RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
omgang
zaak-/rekestnr.: C/15/354908 / FA RK 24-3707
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 8 oktober 2026
in de zaak van:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
op dit moment gedetineerd,
advocaat mr. E.I. Robert uit Utrecht,
tegen
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. J.M. Neervoort uit Den Helder,
-- over --
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;
hierna samen ook te noemen: de kinderen.
1. De verdere procedure
Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit:
het proces-verbaal van uitspraak van 3 december 2025;
het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad), ontvangen op 30 juni 2026;
het F9-formulier van de vader, ontvangen op 13 juli 2026;
het F9-formulier van de moeder, ontvangen op 15 juli 2026.
De voortgezette behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
de vader met zijn advocaat;
de advocaat van de moeder;
de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] , als informant;
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna te noemen: de GI), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] , als informant.
De zaak over de omgangsregeling en de zaak over de ondertoezichtstelling zijn tijdens de zitting achter elkaar behandeld. De vader en zijn advocaat waren alleen aanwezig tijdens de behandeling van de zaak over de omgangsregeling. Daarbij heeft de vader, daartoe door de kinderrechter in de gelegenheid gesteld, ook zijn standpunt over het verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] gegeven.
De minderjarige [de minderjarige 1] heeft de mogelijkheid gekregen om haar mening te geven over het verzoek. [de minderjarige 1] heeft de kinderrechter hierover op 16 september 2026 een e-mail gestuurd.
2. De stand van zaken tot nu toe
Bij proces-verbaal van uitspraak van 3 december 2025 is het verzoek van de vader over het gezag afgewezen. De Raad is verzocht onderzoek te doen naar het verzoek van de vader over het vaststellen van een omgangsregeling. De beslissing op het verzoek van de vader over de omgangsregeling is pro forma aangehouden.
Bij beschikking van de kinderrechter van 30 juni 2026 is [de minderjarige 1] onder toezicht gesteld tot 30 juni 2027.
De Raad heeft op 30 juni 2026 een rapport ingediend. De Raad adviseert op dit moment geen omgangsregeling vast te stellen tussen [de minderjarige 1] en de vader. Hij adviseert wel een omgangsregeling vast te stellen tussen [de minderjarige 2] en de vader, waarbij [de minderjarige 2] 1) zo snel mogelijk statusvoorlichting krijgt, 2) daarna (onder begeleiding) gestart wordt met telefonisch-/videocontact tussen [de minderjarige 2] en de vader en 3) als dat goed verloopt, [de minderjarige 2] de vader (begeleid) kan bezoeken in de gevangenis. De Raad onderbouwt zijn advies als volgt. De vader vervult al jarenlang geen ouderrol in het leven van de kinderen. [de minderjarige 1] situatie verschilt van [de minderjarige 2] situatie, omdat de vader maar anderhalf jaar echt in [de minderjarige 1] leven is geweest en de vader alleen de biologische vader is van [de minderjarige 2] . [de minderjarige 1] zegt duidelijk geen contact te willen met de vader. Het is nu een onrustige periode in [de minderjarige 1] leven en contact met de vader zou extra onrust kunnen geven, vooral omdat [de minderjarige 1] dit contact niet wil. Volgens de Raad moet [de minderjarige 1] zelf kunnen beslissen over het contact met de vader. De Raad vindt dat de belangen van [de minderjarige 2] zicht niet verzetten tegen contact/een omgangsregeling met de vader. [de minderjarige 2] heeft het recht te weten wie haar vader is en hem te leren kennen, wat ook belangrijk is voor haar identiteitsontwikkeling. Bij de statusvoorlichting is begeleiding nodig van bijvoorbeeld de Omring, omdat de moeder [de minderjarige 2] daarbij niet op een neutrale manier kan begeleiden. Met de moeder moet worden bekeken hoe zij de vader (via een derde) structureel kan blijven informeren over [de minderjarige 2] . De vader heeft hier recht op en kan daardoor ook beter aansluiten bij [de minderjarige 2] . De vader kan [de minderjarige 2] (en misschien ook [de minderjarige 1] ) soms een brief of kaartje sturen.
De vader heeft op 13 juli 2026 aangegeven dat hij zich kan vinden in het raadsadvies.
De moeder heeft op 15 juli 2026 aangegeven dat zij het absoluut niet eens is met het raadsadvies. Zij wil niet dat er een vorm van contact is tussen [de minderjarige 2] en de vader.
Bij beschikking van de kinderrechter van 8 oktober 2026 is [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 30 juni 2027.
3. De verdere beoordeling
Het resterende verzoek
De rechtbank moet nu nog beslissen op het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en de kinderen, waarbij:
zij één keer per week een telefonisch contactmoment hebben met elkaar;
zij één keer per maand omgang hebben met elkaar op een door partijen af te spreken moment, waarbij de kinderen onder begeleiding naar de gevangenis worden gebracht en de vader onder begeleiding bezoeken.
