RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.872037.15 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum: 3 november 2026
Vonnis op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op de vordering van het Openbaar Ministerie strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaak tegen de veroordeelde:
[de veroordeelde] ,
geboren op [datum en plaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
1. Verloop van de procedure
Het Openbaar Ministerie heeft in 2020 bij ongedateerde schriftelijke vordering gevorderd dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op € 2.949.369,47 en aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het Openbaar Ministerie baseert de vordering op andere strafbare feiten dan de veroordeling in de onderliggende strafzaak, namelijk andere strafbare feiten waaromtrent aannemelijk is dat deze feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen (artikel 36e, derde lid, Sr).
Het Openbaar Ministerie heeft de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de veroordeelde voor de zitting van 2 juni 2020. De vordering is daarna pro forma aangebracht op de zittingen van 21 januari 2021 en 10 en 24 juni 2021. De rechtbank heeft de vordering op deze zittingen aangehouden voor onbepaalde tijd, in afwachting van eerst het vonnis en daarna het hoger beroep in de onderliggende strafzaak.
De vordering is vervolgens aangebracht op de zitting van 4 december 2025. Voorafgaand aan deze regiezitting heeft het Openbaar Ministerie een schriftelijk standpunt (conclusie van eis) ingediend. De rechtbank heeft de behandeling van de vordering op deze zitting opnieuw voor onbepaalde tijd aangehouden en daarnaast termijnen bepaald voor het uitwisselen van schriftelijke standpunten (conclusies) ter voorbereiding van de inhoudelijke behandeling van de vordering. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben hierop conclusies van antwoord, repliek en dupliek ingediend.
De rechtbank heeft de ontnemingsvordering inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 september 2026. De veroordeelde is tijdens deze zitting gehoord. Hij werd bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.N. Slijters, advocaat te Amsterdam. Namens het Openbaar Ministerie waren op de zitting aanwezig en zijn gehoord mr. J.J. van Bree en mr. R. Klein.
2. Voorafgaande veroordeling
Op 9 mei 2023 heeft het gerechtshof Amsterdam de veroordeelde in de onderliggende strafzaak (onder parketnummer 23.000423.21) veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven weken, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. Daarbij heeft het gerechtshof bewezen verklaard dat de veroordeelde zich heeft schuldig gemaakt aan (kort samengevat) de samenloop van het opzettelijk gebruikmaken, afleveren en voorhanden hebben van een valse werkgeversverklaring op 3 april 2014, voor het aangaan van een hypothecaire lening. Deze veroordeling is inmiddels onherroepelijk (Hoge Raad 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:227).
3. Vordering en standpunt van het Openbaar Ministerie
De officieren van justitie hebben, in lijn met hun in de conclusie van repliek ingenomen standpunt, gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op € 1.397.401,32 en aan de veroordeelde de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officieren van justitie achten aannemelijk dat andere strafbare feiten dan het bewezen verklaarde feit er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ter hoogte van dat bedrag. Daarbij is verwezen naar het ontnemingsrapport en de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals die in de conclusies van eis en repliek nader is uiteengezet en toegelicht. Uit de in die conclusies opgenomen berekening volgt dat de ontnemingsvordering is gebaseerd op enerzijds een eenvoudige kasopstelling en anderzijds op het vervolgprofijt van vier onroerende zaken van de veroordeelde, bestaande uit de verkregen huurinkomsten en de waardestijging van die onroerende zaken. Het gaat daarbij om de volgende voordeelposten:
€ 578.937,32 voor de uitkomst van de eenvoudige kasopstelling;
€ 104.282,- voor de verhuur van drie bedrijfsunits aan de [adres bedrijfsunits] in 2010 tot 2015;
€ 142.466,- voor de verhuur van de bedrijfsunits in 2017 tot januari 2026;
€ 207.537,- voor de waardestijging van de bedrijfsunits;
€ 364.179,- voor de waardestijging van Spaanse villa.
De officieren van justitie hebben in de draagkracht van de veroordeelde en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, mede gelet op de strafkorting die de veroordeelde heeft gekregen in de onderliggende strafzaak, geen reden gezien om de betalingsverplichting lager vast te stellen dan het wederrechtelijk verkregen voordeel.
4. Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen en daarom verzocht de vordering van het Openbaar Ministerie af te wijzen. Op de specifieke verweren zal hierna per voordeelpost, voor zover van belang, nader worden ingegaan. Subsidiair is bepleit de betalingsverplichting te matigen. Voor zover de veroordeelde al enig voordeel heeft genoten, moet het ontnemingsbedrag substantieel worden gematigd als compensatie voor de forse overschrijding van de redelijke termijn.
