RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-241404-25
Uitspraakdatum: 29 oktober 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 15 oktober 2026 in de zaak tegen:
[naam verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie
mrs. N. Swart en M. Versteege (hierna elk afzonderlijk dan wel gezamenlijk aangeduid als: de officier van justitie) en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman mr. W.J. Morra, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1 hij op of omstreeks 6 september 2025 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [het slachtoffer] van het leven te beroven, [het slachtoffer], terwijl hij op de grond lag en/of buiten bewustzijn was meermalentegen het lichaam en/of het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 september 2025 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [het slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, [het slachtoffer], terwijl hij op de grond lag en/of buiten bewustzijn was meermalen, tegen het lichaam en/of het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2 hij op of omstreeks 6 september 2025 te Beverwijk op de openbare weg, te weten de Laan der Nederlanden, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [het slachtoffer] welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit
- het slaan op de ontblote billen en/of
- het meermalen schoppen tegen het lichaam en/of het hoofd,terwijl [het slachtoffer] op de grond lag en/of buiten bewustzijn was;
Feit 3 hij op of omstreeks 6 september 2025 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een North Face jas, een mobiele telefoon van het merk Apple I Phone 12 pro max, een rijbewijs en/of een contant geldbedrag van 950 euro, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan [het slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachteen/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [het slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door [het slachtoffer], terwijl hij op de grond lag, meermalen tegen zijn lichaam en/of hoofd te schoppen.
2. Ontvankelijkheid openbaar ministerie
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte moet worden verklaard. Er is sprake van aperte onevenredigheid nu de verdachte wel wordt vervolgd en een ander, te weten Berat [medeverdachte X] (hierna: [medeverdachte X]) niet. Op 12 september 2025 ontving de politie namelijk twee MMA-meldingen, waarbij beide melders hebben verklaard dat één van de personen die het slachtoffer heeft getrapt en gefilmd [medeverdachte X] heet. Ook noemen zij het woonadres van die [medeverdachte X]. Daarnaast heeft ook de medeverdachte [medeverdachte A] verklaard dat [medeverdachte X] de jongen is die het geweld heeft gefilmd. Ook heeft hij verklaard dat hij denkt dat die [medeverdachte X] de broek van het slachtoffer omlaag heeft gedaan. Het niet aanmerken van [medeverdachte X] als verdachte is een onbegrijpelijke beslissing en heeft een ongelijke behandeling van gelijke gevallen tot gevolg.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie wel ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. Op grond van het opportuniteitsbeginsel maakt het openbaar ministerie tezamen met de politie de beslissing wie wel en wie niet als verdachte wordt aangemerkt.
Oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering komt aan het openbaar ministerie een zelfstandige beslissingsbevoegdheid toe ten aanzien van de vraag of na een opsporingsonderzoek al dan niet vervolging moet plaatsvinden. Die discretionaire bevoegdheid wordt begrensd door de beginselen van een goede procesorde. Schending van die beginselen, doordat de vervolgingskeuze op willekeurige gronden is gemaakt zodat de daaraan gegeven motivering de beslissing van de officier van justitie niet kan dragen of doordat gelijke gevallen ongelijk zijn behandeld zonder dat voor die ongelijke behandeling een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat, kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De vraag of het openbaar ministerie de grenzen van zijn bevoegdheden in deze heeft overschreden, wordt door de rechtbank slechts marginaal getoetst. Binnen deze marginale toets en gelet op de inhoud van het dossier overweegt de rechtbank dat sprake is van vergelijkbare zaken, in het bijzonder ten aanzien van de hoeveelheid aanknopingspunten dat bestond ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte [naam verdachte] en [medeverdachte X]. In het proces-verbaal van bevindingen van 13 september 2025 (procesdossierpagina 25 e.v.) is door de politie beschreven dat in de video geen verdachten te zien zijn, maar alleen de benen waarmee getrapt wordt op het hoofd van het slachtoffer en dat het hiermee lastig is om [medeverdachte X] te herkennen. Net als bij [medeverdachte X] is het gezicht van verdachte [naam verdachte] niet zichtbaar op de video’s van de geweldhandelingen. In het proces-verbaal van bevindingen van 14 september 2025 (procesdossierpagina 45 e.v.) beschrijft de politie dat er op de tiktokvideo’s geweldshandelingen van de filmer te zien zijn, onder meer op pagina 50: ‘Die niet zichtbare filmer loopt in de richting het slachtoffer. Hierdoor is het voorste deel van de filmers linkerschoen in beeld. Kort hierop is te zien dat een rechterschoen, overeenkomend met die linkerschoen van de filmer, omhoog beweegt en met vaart en kracht een trappende beweging maakt naar het hoofd van het slachtoffer en hem vol op zijn gezicht raakt’. En op pagina 54 staat: ‘Ook de rechtervoet van de vermoedelijke filmer trapt op het achterhoofd van het slachtoffer’.
Verdachte [naam verdachte] ontkent bij het schoppen en slaan van het slachtoffer betrokken te zijn geweest. De naam van verdachte [naam verdachte] wordt door de medeverdachten ook niet genoemd, terwijl [medeverdachte X] wel door zowel de medeverdachte [medeverdachte A] als de medeverdachte
[medeverdachte B] wordt aangewezen als degene die de geweldshandelingen heeft gefilmd. [medeverdachte B] heeft verklaard dat [medeverdachte X] de enige was die heeft gefilmd en volgens [medeverdachte B] deed [medeverdachte X] daar ook een beetje popiejopie over. De naam van [medeverdachte X] en zijn woonadres worden daarnaast ook genoemd in twee MMA-meldingen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM2492), volgt dat een MMA-melding in beginsel voldoende is voor het aannemen van een redelijk vermoeden van schuld
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met betrekking tot verdachte [naam verdachte] en [medeverdachte X] sprake is van gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld zonder dat daar een objectieve rechtvaardigingsgrond door het openbaar ministerie voor is gegeven. Dat is zodanig in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder met het gelijkheidsbeginsel, dat sprake is van een aperte onevenredigheid. De rechtbank zal het Openbaar Ministerie daarom niet ontvankelijk verklaren in de vervolging van verdachte [naam verdachte].
3. Vordering benadeelde partij
De benadeelde partij [het slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 45.845,44 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de niet ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie de benadeelde partij niet in haar vordering kan worden ontvangen.
4. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging van [naam verdachte].
Verklaart de benadeelde partij [het slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.S. Schoorl, voorzitter,
mr. S. Mac Donald en mr. M. van Doesburg, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier J.A. Huismans,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 oktober 2026.
mr. Van Doesburg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.