RECHTBANK NOORD-HOLLAND
beslissing
[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: 383259 HA RK 26-201
Beslissing van 19 oktober 2026
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. E.B. van den Heuvel,
hierna te noemen: de rechter.
1. Procesverloop
Verzoekster heeft op 14 oktober 2026 ter zitting de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton & Insolventie, locatie Haarlem, aanhangige zaak met als zaaknummer C/15/374664 HA RK 26-29, hierna te noemen: de hoofdzaak.
De rechter heeft niet in de wraking berust.
De wrakingskamer heeft afgezien van behandeling van het verzoek ter zitting.
2. Aanleiding voor het verzoek en het standpunt van verzoekster
De hoofdzaak gaat over een verzoek van twee familieleden van verzoekster tot benoeming van een vereffenaar in de nalatenschap van een of beide overleden ouders. De rechter heeft ter zitting als haar beslissing meegedeeld een stuk, dat volgens verzoekster een verweerschrift is, niet als gedingstuk toe te laten.
Verzoekster heeft vervolgens ter onderbouwing van het wrakingsverzoek het volgende aangevoerd: “Als u mijn formele verzoek om het verweerschrift toe te laten ongemotiveerd afwijst en mij dwingt de hoofdzaak te behandelen zonder dat duidelijk is wat de omvang is van het procesdossier en mijn verweerschrift naast zich neerlegt, wordt mij het recht op een eerlijk proces ontnomen en het recht op hoor en wederhoor op grove wijze geschonden. Dit wekt bij mij de objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenornenheid.”
3. De beoordeling
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Met een wrakingsverzoek kan de juistheid van een tussen- of procesbeslissing niet ter toetsing worden voorgelegd aan de rechtbank (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Een wrakingsverzoek waaraan een betwiste procesbeslissing ten grondslag wordt gelegd, kan alleen tot wraking leiden als er sprake is van andere omstandigheden waaruit moet worden afgeleid dat de rechter - bij het geven van de tussenbeslissing – vooringenomen is.
De beslissing om het verweerschrift niet als gedingstuk toe laten is een dergelijke tussenbeslissing. Hetgeen verzoekster aanvoert kan daarom niet tot wraking leiden.
Daarbij merkt de wrakingskamer nog op, dat verzoekster geen bijkomende omstandigheden heeft aangevoerd, waaruit de conclusie moet worden getrokken dat de tussenbeslissing zou zijn ingegeven door vooringenomenheid.
De feiten en omstandigheden die verzoekster ter onderbouwing van haar verzoek naar voren heeft gebracht, leveren dus geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, heeft de wrakingskamer afgezien van behandeling van het verzoek op een zitting.
4. Beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,
beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, de rechter en de andere partijen in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, mr. C.W.M. Giesen en mr. P. Reemst, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van R.I. de Graaf, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.[concipiënt_initialen]
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.