De vader verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De vader
De vader en zijn advocaat hebben tijdens de zitting gezegd dat de vader zich kan vinden in het raadsadvies over [de minderjarige 1] en dat hij het eens is met het raadsadvies over [de minderjarige 2] . De vader wil [de minderjarige 2] heel graag zien en vindt het erg zwaar dat hij tot nu toe alles uit haar leven moet missen. Vóór de vader in detentie kwam, had hij ongeveer twee jaar lang een gezinsleven met de moeder. Daarin was hij de stabiele factor en heeft hij twee andere kinderen van de moeder ook erkend. Tot in oktober 2025 heeft de vader [de minderjarige 2] af en toe kort gezien tijdens videobelmomenten met [de minderjarige 1] , al wilde de moeder dat niet. Sinds de zitting van 3 december 2025 heeft de moeder de vader geen foto’s meer gestuurd van [de minderjarige 2] . De vader zit al een paar jaar in de gevangenis en stalkt en belt de moeder niet, zodat hij niet begrijpt waaraan de moeder ‘kapot’ zou gaan. De vader wil aan alle te stellen voorwaarden voldoen om ervoor te zorgen dat de kinderen hem veilig kunnen bezoeken. Hij vindt het goed als het contact met de moeder via familieleden verloopt. Dat de moeder weerstand heeft tegen de vader, mag er niet voor zorgen dat [de minderjarige 2] belet wordt haar vader te leren kennen. De moeder zal zich moeten inzetten voor de statusvoorlichting van [de minderjarige 2] en een manier moeten vinden het contact tussen [de minderjarige 2] en de vader te stimuleren in het belang van [de minderjarige 2] .
De moeder
De advocaat van de moeder heeft tijdens de zitting gezegd dat de moeder het eens is met het raadsadvies over [de minderjarige 1] . De moeder vindt het ook geen probleem als [de minderjarige 2] wat meer statusvoorlichting krijgt, bijvoorbeeld via hulpverlening in het vrijwillig kader. De moeder is het alleen niet eens met het raadsadvies over videobelmomenten tussen [de minderjarige 2] en de vader. De vader is dreigend en bepalend geweest in zijn gedrag, ook tijdens videobelmomenten met de andere kinderen. Daarom heeft de moeder er geen vertrouwen in dat dit bij [de minderjarige 2] anders zal zijn. Als het raadsadvies over de videobelmomenten wordt gevolgd, zou dat voor veel spanning zorgen bij de moeder. Die contactmomenten zouden dan moeten worden geregeld door de vader of de hulpverlening. De moeder wil namelijk niet dat haar contactgegevens bij de vader bekend worden. Zij betwist dat de vader de stabiele factor was in haar gezin. De vader heeft eerder ook op een dwingende en onveilige manier contact gezocht. De moeder is het verder niet eens met het raadsadvies over (begeleide) bezoeken in de gevangenis, omdat dat erg schadelijk en traumatiserend zal zijn voor [de minderjarige 2] . De belangen om het contact niet op deze manier te laten plaatsvinden, moeten zwaarder wegen. Tijdens de behandeling van de zaak over de ondertoezichtstelling heeft de moeder gezegd dat zij kapot zou gaan als het raadsadvies in de zaak over de omgangsregeling wordt gevolgd.
De Raad
De Raad heeft tijdens de zitting gezegd dat [de minderjarige 2] een andere positie heeft dan de andere kinderen van de moeder, omdat de vader [de minderjarige 2] biologische vader is. [de minderjarige 2] moet de kans krijgen de vader te leren kennen. Professionele omgangsbegeleiding, bijvoorbeeld Exodus, moet betrokken worden om te kijken naar de te nemen stappen. Als er contact komt tussen [de minderjarige 2] en de vader, moet dit begeleid worden. De Raad benadrukt dat het belangrijk is dat dit positieve contacten zijn, waarbij de vader zijn emoties rond de moeder moet weghouden bij [de minderjarige 2] . Er zijn namelijk signalen dat de videobelmomenten met de andere kinderen niet altijd goed zijn verlopen, zoals [de minderjarige 1] ook heeft gezegd. Voor [de minderjarige 2] identiteitsontwikkeling is het belangrijk dat zij weet wie de vader is. Vanwege haar leeftijd is het nu ook passend om met hulpverlening te starten met het geven van wat meer intensieve statusvoorlichting. Er moet worden gekeken hoe [de minderjarige 2] hierop reageert en wat haar mogelijkheden naar de volgende stap zijn. De Raad concludeert niet dat er zonder meer begeleide omgang moet komen, maar meent dat als alle stappen goed verlopen, dat wellicht gerealiseerd zou kunnen worden.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt geen omgangsregeling vast tussen [de minderjarige 1] en de vader en legt uit waarom. Op basis van de stukken en wat tijdens de zitting is besproken blijkt het volgende. [de minderjarige 1] heeft ongeveer anderhalf tot twee jaar in gezinsverband samengeleefd met de vader. De vader is niet haar biologische vader. [de minderjarige 1] heeft nu al een tijd geen videobelcontact of andere vorm van contact met de vader en zij heeft de Raad verteld dat zij dat ook niet wil. De Raad benoemt dat [de minderjarige 1] afwijzend staat tegenover contact met de vader en dat de vader voor [de minderjarige 1] niet als haar vader voelt. De rechtbank is het met de Raad eens dat [de minderjarige 1] , die inmiddels 13 jaar oud is, zelf de keuze moet kunnen maken voor het wel of niet hebben van contact met de vader en niet moet worden gedwongen tot contact met hem. De vader heeft tijdens de zitting gezegd zich te kunnen vinden in het raadsadvies over [de minderjarige 1] om op dit moment geen omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [de minderjarige 1] . De rechtbank volgt het raadsadvies over [de minderjarige 1] en wijst het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [de minderjarige 1] af.