5. Toepasselijk recht en juridisch kader
Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr kan de ontnemingsmaatregel worden opgelegd, als de veroordeelde is veroordeeld wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en aannemelijk is dat of dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als uit een kasopstelling blijkt dat de veroordeelde in een bepaalde periode vermogen had of uitgaven heeft gedaan, die niet met legale inkomsten kunnen worden verklaard, en mede in het licht daarvan aannemelijk is dat strafbare feiten hebben geleid tot wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechter is in dat geval niet gehouden te concretiseren welke strafbare feiten ertoe hebben geleid dat de veroordeelde het geschatte wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het is in dat geval aan de verdediging om aannemelijk te maken dat het vermogen of de uitgaven een legale herkomst hadden. Daarnaast geldt op grond van artikel 36e, derde lid, Sr een zogenoemd bewijsvermoeden. Dit bewijsvermoeden houdt in dat kan worden vermoed dat uitgaven die een veroordeelde heeft gedaan in de zes jaren voorafgaand aan het plegen van het bewezen verklaarde misdrijf en/of voorwerpen die in die periode aan hem zijn gaan toebehoren, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat aan die uitgaven of verkrijging van voorwerpen een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.
6. Wederrechtelijk verkregen voordeel
Inleiding
Bij de beoordeling van de vraag of de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, heeft de rechtbank in de eerste plaats kennisgenomen van het ontnemingsrapport van de politie Eenheid Noord-Holland van 12 maart 2018. Bij dit rapport zijn verschillende bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen de veroordeelde, en het strafrechtelijk financieel onderzoek naar de veroordeelde. De rechtbank heeft ook de beschikking gehad over het dossier van de strafzaak. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de in het kader van de schriftelijke voorbereiding tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gewisselde conclusies.
De rechtbank komt op basis van deze stukken en het verhandelde op de zitting tot een schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 567.586,32. De rechtbank zal hieronder uiteenzetten hoe zij tot deze schatting is gekomen.
Eenvoudige kasopstelling
De eerste post van de ontnemingsvordering die de rechtbank zal bespreken, is de uitkomst van de eenvoudige kasopstelling. In het ontnemingsrapport is met een eenvoudige kasopstelling het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde in relatie tot zijn contante uitgaven berekend. Bij deze berekeningswijze is nagegaan in hoeverre de veroordeelde in de periode van 1 januari 2009 tot en met 17 december 2015 meer contante uitgaven heeft gedaan dan via een bij de autoriteiten bekende, legale vermogensbron in die periode kon worden verantwoord. Als uit zo’n berekening blijkt dat meer contante uitgaven zijn gedaan dan verantwoord kan worden met beschikbaar legaal contant vermogen, dan is sprake van onverklaarbaar vermogen, dat wordt verondersteld van criminele herkomst afkomstig en dus wederrechtelijk verkregen voordeel te zijn. Het is aan de veroordeelde om dit te ontkrachten, door aannemelijk te maken dat wel degelijk sprake was van een legale bron van inkomsten of verkrijging.
De stelling van de officieren van justitie is dat de veroordeelde in de onderzochte periode meer contante uitgaven heeft gedaan dan uit zijn legaal contant vermogen kan worden verklaard. Het onverklaarbare deel van € 578.937,32 moet als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt worden.
Het verweer van de verdediging komt er in de kern op neer dat de veroordeelde in de onderzochte periode minder contante uitgaven heeft gedaan en de beschikking had over meer legaal vermogen. Hierdoor levert de kasopstelling een positief resultaat op en geen tekort dat als onverklaarbaar vermogen en dus als voordeel kan worden aangemerkt.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de eenvoudige kasopstelling aannemelijk is gemaakt dat strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank komt na het beoordelen van alle posten, die hierna zullen worden besproken, namelijk tot een negatief resultaat van de kasopstelling.
Contante uitgaven
Stortingen, transacties en betalingen van facturen
De veroordeelde beschikte in de onderzochte periode over drie bankrekeningen. Uit een analyse van de bankafschriften van deze bankrekeningen is naar voren gekomen dat in deze periode op twee bankrekeningen van de veroordeelde contant geld is gestort voor een bedrag van in totaal € 5.680,-, dat aan de veroordeelde toegerekend kan worden.
