ECLI:NL:RBNHO:2026:14752

ECLI:NL:RBNHO:2026:14752

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 29-10-2026
Datum publicatie 29-10-2026
Zaaknummer 15-271634-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Veroordeling tot gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk voor medeplegen poging doodslag en openlijke geweldpleging in Beverwijk. Voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer door meermalen met kracht tegen het hoofd te schoppen. Vrijheidsbeperkende maatregelen opgelegd, te weten locatie-en contactverbod. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij wegens materiële en immateriële schade. Vrijspraak van medeplegen van diefstal met geweld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15-271634-25

Uitspraakdatum: 29 oktober 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 oktober 2026 in de zaak tegen:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:[adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mrs. N. Swart en M. Versteege (hierna elk afzonderlijk dan wel gezamenlijk aangeduid als: de officier van justitie) en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman mr. J.W. Ebbink, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1 hij op of omstreeks 6 september 2025 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [het slachtoffer] van het leven te beroven, [het slachtoffer], terwijl hij op de grond lag en/of buiten bewustzijn was meermalen tegen het lichaam en/of het hoofd heeft geschopt en/of gestompt en/of geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 6 september 2025 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, [het slachtoffer], terwijl hij op de grond lag en/of buiten bewustzijn was meermalen tegen het lichaam en/of het hoofd heeft geschopt en/of gestompt en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2

hij op of omstreeks 6 september 2025 te Beverwijk op de openbare weg, te weten de Laan der Nederlanden, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [het slachtoffer] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit

- het slaan op de ontblote billen en/of

- het meermalen schoppen en/of stompen en/of slaan tegen het lichaam en/of het hoofd,

terwijl [het slachtoffer] op de grond lag en/of buiten bewustzijn was;

Feit 3

hij op of omstreeks 6 september 2025 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een North Face jas, een mobiele telefoon van het merk Apple I Phone 12 pro max, een rijbewijs en/of een contant geldbedrag van 950 euro, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [het slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [het slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door [het slachtoffer], terwijl hij op de grond lag, meermalen tegen zijn lichaam en/of hoofd te schoppen en/of te stompen en/of te slaan.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 3 ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van de onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde feiten, met uitzondering van de zinsnede ‘en/of buiten bewustzijn’. Daar dient de verdachte partieel van worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit, omdat er volgens hem onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. De verdachte is aangehouden op basis van de herkenning door één verbalisant. Volgens de verdediging komt aan de gestelde herkenning onvoldoende bewijskracht toe, omdat uit het proces-verbaal niet blijkt op grond van welke concrete en onderscheidende persoonskenmerken de verdachte zou zijn herkend. Evenmin volgt daaruit hoe frequent en hoe recent de verbalisant contact met de verdachte heeft gehad. Nu de herkenning niet wordt ondersteund door objectief steunbewijs, dient daarmee behoedzaam te worden omgegaan en kan daarop geen bewezenverklaring worden gebaseerd.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 3

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 3 ten laste gelegde. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte enige rol heeft gespeeld bij het wegnemen van de goederen van het slachtoffer. Ook kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat de gepleegde geweldshandelingen gericht waren op het voorbereiden en/of het gemakkelijk maken van de diefstal.

Partiële vrijspraak feit 1 primair en feit 2 De rechtbank zal de verdachte ten aanzien van beide feiten partieel vrijspreken van het bestanddeel ‘en/of buiten bewustzijn was’. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Op dit punt bevindt zich in het dossier slechts de verklaring van het slachtoffer dat hij vermoedt dat hij door het geweld buiten bewustzijn is geraakt. De rechtbank is van oordeel dat dit onvoldoende is om te kunnen vaststellen dat het slachtoffer daadwerkelijk buiten bewustzijn is geweest.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 1 primair en feit 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

Bewijsmotivering feit 1 primair en feit 2

Inleiding

Op 6 september 2025 in Beverwijk heeft een groep jongens [het slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) op de grond vastgehouden, zijn broek uitgetrokken en hem herhaaldelijk tegen zijn lichaam en op zijn hoofd geslagen en geschopt. Dit geweld is door (een van) de jongens gefilmd. De politie heeft die beelden bekeken en vastgesteld dat door meerdere personen, waaronder de verdachte, tegen het hoofd en het lichaam van het slachtoffer wordt geschopt en geslagen. De verdachte heeft verklaard dat hij niet betrokken is geweest bij hetgeen het slachtoffer die avond zou zijn overkomen en heeft zich verder op zijn zwijgrecht beroepen.