De rechtbank stelt, overeenkomstig het advies van de Raad, een stapsgewijs opbouwende begeleide contactregeling vast tussen [de minderjarige 2] en de vader en legt uit waarom. Op basis van de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, gaat de rechtbank ervan uit dat de zwangerschap van [de minderjarige 2] gewenst was. De moeder heeft de vader niet alleen [de minderjarige 2] , maar ook haar twee andere dochters laten erkennen. Daaruit blijkt haar intentie dat de vader, met wiens criminele achtergrond zij bekend was, een rol zou mogen hebben in het leven van [de minderjarige 2] . De rechtbank stelt vast dat er tot nu toe (bijna) geen contact is geweest tussen [de minderjarige 2] en de vader en dat [de minderjarige 2] bijna niets over hem weet. [de minderjarige 2] wordt binnenkort zes jaar oud en voor haar identiteitsontwikkeling is het van belang dat zij weet van wie zij afstamt en allebei haar ouders kan leren kennen. Daarom is het belangrijk dat zij zo snel mogelijk statusvoorlichting krijgt over de vader. Het is positief dat de moeder hiervoor openstaat (met behulp van hulpverlening). De moeder staat alleen niet open voor een vorm van contact tussen [de minderjarige 2] en de vader, zodat niet te verwachten is dat zij dit contact uit zichzelf mogelijk zal maken. De rechtbank vindt het belangrijk dat na de statusvoorlichting wordt bekeken of kan worden toegewerkt naar een veilige vorm van begeleid contact tussen [de minderjarige 2] en de vader. Dit dient stap voor stap te gebeuren. Stap één is de statusvoorlichting. Als dat goed verloopt en de overgang naar de volgende stap door de betrokken hulpverlening in het belang van [de minderjarige 2] wordt geacht, is stap twee het realiseren van begeleide (video)belmomenten tussen [de minderjarige 2] en de vader. Als ook deze stap goed is verlopen en de overgang naar de volgende stap door de betrokken hulpverlening in het belang van [de minderjarige 2] wordt geacht, is stap drie het realiseren van begeleide omgangsmomenten tussen [de minderjarige 2] en de vader. Een professionele hulpverleningsinstantie moet betrokken worden, zodat de omgang begeleid kan worden en daarop regie kan worden gevoerd. [de minderjarige 2] kent de vader niet en de vader is de komende jaren nog gedetineerd. Het is aan de betrokken hulpverlening om te beoordelen of de overgang naar een volgende stap in het belang van [de minderjarige 2] is. Indien omgang met de vader in een gevangenis door de betrokken hulpverlening schadelijk en/of traumatiserend voor [de minderjarige 2] wordt geacht, dient dat door de hulpverlening te worden meegewogen bij de beoordeling of een volgende stap in de opbouw van het contact kan worden gezet. De rechtbank benadrukt dat nog onduidelijk is hoe de hiervoor genoemde drie stappen gaan verlopen en of wordt toegekomen aan stap drie. De rechtbank kan daarom geen vaste omgangsregeling vaststellen tussen [de minderjarige 2] en de vader, zoals de vader heeft verzocht. De onder 4.1. vermelde beslissing over de contactregeling betekent dat het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [de minderjarige 2] grotendeels wordt afgewezen.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4. De beslissing
De rechtbank:
stelt de volgende stapsgewijs opbouwende begeleide contactregeling vast:
het contact tussen de vader en de minderjarige [de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , wordt als volgt opgebouwd:
stap één: [de minderjarige 2] krijgt statusvoorlichting over de vader met behulp van een professionele hulpverleningsinstantie;
stap twee, als stap één goed is verlopen en de overgang naar deze volgende stap door de betrokken hulpverlening in het belang van [de minderjarige 2] wordt geacht: [de minderjarige 2] heeft periodiek (video)belmomenten met de vader, onder begeleiding van een professionele hulpverleningsinstantie;
stap drie, als stap twee goed is verlopen en de overgang naar deze volgende stap door de betrokken hulpverlening in het belang van [de minderjarige 2] wordt geacht: [de minderjarige 2] heeft periodiek onder begeleiding van een professionele hulpverleningsinstantie omgang met de vader;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. van der Haak, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.