De veroordeelde heeft in de onderzochte periode contante transacties en betalingen verricht. Op 1 juni 2013 heeft de veroordeelde bij een winkel in Blokker twee contante transacties van in totaal € 1.546,- verricht. In de Spaanse villa van de veroordeelde zijn verder facturen aangetroffen, die contant zijn betaald. Deze facturen hebben een gezamenlijke waarde van € 18.467,32.
De verdediging heeft deze contante uitgaven van in totaal € 25.693,32 niet betwist. De rechtbank heeft dit bedrag daarom betrokken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel via de eenvoudige kasopstelling.
Aankoop van bedrijfsunits
De rechtbank heeft bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel via de eenvoudige kasopstelling ook de aankoop van de bedrijfsunits aan de [adres bedrijfsunits] betrokken. In april 2010 kocht de veroordeelde twee bedrijfsunits aan de [adres bedrijfsunits], namelijk units 22G en 22H. Hiervoor heeft hij een bedrag van € 82.000,- betaald, door de overboeking van € 12.000,- en de inbreng van een Mercedes ter waarde van € 50.000,- en een bar ter waarde van € 20.000,-. Na de aankoop van deze twee bedrijfsunits heeft de veroordeelde door middel van verbouwingen een derde bedrijfsunit gecreëerd, namelijk unit 22I. De stelling van de officieren van justitie is dat aannemelijk is dat de veroordeelde feitelijk drie bedrijfsunits heeft gekocht en de aankoop van deze bedrijfsunits gedeeltelijk heeft betaald met onverklaarbaar vermogen. De politie heeft de waarde van de drie bedrijfsunits samen namelijk geschat op een bedrag van € 242.463,-, terwijl hier een zichtbare betaling van slechts € 82.000,- tegenover staat. De stelling van de officieren van justitie is dat de veroordeelde het verschil van € 160.463,- contant heeft betaald. Dat verschil moet als onverklaarbare, contante uitgave worden betrokken bij de eenvoudige kasopstelling.
De rechtbank volgt dit standpunt niet en komt ten aanzien van de aankoop van de bedrijfsunits tot het volgende oordeel. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de veroordeelde in 2010 twee bedrijfsunits heeft gekocht. De precieze aankoopsom van deze units is onbekend gebleven, aangezien de op 12 februari 2010 gesloten koop-/aannemingsovereenkomst niet meer beschikbaar is. Ook het onderzoek hiernaar, mede aan de hand van gehoorde getuigen, heeft onvoldoende concrete aanknopingspunten voor de koopprijs opgeleverd. In het dossier bevindt zich een begroting van de waarde van de bedrijfsunits, die door de politie is geschat aan de hand van de verkoopprijs van andere bedrijfsunits in het complex en de gemiddelde prijs per vierkante meter. De rechtbank is van oordeel dat deze begroting een onvoldoende concreet beeld geeft van de aankoopsom van bedrijfsunits 22G en 22H. Daarbij weegt mee dat onder andere uit de getuigenverklaringen volgt dat de verkoopprijzen van de andere units in het complex aanzienlijk verschillen, zonder dat er een duidelijke reden voor het prijsverschil is. De begroting van de officieren van justitie biedt daarmee onvoldoende handvatten voor een deugdelijke schatting van de aankoopsom van de bedrijfsunits en de beantwoording van de vraag of de veroordeelde daarvoor contant geld heeft gebruikt. De rechtbank is verder, in lijn met het verweer van de verdediging, uitgegaan van de aankoop van twee units en niet, zoals de officieren van justitie, van het latere bezit van de drie units. Het enkele feit dat de veroordeelde na de aankoop van twee bedrijfsunits, drie units heeft gecreëerd, kan naar het oordeel van de rechtbank namelijk wel een rol spelen bij de vaststelling van eventueel vervolgprofijt, maar is geen omstandigheid die relevant is voor de schatting van (het contant betaalde deel van) de aankoopsom van bedrijfsunits 22G en 22H.
Bij de beantwoording van de vraag of aannemelijk is dat de veroordeelde bij de aankoop van de twee bedrijfsunits contant geld heeft gebruikt en bij de schatting van de aankoopsom daarvoor, heeft de rechtbank de WOZ-waarde van de twee bedrijfsunits per 2010 als uitgangspunt genomen. Dit betreft voor de twee units samen een bedrag van € 138.000,-. De rechtbank acht deze waarde een reële indicatie van en de meest objectieve aanwijzing voor de waarde van de bedrijfsunits en daarmee een reëel uitgangspunt bij de schatting van de aankoopsom. Dit bedrag sluit bovendien aan bij wat de veroordeelde over de aankoop bij de Belastingdienst heeft opgegeven en komt ook overeen met het bedrag dat hij naar eigen zeggen voor de bedrijfsunits heeft betaald. Op deze WOZ-waarde van € 138.000,- heeft de rechtbank de betaling van € 82.000,- in mindering gebracht. Dit resulteert in een verschil van € 56.000,-. De veroordeelde heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat aan dit bedrag een legale bron van herkomst ten grondslag ligt. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat voldoende aannemelijk is de veroordeelde dit verschil contant uit zijn vermogen heeft betaald en dit bedrag als contante uitgave bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel via de eenvoudige kasopstelling kan worden betrokken.
Afbouw van de Spaanse villa
De volgende post in de eenvoudige kasopstelling is de afbouw van een Spaanse villa. In 2012 kocht de veroordeelde in [Spanje] een stuk grond met daarop het geraamte van een villa en zwembad. De veroordeelde heeft deze villa vervolgens laten afbouwen. De directe bouwkosten daarvoor zijn door de Spaanse aannemer geoffreerd voor € 209.000,-. De veroordeelde heeft hiervan een bedrag van € 8.000,- per bank betaald. De stelling van de officieren van justitie is dat aannemelijk is dat de veroordeelde het verschil van € 201.000,- contant heeft betaald, nu een zichtbare geldstroom ontbreekt voor de betalingen van andere bouwkosten dan die € 8.000,-. Dit bedrag moet daarom als contante uitgave worden betrokken bij de eenvoudige kasopstelling.
Het verweer van de verdediging komt erop neer dat de bouwkosten lager zijn uitgevallen dan in de offerte was begroot en er uiteindelijk een bedrag van € 88.000,- is gefactureerd. Een deel daarvan, € 8.000,-, is betaald. Het overige deel, € 80.000,-, is onbetaald gebleven vanwege een conflict over de verbouwing tussen de Spaanse aannemer en de veroordeelde. De stelling dat er meer of andere bedragen voor de afbouw zouden zijn betaald, betwist de verdediging.
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en komt tot de conclusie dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de veroordeelde bij de afbouw van zijn Spaanse villa grote contante uitgaven heeft gedaan. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de villa met zwembad nog moest worden afgebouwd. Uit het dossier, waaronder de stukken van de doorzoeking op 17 december 2015, blijkt dat deze afbouw ook heeft plaatsgevonden. De veroordeelde heeft daarvoor allereerst € 8.000,- per bank overgeboekt. Ook heeft hij in totaal € 14.000,- via money transfers aan de Spaanse aannemer betaald. Naar het oordeel van de rechtbank is het, gelet op onder andere de wijze waarop de villa is afgewerkt, onaannemelijk dat de afbouw van de villa € 22.000,- heeft gekost, dan wel dat dit bedrag is betaald ter financiering van de totale kosten. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat de veroordeelde nog extra uitgaven heeft verricht voor de afbouw. Zonder zichtbare geldstroom voor die uitgaven wordt verondersteld dat de veroordeelde deze uitgaven uit zijn contante vermogen heeft gedaan. Het lag op de weg van de veroordeelde om hierover duidelijkheid te verschaffen en aannemelijk te maken wat de omvang van de totale bouwkosten is geweest en uit welke vermogensbron hij die heeft betaald. Die duidelijkheid heeft hij niet gegeven. De rechtbank acht zijn verklaring hierover, dat het merendeel van de bouwkosten van € 80.000,- zou zijn kwijtgescholden, ongeloofwaardig. De rechtbank heeft die verklaring daarom bij de beoordeling van deze post terzijde geschoven. De rechtbank heeft bij de schatting van de bouwkosten vervolgens, in navolging van de officieren van justitie, de offerte van de Spaanse aannemer als uitgangspunt genomen. Die offerte geeft naar het oordeel van de rechtbank een reële indicatie van de bouwkosten. Zonder een concrete en onderbouwde verklaring van de veroordeelde die deze kosten ontkracht, gaat de rechtbank ervan uit dat de totale afbouw van de villa € 209.000,- heeft gekost. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat voldoende aannemelijk is dat de veroordeelde van de met deze afbouw gemoeide kosten een gedeelte groot € 187.000,- (€ 209.000,- minus € 22.000,-) contant heeft betaald. Dit bedrag is daarom als contante uitgave bij de eenvoudige kasopstelling betrokken.
Leningen
De volgende contante uitgaven in de eenvoudige kasopstelling zijn enkele door de veroordeelde ontvangen leningen. In 2012 en 2013 heeft de veroordeelde op zijn bankrekeningen geldbedragen ontvangen van in totaal € 143.000,-. Dit zouden leningen aan de veroordeelde betreffen. Het geld van deze leningen heeft de veroordeelde onder andere gebruikt om de aankoop van het stuk grond in [Spanje] met daarop het geraamte van de villa en het zwembad te kunnen financieren. De stelling van de officieren van justitie is dat geen sprake is geweest van leningen, maar van een schijnconstructie om contant crimineel geld van de veroordeelde een legale, girale herkomst te geven. Daarbij zou de veroordeelde de zes betrokken personen contant geld uit zijn contante criminele vermogen hebben gegeven, waarna zij dit geld als leningen per bank aan hem zouden hebben teruggegeven. Daarom hebben de officieren van justitie deze zogenaamde leningen als contante uitgaven betrokken in de eenvoudige kasopstelling.
De rechtbank volgt dit standpunt niet en komt, overeenkomstig het verweer van de verdediging, tot de conclusie dat niet dan wel onvoldoende is gebleken dat de ontvangen leningen kunnen worden gezien als contante uitgaven van de veroordeelde. Op basis van de inhoud van het dossier kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat het gaat om overboekingen van geld dat uit het contante vermogen van de veroordeelde afkomstig was. De rechtbank heeft daarbij onder andere de verklaringen van de zes leningverstrekkers betrokken, die allen hebben verklaard dat zij de veroordeelde geld hebben geleend (voor een woning in Spanje). Weliswaar bevat het dossier omstandigheden die te denken geven en vragen oproepen, zoals het gebrek aan overeenkomsten waarin de leningen zijn vastgelegd én de contante stortingen op de bankrekeningen van twee leningverstrekkers ter hoogte van bedragen die corresponderen met de bedragen die zij vervolgens aan de veroordeelde hebben uitgeleend. Deze omstandigheden zijn echter niet zodanig concreet dat deze zonder nader onderzoek, dat hier niet is verricht, kunnen dienen als steun voor de conclusie dat wat die leningen betreft steeds sprake is geweest van een schijnconstructie. Dit betekent dat niet aannemelijk is dat de leningen in werkelijkheid contante uitgaven van de veroordeelde betroffen uit contant vermogen, zodat de rechtbank deze post buiten de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel via de eenvoudige kasopstelling zal laten en de ontnemingsvordering voor dit onderdeel zal afwijzen.
Betaling voor een auto
De laatste contante uitgave in de eenvoudige kasopstelling betreft de aankoop van een Mercedes. De veroordeelde kocht op 17 augustus 2009 een tweedehands Mercedes (kenteken [..]) die eerder in 2009 vanuit Duitsland was geïmporteerd. Van deze aankoop en de betaling van de koopprijs konden ten tijde van het onderzoek, mede vanwege het tijdsverloop, geen gegevens meer worden achterhaald. De politie heeft de koopprijs van de auto daarom aan de hand van de netto cataloguswaarde in 2009, geschat op € 81.666,-. De stelling van de officieren van justitie is dat aannemelijk is dat de veroordeelde de aankoop van de auto contant heeft voldaan en dat dit bedrag daarom als contante uitgave bij de eenvoudige kasopstelling moet worden meegenomen.
Het verweer van de verdediging komt erop neer dat de veroordeelde voor de aankoop van de auto niet de netto cataloguswaarde heeft betaald, maar een veel lager aankoopbedrag. Het ging namelijk om een tweedehands auto, die was geïmporteerd vanuit Duitsland, waar de koopprijs voor tweedehands auto’s lager ligt dan in Nederland. Daarnaast is bepleit dat de veroordeelde de auto niet heeft betaald vanuit onverklaarbaar vermogen, maar vanuit legaal vermogen waarover hij uit een erfenis kon beschikken.
De rechtbank volgt het verweer van de verdediging en komt tot de conclusie dat de aankoop van de auto geen contante uitgave betreft, die in de eenvoudige kasopstelling moet worden betrokken. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat op geen enkele wijze is komen vast te staan dat de veroordeelde de door de officieren van justitie genoemde netto cataloguswaarde van de auto als kooprijs heeft betaald. Op basis van het dossier kan die conclusie niet worden getrokken. Het gaat immers om een tweedehands auto (bouwjaar 2006), waarbij als algemeen bekend mag worden verondersteld dat daarvoor bij lange na niet de cataloguswaarde wordt betaald. Dat de import van een auto vanuit Duitsland ook nog kosten met zich brengt, maakt dit niet anders. Dat betekent dat de rechtbank bij een gebrek aan andere aanknopingspunten niet kan vaststellen welk bedrag de veroordeelde voor de auto heeft betaald. Daar komt nog bij dat uit het dossier blijkt dat de veroordeelde na het overlijden van zijn vader in 2005 kon beschikken over legaal vermogen uit een erfenis. Ook de officieren van justitie zijn daarvan uitgegaan. De rechtbank is, in afwijking van het standpunt van de officieren van justitie, van oordeel dat de verdediging voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat (een deel van) die erfenis ook in 2009 nog beschikbaar was om de tweedehands auto aan te schaffen. Anders dan de officieren hebben geïmpliceerd, gaat het bewijsvermoeden niet zover dat het aan de veroordeelde is om (ook) aan te tonen dat hij de erfenis niet aan iets anders heeft uitgegeven. Dit betekent dat de rechtbank de aankoop van de auto buiten de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel via de eenvoudige kasopstelling zal laten en de ontnemingsvordering voor dit onderdeel zal afwijzen.
Conclusie over de contante uitgaven
Dit alles leidt ertoe dat de contante uitgaven van de veroordeelde uit zijn eigen vermogen in de onderzochte periode kunnen worden vastgesteld op een totaalbedrag van € 268.693,32, dat bij de eenvoudige kasopstelling wordt meegenomen.
Contant vermogen
In het ontnemingsrapport is beschreven dat de veroordeelde in de periode van 1 september 2007 tot en met 17 december 2015 de beschikking heeft gehad over een legaal contant vermogen, voor het doen van contante uitgaven, van € 32.855,-. Het verweer van de verdediging komt erop neer dat de veroordeelde in de onderzochte periode de beschikking heeft gehad over een legaal contant vermogen van grotere omvang dan in het strafrechtelijk financieel onderzoek is berekend, namelijk ook over contante inkomsten uit de verhuur van zijn drie bedrijfsunits.
De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging. De rechtbank heeft hiervoor onder 6.2 al uiteengezet dat door middel van een eenvoudige kasopstelling het wederrechtelijk verkregen voordeel van een veroordeelde wordt berekend aan de hand van het legale contante vermogen dat de veroordeelde tot zijn beschikking had. Nu de rechtbank onder 6.2.1 heeft geoordeeld dat de bedrijfsunits gedeeltelijk met onverklaarbaar vermogen zijn bekostigd en de rechtbank dat bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde heeft betrokken, betreffen de huurinkomsten geen legaal vermogen, maar vervolgprofijt. De rechtbank volgt op dit punt het door de officieren van justitie ingenomen standpunt. Het contant ontvangen deel van de huurinkomsten kan dus niet worden aangemerkt als legaal contant vermogen. Voor die contante huurinkomsten is geen plaats in de eenvoudige kasopstelling.
Conclusie over de eenvoudige kasopstelling
Op basis van de hiervoor weergegeven contante uitgaven en het legale contante vermogen van de veroordeelde in de periode van 1 januari 2009 tot en met 17 december 2015 komt de rechtbank tot het oordeel dat aan de hand van de eenvoudige kasopstelling kan worden geconcludeerd dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank bepaalt de hoogte van dat bedrag op € 235.838,32. De veroordeelde heeft in de onderzochte periode namelijk contante uitgaven gedaan voor een bedrag van in totaal € 268.693,32, terwijl hij slechts de beschikking had over een legaal contant vermogen van € 32.855,-. Dat verschil kan worden aangemerkt als onverklaarbaar vermogen, waarvan aannemelijk is dat het een criminele herkomst heeft en dus wederrechtelijk verkregen voordeel belichaamt.
Vervolgprofijt over de bedrijfsunits
De rechtbank heeft hiervoor onder 6.2.1 overwogen dat de veroordeelde zijn aankoop van de bedrijfsunits 22G en 22H gedeeltelijk heeft gefinancierd met onverklaarbaar, contant vermogen, wat de rechtbank bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft betrokken. Na de aankoop van deze twee bedrijfsunits heeft de veroordeelde door middel van verbouwingen een derde bedrijfsunit gecreëerd, 22I. De veroordeelde heeft deze drie bedrijfsunits in de jaren daarna verhuurd. De veroordeelde heeft in de jaren 2010 tot en met 2015 een totaalbedrag van € 104.282,- aan huurinkomsten ontvangen. In de jaren 2017 tot en met januari 2026 heeft hij vervolgens in totaal € 142.466,- aan huurinkomsten ontvangen. De stelling van de officieren van justitie is dat deze huurinkomsten en de waardestijging van de bedrijfsunits (door het Openbaar Ministerie begroot op € 207.537,-) vervolgprofijt betreffen en dus wederrechtelijk verkregen voordeel zijn.
Juridisch kader
Indien een onroerende zaak, zoals een bedrijfspand, is aangekocht met opbrengsten van strafbare feiten, kunnen bijvoorbeeld de waardestijging van dat pand en de inkomsten uit de verhuur daarvan bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden betrokken. Die waardestijging en die huurinkomsten betreffen dan namelijk voordeel dat niet zou zijn gerealiseerd zonder de eerdere aanwending van die criminele opbrengsten. Dat voordeel uit het voordeel wordt ook wel vervolgprofijt genoemd. In een dergelijk geval zijn de waardestijging en huurinkomsten in zijn geheel als wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken.
Huurinkomsten
In het licht van het hiervoor weergegeven juridisch kader volgt de rechtbank de officieren van justitie en zal zij de huurinkomsten van in totaal € 246.748,- als vervolgprofijt betrekken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het enkele verweer van de verdediging dat geen sprake is van vervolgprofijt, nu de bedrijfsunits met legaal vermogen zouden zijn bekostigd, verwerpt de rechtbank. De rechtbank verwijst naar wat zij hiervoor over de aankoop van de units heeft overwogen en het feit dat die aankoop onderdeel uitmaakt van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Waardestijging
De rechtbank komt ten aanzien van de waardestijging van de bedrijfsunits tot een ander oordeel dan de officieren van justitie. De politie heeft de waardestijging van de bedrijfsunits bepaald aan de hand van drie over de bedrijfsunits opgemaakte taxatierapporten. De rechtbank is, in navolging van de verdediging, van oordeel dat deze taxatierapporten niet als grondslag kunnen dienen voor het vaststellen van de huidige waarde en daarmee de waardestijging van de bedrijfsunits. De rechtbank komt tot die conclusie, omdat uit de rapporten blijkt dat de taxateur geen inspectie heeft gedaan van de binnenkant van (het complex met) de bedrijfsunits, maar alleen de buitenkant heeft geïnspecteerd. De rechtbank acht de taxatierapporten om die reden onvolledig en niet geschikt als basis om aan de hand daarvan de huidige waarde en de waardestijging van de bedrijfsunits vast te stellen.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de waardestijging van de bedrijfsunits en het vervolgprofijt ten aanzien van die units de WOZ-waardes per 1 januari 2025 als uitgangspunt genomen. Deze WOZ-waardes geven naar het oordeel van de rechtbank de meest reële en objectieve indicatie van de huidige waarde van de bedrijfsunits. Het gaat voor de drie units samen om een bedrag van € 223.000,-. Op dit bedrag heeft de rechtbank de geschatte aankoopsom van € 138.000,- in mindering gebracht. Dit resulteert in een verschil van € 85.000,-. De rechtbank waardeert de waardestijging van de bedrijfsunits op dit bedrag en zal dat als vervolgprofijt bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrekken.
Vervolgprofijt over de Spaanse villa
De laatste post van de ontnemingsvordering die de rechtbank zal bespreken, is de waardestijging van de Spaanse villa van de veroordeelde. De rechtbank heeft hiervoor, onder 6.2.1, overwogen dat de afbouw van de villa gedeeltelijk met onverklaarbaar, contant vermogen is gefinancierd, wat bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is betrokken. De villa is in juni 2016 getaxeerd op een bedrag van € 318.618,-. Daarna is vervolgprofijt ontstaan, doordat de waarde van de villa is gestegen en die waardestijging niet zou zijn gerealiseerd zonder het eerdere gebruik van dat onverklaarbare, contante vermogen. De huidige waarde van de Spaanse villa is geschat op een bedrag van € 682.797,-. De stelling van de officieren van justitie is dat de waardestijging van € 364.179,- vervolgprofijt betreft en dus wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank volgt dit standpunt niet en oordeelt als volgt. Het dossier bevat onvoldoende concrete, objectieve gegevens om de waardestijging van de Spaanse villa van de veroordeelde vast te stellen en aan de hand daarvan het vervolgprofijt ten aanzien van die villa te bepalen. In het dossier bevindt zich namelijk enkel een door de politie gedane schatting van de waardestijging van de Spaanse villa op basis van een digitale zoekslag naar soortgelijke, te koop staande Spaanse woningen. Aan de hand van de vraagprijzen van die woningen en de gemiddelde vraagprijs per vierkante meter is de huidige waarde van de Spaanse villa geschat. De rechtbank acht dit betrekkelijk summiere onderzoek naar de waarde van de Spaanse villa onvoldoende om op basis daarvan de daadwerkelijke waardestijging te kunnen vaststellen. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat het hier niet gaat om een officiële taxatie of een andersoortige erkende waardebepaling. De rechtbank heeft deze schatting daarom niet betrokken bij de bepaling van de waardestijging en het vervolgprofijt. De rechtbank ziet in het door de verdediging verstrekte stuk evenmin aanknopingspunten om de waarde van de Spaanse villa te kunnen vaststellen. Het gaat namelijk om een Spaanstalig document, waarvan de herkomst en de bewijswaarde onbekend is. De rechtbank kan (mede hierdoor) ook niet vaststellen of het, zoals de verdediging heeft bepleit, een document betreft dat vergelijkbaar is aan de Nederlandse WOZ-beschikking en dus de huidige WOZ-waarde van de villa weergeeft. Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank de waardestijging van de Spaanse villa niet kan vaststellen. De rechtbank zal de ontnemingsvordering daarom ten aanzien van dit vervolgprofijt afwijzen.
Eindconclusie over het wederrechtelijk verkregen voordeel
In het licht van al het vorenstaande zal de rechtbank de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststellen op een bedrag van € 567.586,32 (namelijk € 235.838,32 (kasopstelling) + € 246.748,- (huurinkomsten bedrijfsunits) + € 85.000,- (waardestijging bedrijfsunits)).
7. Betalingsverplichting
De rechtbank is, gelet op wat hiervoor onder 6. is overwogen, van oordeel dat de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde moet worden opgelegd. Bij de vaststelling van het door de veroordeelde te betalen ontnemingsbedrag heeft de rechtbank bezien of er redenen zijn om de betalingsverplichting van de veroordeelde lager vast te stellen dan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Draagkracht
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is dat de veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen. Ook verder is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het door de veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.
Redelijke termijn
De verdediging heeft bepleit de hoogte van de betalingsverplichting te matigen ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn. Voor zover er al compensatie in de onderliggende strafzaak heeft plaatsgevonden, raakt die compensatie op geen enkele manier aan de lange duur van de ontnemingsprocedure.
De officieren van justitie hebben erkend dat de redelijke termijn in de ontnemingsprocedure is overschreden, maar hebben hierin geen reden gezien voor matiging van de betalingsverplichting. Na de forse strafkorting in de strafzaak vinden de officieren van justitie een matiging van het ontnemingsbedrag niet op zijn plaats. Bovendien was het de wens van de verdediging om de strafzaak en ontnemingsvordering niet gelijktijdig te behandelen, wat het tijdsverloop mede verklaart, aldus de officieren van justitie.
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) het recht van een ieder is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Bij de uitleg van dit grondrecht wordt als uitgangspunt genomen dat een straf- of ontnemingszaak bij de rechtbank moet zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn in een ontnemingsprocedure vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op 19 januari 2016, wat de datum is waarop de machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek is verleend. Tot aan dit vonnis, op 3 november 2026, is een periode van bijna elf jaren verstreken, terwijl er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die dit lange tijdsverloop verklaren en die een redelijke termijn van een langere duur rechtvaardigen. Dat tijdsverloop is slechts in beperkte mate aan de verdediging toe te rekenen. Dat betekent dat de rechtbank uitgaat van het uitgangspunt van een redelijke termijn van twee jaren en dat die redelijke termijn in deze zaak met acht jaren en ruim negen maanden is overschreden.
Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag dat een veroordeelde verplicht is aan de Staat te betalen. In die gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, zoals in deze zaak aan de orde is, handelt de feitenrechter naar bevind van zaken (ECLI:NL:HR:2008:BD2578). De rechtbank zal daarom, gelet op de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, afgezet tegen de hoogte van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, het ontnemingsbedrag matigen tot € 500.000,-.
Conclusie: de betalingsverplichting
In het licht van het vorenstaande zal de rechtbank de hoogte van het door de veroordeelde aan de Staat te betalen bedrag vaststellen op € 500.000,-.
8. Toepasselijke wettelijke bepaling
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
9. Beslissing
De rechtbank:
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 567.586,32.
Legt aan de veroordeelde op de verplichting tot betaling aan de Staat, ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, van een bedrag van € 500.000,-.
Wijst de vordering van het Openbaar Ministerie voor het overige af.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Hoendervoogt, voorzitter,
mr. A. Buiskool en mr. A.M.C. de Haan, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. P.H. Boersma,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 november 2026.