Betrokkenheid van de verdachte

In het dossier zitten camerabeelden die van de geweldshandelingen zijn gemaakt. De politie heeft bij het bekijken van de beelden vastgesteld dat er door meerdere personen trapbewegingen zijn gemaakt naar het lichaam en het hoofd van het slachtoffer. Daarnaast is op de beelden te zien dat het slachtoffer ook een vuistslag heeft gekregen van een man die op de beelden NN3 is genoemd. Deze NN3 is door de politie herkend als de verdachte. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de verdachte niet alleen is herkend door verbalisant

[verbalisant A], maar ook door verbalisant [verbalisant B]. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de herkenningen, die zijn gedaan door ambtenaren van politie en bovendien los van elkaar zijn gedaan. Verbalisant [verbalisant A] heeft bij zijn herkenning ook aangegeven aan welke kenmerken hij de verdachte heeft herkend. De rechtbank zal deze herkenningen dan ook betrekken bij het bewijs.

In de telefoon van de verdachte is verder een WhatsApp gesprek gevonden tussen de verdachte en zijn [broer]. [zijn broer] heeft een foto van een paar schoenen naar de verdachte gestuurd met de vraag “deze ook?”. De verdachte antwoordt daarop met “ja”, waarop [zijn broer] reageert met “Ai". Vervolgens zegt de verdachte “Wiss gesprekken”. Ook hierop reageert [zijn broer] met “Ai". De schoenen op de foto zijn door verbalisant [verbalisant C] herkend als de schoenen die de verdachte (NN3) draagt op de camerabeelden afkomstig van de Wijkerbaan te Beverwijk.

Gezien deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat de verdachte betrokken is geweest bij het geweld dat is gepleegd tegen het slachtoffer.

Poging doodslag

Voor wat betreft de vraag of de verdachte samen met anderen opzet heeft gehad op de dood van de aangever, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier en de verklaring van de verdachte volgt niet dat de verdachte willens en wetens (“vol” opzet) geprobeerd heeft om het slachtoffer te doden. De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is of er dan sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Van voorwaardelijk opzet is sprake indien bewust de aanmerkelijke kans, te weten een reële niet onwaarschijnlijke mogelijkheid, wordt aanvaard dat een bepaald gevolg zal intreden. Dit kan worden afgeleid uit de feitelijke omstandigheden van het geval waarbij de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht van belang zijn. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Uit het dossier blijkt onder meer dat de verdachte en zijn medeverdachten om het slachtoffer heen stonden en hem meermalen op het hoofd en tegen het lichaam hebben geslagen en geschopt. Het ging om een groepsaanval, gericht tegen het slachtoffer dat weerloos op de grond lag en zich hiertegen niet kon verweren. De verdachte en zijn medeverdachten hebben meermaals, met geschoeide voet en met hoge snelheid en veel kracht, trappende en stampende bewegingen op en tegen het hoofd van het slachtoffer gemaakt. Daarnaast volgt ook uit de bevindingen van de forensische arts dat het slachtoffer ook daadwerkelijk letsel heeft opgelopen, onder meer aan zijn slaap.

Door meermalen met kracht en met geschoeide voet op/tegen het hoofd van het slachtoffer te schoppen, bestaat de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer. De verdachte en de medeverdachten hebben bewust het risico genomen dat kwetsbare delen van het hoofd, zoals de slaap, maar ook delen van het gezicht zoals de kaak, oogkas of jukbeen, geraakt hadden kunnen komen, wat ernstig letsel kan veroorzaken met zelfs de dood tot gevolg. Het slachtoffer heeft ook daadwerkelijk letsel opgelopen. Daarnaast volgt uit de bevindingen van de forensisch arts dat dodelijk letsel in dit geval zeer wel mogelijk is geweest. De forensisch arts meldt dat de grotere impactsnelheid door de zwaaiende beweging van het been bij het schoppen, het hoog optrekken van het been vóór het 'stampen', impliceren dat deze geweldinwerkingen beschouwd kunnen worden als hevig of zeer hevig botsend geweld.

