 2026.
Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat. Omdat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.