Algemene mogelijke gevolgen van botsend en schavend geweld op het hoofd bestaan onder meer uit levensbedreigende hersenbloedingen. Behalve door direct botsend geweld op het hoofd is eveneens letsel mogelijk door plotse zijwaartse bewegingen en draaibewegingen door de abrupte botsende geweldinwerking tegen het hoofd, waardoor diffuse schade kan ontstaan aan de lange zenuwuitlopers in de hersenen of het ruggenmerg ('diffuse axonale schade'). Hierdoor kan een scala aan klachten ontstaan, waarbij een fatale afloop mogelijk is, aldus de forensisch arts.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte samen met anderen het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. De rechtbank komt hiermee tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 primair. Ook is naar het oordeel van de rechtbank de onder feit 2 ten laste gelegde openlijke geweldpleging wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1 hij op 6 september 2025 te Beverwijk tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [het slachtoffer] van het leven te beroven, [het slachtoffer], terwijl hij op de grond lag meermalen tegen het lichaam en het hoofd heeft geschopt en gestompt en geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2

hij op 6 september 2025 te Beverwijk op de openbare weg, te weten de Laan der Nederlanden, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [het slachtoffer] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit

- het meermalen schoppen en stompen en slaan tegen het lichaam en het hoofd,

terwijl [het slachtoffer] op de grond lag.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

De eendaadse samenloop van

ten aanzien van feit 1 primair

medeplegen van poging tot doodslag

en

ten aanzien van feit 2

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Daarnaast dienen een contactverbod met de medeverdachten en het slachtoffer en een locatieverbod voor Haarlem als vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v Sr) aan de verdachte opgelegd te worden voor een periode van twee jaren, met een vervangende hechtenis van een week per overtreding met een maximale duur van 6 maanden. Van deze maatregel heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid verzocht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gewezen op de omstandigheid dat de verdachte ruim zes maanden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Indien de rechtbank aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf oplegt, kan volgens de raadsman worden volstaan met een meldplicht bij de reclassering.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich op 6 september 2025 samen met anderen schuldig gemaakt aan (de eendaadse samenloop van) poging tot doodslag op en het plegen van openlijk geweld tegen het destijds 17-jarige slachtoffer. De verdachte heeft samen met zijn medeverdachten het slachtoffer herhaaldelijk en met kracht geschopt tegen zijn lichaam en hoofd, ook nadat het slachtoffer weerloos en met ontbloot onderlichaam op de grond lag. De geweldshandelingen zijn door een van de medeverdachten gefilmd en vervolgens op internet geplaatst, met daarbij een foto en de naam van het slachtoffer. Dit is niet alleen bijzonder vernederend geweest voor hem, maar dergelijke beelden kunnen ook in de maatschappij gevoelens van angst en onveiligheid aanwakkeren, temeer nu het slachtoffer een willekeurig slachtoffer lijkt te zijn geweest. Deze gebeurtenis en de daarop volgende berichten op sociale media hebben voor grote maatschappelijke onrust gezorgd. In Beverwijk en omgeving heeft dit ertoe geleid dat er door de burgemeester een noodbevel is afgegeven, dat diverse gebieden als veiligheidsrisicogebied werden aangewezen en middelbare scholen en sportclubs zijn gesloten. Uit de slachtofferverklaring en de informatie van de psycholoog blijkt hoeveel impact deze gebeurtenis op het leven van het slachtoffer heeft gehad en nog altijd heeft. De rechtbank rekent de verdachte dit zwaar aan.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 2 oktober 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Verder volgt hieruit dat de verdachte op 2 oktober 2026 een strafbeschikking is opgelegd, waardoor artikel 63 van toepassing is. Daarnaast heeft de rechtbank kennis genomen van de rapportages van verslavingsreclassering GGZ Fivoor Nederland van 7 oktober 2026 en 30 januari 2026. Hieruit blijkt dat de reclassering de rechtbank adviseert een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden aan de verdachte op te leggen. De reclassering ziet wat betreft de kans op recidive een aantal risicofactoren, waaronder het netwerk van de verdachte, zijn psychosociaal functioneren en zijn houding. Gezien de jonge leeftijd en de ontwikkeling die de verdachte nog kan maken acht de reclassering het wenselijk dat de huidige structuur die de verdachte heeft opgebouwd, in stand blijft.

Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte door zijn houding geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen.

De op te leggen straf

Door de officier van justitie is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geëist. De rechtbank is van oordeel dat er gelet op het reclasseringsrapport en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte reden is om hier enigszins van af te wijken. De verdachte staat sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis op 10 april 2026 onder toezicht van de reclassering. Uit de rapportage van de reclassering volgt dat de verdachte zich houdt aan de gestelde bijzondere voorwaarden. De rechtbank zal daarom het advies van de reclassering om een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen (deels) volgen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is. De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel van belang om herhaling van strafbare feiten te voorkomen. Aan de voorwaardelijke straf zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren verbinden met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, het volgen van een ambulante behandeling, het behouden van een dagbesteding en het meewerken aan controles om zicht te krijgen op het gebruik van alcohol en verdovende middelen.

7. Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Sr)

De rechtbank acht net als de officier van justitie een contactverbod met het slachtoffer van belang maar niet als bijzondere voorwaarde, maar als vrijheidsbeperkende maatregel.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt dat ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten de maatregel van een contactverbod met het slachtoffer voor de duur van twee jaar dient te worden opgelegd. De rechtbank bepaalt dat de duur van de vervangende hechtenis zeven dagen bedraagt per overtreding, met een maximum van zes maanden, zodat de verdachte elke keer dat hij het contactverbod overtreedt direct wordt afgestraft en de consequentie van zijn handelen ervaart.

Een locatie- en contactverbod met de medeverdachten acht de rechtbank niet (langer) noodzakelijk.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en dat daarmee aan de in artikel 38v lid 4 Sr gestelde voorwaarden is voldaan. De rechtbank zal dan ook bevelen dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar is.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [het slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 45.845,44 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit een bedrag van € 15.000,00 wegens immateriële schade en een bedrag van € 30.845,44 wegens materiële schade. De materiële schade bestaat uit de posten:- contant geld € 950,00- North Face winterjas € 400,00

- eigen risico 2025 € 385,00,

- eigen risico 2026 € 385,00,- reiskosten € 98,34,- sportabonnement € 131,94- inkomensverlies € 5.411,16- schoolboeken € 434,00- studieschade € 22.650,00.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadepost ‘contant geld’ en ‘inkomensverlies onvoldoende zijn onderbouwd. De officier van justitie heeft ten aanzien van de schadepost ‘inkomensverlies’ de rechtbank verzocht aansluiting te zoeken bij het vonnis van de rechtbank van 23 april 2026 in de zaak van de minderjarige medeverdachte [medeverdachte A] en deze post voor 50% toe te wijzen, wat neerkomt op een bedrag van

€ 2.705,58. Volgens de officier van justitie kan de vordering voor een bedrag van

€ 42.186,86 (€ 27.189,86 voor materiële schade en € 15.000 voor immateriële schade) worden toegewezen. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht dit bedrag hoofdelijk toe te wijzen, met toepassing van wettelijke rente vanaf 6 maart 2025 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 26.272,92

rechtstreeks voortvloeit uit de onder feit 1 primair en feit 2 bewezen verklaarde feiten.

De gevorderde schade van de posten eigen risico 2026 (€ 385,00), reiskosten (€ 98,34) en schoolboeken (€ 434,00), zal de rechtbank volledig toewijzen nu deze schade rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten en voldoende zijn onderbouwd. Daarnaast zal de post studieschade ook volledig worden toegewezen. De rechtbank vindt voldoende onderbouwd dat het slachtoffer als gevolg van de bewezenverklaarde feiten een jaar studievertraging heeft opgelopen. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het forfaitair bedrag dat in de Letselschade Richtlijn Studievertraging is opgenomen en per 1 januari 2026 is geïndexeerd naar € 22.650,00.

De post inkomensverlies zal de rechtbank gedeeltelijk toewijzen. De rechtbank zal aansluiten bij het bedrag dat hiervoor is toegewezen in het vonnis van de medeverdachte [medeverdachte A], te weten € 2.705,58. Dat een hoger bedrag aan inkomensverlies is geleden is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij voor deze post voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.

Naar het oordeel van de rechtbank komen de gevorderde bedrag van € 950,00 aan contant geld en het bedrag van € 400,00 met betrekking tot de North Face winterjas niet voor vergoeding in aanmerking. Het is onvoldoende vast komen te staan dat het slachtoffer ten tijde van het incident € 950,00 op zak had en een North Face winterjas droeg.

Aangezien de post eigen risico 2025 niet is onderbouwd met bijvoorbeeld een overzicht van de ziektekostenverzekeraar, zal de rechtbank deze post evenmin toewijzen. Ook de post sportabonnement is onvoldoende onderbouwd, nu niet vastgesteld kan worden dat het slachtoffer dit sportabonnement al ten tijde van het incident had afgesloten. Aan de hand van de onderbouwing kan enkel vastgesteld worden dat hij een sportabonnement had vanaf 29 december 2025, zijnde ruim drie maanden na de pleegdatum. De rechtbank zal het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op deze posten niet-ontvankelijk verklaren.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft daarnaast € 15.000,00 aan immateriële schade gevorderd.

Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW

onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval

staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van de door

de verdachte gepleegde strafbare feiten. Daarom is er een wettelijke grondslag voor de

vordering van de benadeelde partij en mogen ook de andere niet als lichamelijk letsel te

kwalificeren gevolgen worden meegewogen in de vaststelling van de omvang van de

immateriële schade die naar billijkheid wordt vastgesteld.

Uit de medische verslagen blijkt dat de benadeelde partij als gevolg van de gepleegde strafbare feiten meerdere zwellingen aan zijn achterhoofd en slaap, schaafwonden, een botbreuk ter hoogte van de basis van het middenhandsbeentje van de ringvinger en mogelijke botbreuk van de rechterpink, alsmede aanhoudende neurologische klachten heeft opgelopen.

Ook heeft de benadeelde partij psychische gevolgen ondervonden die, zoals volgt uit de slachtofferverklaring en stukken van de psycholoog tot op de dag van vandaag voortduren en waarvoor hij behandelingen volgt bij een psycholoog. Uit het verslag van de GZ-psycholoog i.o. van Mind to Move van 28 september 2026 blijkt dat de klachten van de benadeelde partij passend zijn bij PTSS en een depressie, dat de traumatische klachten nog niet zijn afgenomen en dat de depressieve klachten zijn toegenomen.

Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en daarnaast aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 15.000,00 niet onredelijk is, zodat de vordering volledig zal worden toegewezen.

Wettelijke rente

Wat betreft de wettelijke rente overweegt de rechtbank het volgende. Voor de post studieschade is het moment van het intreden van deze schade, gelet op de aard hiervan, niet zonder meer duidelijk. De rechtbank zal daarom voor de post studievertraging (€ 22.650,00) geen wettelijke rente toewijzen. De door de rechtbank toegewezen wettelijke rente heeft daarom alleen betrekking op de overige bedragen die worden toegewezen (tezamen

€ 18.622,92), vanaf 6 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.

Proceskostenvergoeding

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Hoofdelijkheid

De verdachte heeft de strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met anderen gepleegd. De verdachte en medeverdachten zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 4. bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen van poging tot doodslag en openlijke geweldpleging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 47, 55, 63, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder feit 1 primair en feit 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (zegge: vier en twintig) maanden.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zegge: zes maanden) niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Hij houdt zich binnen de meldplicht aan aanwijzingen. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn en zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.

- zich laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door dereclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek,agressiebeheersing, en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

- zich inspant voor het behouden van betaald werk. De dagbesteding draagt bij aan hetvoorkomen van delictgedrag;- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruikvan alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst II (softdrugs). Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vrijheidsbeperkende maatregel

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [het slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2].

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt een week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden..

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering benadeelde partij [het slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van € 41.272,92 (eenenveertigduizendtweehonderdtweeënzeventig euro en tweeënnegentig eurocent), bestaande uit € 26.272,92 als vergoeding voor de materiële en € 15.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 18.622,92 vanaf 6 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan

[het slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [het slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 41.272,92, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 195 dagen gijzeling en bepaalt dat een gedeelte van het te betalen bedrag, te weten een bedrag van € 18.622,92, wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachte(n) aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Beslissing over de voorlopige hechtenis

Wijst af het verzoek tot opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis en wijst ook af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.S. Schoorl, voorzitter,

mr. S. Mac Donald en mr. M. van Doesburg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier J.A. Huismans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 oktober 2026.

mr. Van Doesburg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.S. Schoorl
  • mr. S. Mac Donald
  • mr. M. van Doesburg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand