RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.870214.16 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum: 3 november 2026
Vonnis op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op de vordering van het Openbaar Ministerie strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaak tegen de veroordeelde:
[de veroordeelde] ,
geboren op [datum en plaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
1. Verloop van de procedure
Het Openbaar Ministerie heeft in 2020 met een ongedateerde schriftelijke vordering gevorderd dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op € 2.349.120,15 en aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het Openbaar Ministerie baseert de vordering op andere strafbare feiten dan de veroordeling in de onderliggende strafzaak, namelijk andere strafbare feiten waaromtrent aannemelijk is dat deze feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen (artikel 36e, derde lid, Sr).
Het Openbaar Ministerie heeft de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de veroordeelde voor de zitting van 2 juni 2020. De vordering is daarna pro forma aangebracht op de zitting van 21 januari 2021. De rechtbank heeft de vordering op deze zittingen aangehouden voor onbepaalde tijd, in afwachting van het vonnis in de onderliggende strafzaak.
De vordering is vervolgens aangebracht op de zitting van 4 december 2025. Voorafgaand aan deze regiezitting heeft het Openbaar Ministerie een schriftelijk standpunt (conclusie van eis) ingediend. De rechtbank heeft de behandeling van de vordering op deze zitting opnieuw voor onbepaalde tijd aangehouden en daarnaast termijnen bepaald voor het uitwisselen van schriftelijke standpunten (conclusies) ter voorbereiding van de inhoudelijke behandeling van de vordering. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben hierop conclusies van antwoord, repliek en dupliek ingediend.
De rechtbank heeft de ontnemingsvordering inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 september 2026. De veroordeelde was daarbij niet aanwezig. De rechtbank heeft kennisgenomen van wat de gemachtigd raadsvrouw van de veroordeelde, mr. J. Verstegen, advocaat te Amsterdam, namens de veroordeelde naar voren heeft gebracht. Namens het Openbaar Ministerie waren op de zitting aanwezig en zijn gehoord mr. J.J. van Bree en mr. R. Klein.
2. Voorafgaande veroordeling
Op 1 februari 2024 heeft het gerechtshof Amsterdam de veroordeelde in de onderliggende strafzaak (onder parketnummer 23.000421.21) veroordeeld tot een geldboete van € 50.000,- en een taakstraf van 100 uren. Daarbij heeft het gerechtshof bewezen verklaard dat de veroordeelde zich heeft schuldig gemaakt aan (kort samengevat) het witwassen van de stolpboerderij aan de [adres boerderij] in de periode van 31 mei 2006 tot en met 30 december 2014 door van deze stolpboerderij gebruik te maken. Deze veroordeling is inmiddels onherroepelijk (Hoge Raad 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:179).
3. Vordering en standpunt van het Openbaar Ministerie
De officieren van justitie hebben, in lijn met het in de conclusie van repliek ingenomen standpunt, gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op een bedrag van € 874.658,- en aan de veroordeelde de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officieren van justitie achten aannemelijk dat andere strafbare feiten dan het bewezen verklaarde feit er op enige wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ter hoogte van dat bedrag. Daarbij is verwezen naar het ontnemingsrapport en de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals die in de conclusies van eis en repliek nader is uiteengezet en toegelicht. Uit de in de conclusies opgenomen berekening volgt dat de ontnemingsvordering is gebaseerd op onverklaarbare uitgaven voor de verbouwing van de stolpboerderij van de veroordeelde en de aanleg van de tuin daarbij, namelijk voor de volgende bedragen:
€ 872.158,- voor de verbouwingskosten van de stolpboerderij;
€ 27.500,- voor de aanleg van de tuin.
Op dit voordeel, met een subtotaal van € 899.658,-, hebben de officieren van justitie de helft van de in de onderliggende strafzaak aan de veroordeelde opgelegde geldboete (namelijk € 25.000,-) in mindering gebracht. Dit omdat het gerechtshof in zijn arrest heeft overwogen dat de opgelegde geldboete mede diende ter afroming van het door de veroordeelde behaalde voordeel.
De officieren van justitie hebben in de draagkracht van de veroordeelde en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting geen reden gezien om de betalingsverplichting lager vast te stellen dan het wederrechtelijk verkregen voordeel.
4. Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen en daarom verzocht de vordering van het Openbaar Ministerie af te wijzen. Op de specifieke verweren zal hierna per voordeelpost, voor zover van belang, nader worden ingegaan. Subsidiair is bepleit de betalingsverplichting op nihil te stellen en de vordering om die reden af te wijzen. Voor zover de veroordeelde al enig voordeel heeft genoten, moet het ontnemingsbedrag worden gematigd en op nihil worden gesteld gelet op de door het gerechtshof opgelegde geldboete van € 50.000,- en als compensatie voor de forse overschrijding van de redelijke termijn.
5. Toepasselijk recht en juridisch kader
De ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie is gebaseerd op het derde lid van artikel 36e Sr. Voorafgaand aan de beoordeling van deze vordering moet de rechtbank vaststellen welke versie van artikel 36e, derde lid, Sr in deze zaak van toepassing is, namelijk de oude bepaling of de huidige bepaling zoals die na de inwerkingtreding op 1 juli 2011 van de Wet verruiming mogelijkheden voordeelsontneming (Wet van 31 maart 2011, Stb. 2011, 171) luidt.
Tot 1 juli 2011 was ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e, derde lid, Sr mogelijk als iemand was veroordeeld voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kon worden opgelegd, en tegen die veroordeelde een strafrechtelijk financieel onderzoek was ingesteld, waaruit aannemelijk was geworden dat dat misdrijf of andere strafbare feiten ertoe hadden geleid dat die veroordeelde op enigerlei wijze wederrechtelijk voordeel had verkregen. In het huidige derde lid van artikel 36e Sr is het vereiste van een strafrechtelijk financieel onderzoek komen te vervallen. Verder is in de huidige bepaling een zogenoemd bewijsvermoeden opgenomen, dat inhoudt dat wordt vermoed dat uitgaven gedaan door of voorwerpen verkregen door de veroordeelde in de zes jaren voorafgaand aan het begane misdrijf wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat daaraan een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.
Bij de wetswijziging van 1 juli 2011 is geen bijzondere overgangsregeling getroffen, zodat naar het oordeel van de rechtbank het normale overgangsrecht van toepassing is dat voortvloeit uit het legaliteitsbeginsel van artikel 1, eerste lid, Sr. Voor de beantwoording van de vraag welke bepaling van artikel 36e Sr in deze zaak van toepassing is, is daarom (mede) van belang of het bewezen verklaarde feit is begaan vóór of na 1 juli 2011 (vgl. ECLI:NL:HR:2025:1680).
Standpunten van de officieren van justitie en de verdediging
Zowel de officieren van justitie als de verdediging hebben zich vanwege de bewezen verklaarde periode in de onderliggende strafzaak, op het standpunt gesteld dat artikel 36e, derde lid, Sr in de huidige vorm van toepassing is. Omdat de vordering betrekking heeft op uitgaven die meer dan zes jaren voorafgaand aan 2011 zijn gedaan, namelijk in de jaren 1999, 2000 en 2003, is het bewijsvermoeden volgens hen niet aan de orde.
Oordeel van de rechtbank over het toepasselijk recht en juridisch kader
De rechtbank is, in afwijking van de standpunten van de officieren van justitie en de verdediging, van oordeel dat de bepaling van artikel 36e Sr zoals die luidde voor 1 juli 2011, in deze zaak moet worden toegepast. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Het bewezen verklaarde feit in de onderliggende strafzaak is begaan in de periode van 31 mei 2006 tot en met 30 december 2014. Het bewezen verklaarde feit heeft dus grotendeels vóór 1 juli 2011 plaatsgevonden. De andere strafbare feiten, waarop de ontnemingsvordering is gebaseerd en die zouden hebben geleid tot wederrechtelijk verkregen voordeel voor de veroordeelde, zijn bovendien vóór 1 juli 2011 begaan. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat de oude bepaling van artikel 36e Sr van toepassing is, tenzij de nieuwe bepaling voor de veroordeelde gunstiger is. Dat is volgens de rechtbank niet het geval (vgl. ECLI:NL:HR:2016:2714).
De vordering kan op basis van het toepasselijke oude recht inhoudelijk worden beoordeeld, nu in deze zaak aan de vereisten van artikel 36e, derde lid, Sr (oud) is voldaan. Er is destijds namelijk een machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek verleend én er is sprake van een veroordeling voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr (oud) kan aan de veroordeelde dus de ontnemingsmaatregel worden opgelegd, indien op basis van het strafrechtelijk financieel onderzoek aannemelijk is dat (in dit geval) andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als uit een kasopstelling blijkt dat de veroordeelde in een bepaalde periode vermogen had of uitgaven heeft gedaan, die niet met legale inkomsten kunnen worden verklaard, en het mede in het licht daarvan aannemelijk is dat strafbare feiten hebben geleid tot wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechter is in dat geval niet gehouden te concretiseren welke strafbare feiten ertoe hebben geleid dat de veroordeelde het geschatte wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het is in dat geval aan de verdediging om aannemelijk te maken dat het vermogen of de uitgaven een legale herkomst hadden.
6. Wederrechtelijk verkregen voordeel
Inleiding
Bij de beoordeling van de vraag of de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, heeft de rechtbank in de eerste plaats kennisgenomen van het ontnemingsrapport van de politie Eenheid Noord-Holland van 12 maart 2018. Bij dit rapport zijn verschillende bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen de veroordeelde en het strafrechtelijk financieel onderzoek naar de veroordeelde. De rechtbank heeft ook de beschikking gehad over het dossier van de strafzaak. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de in het kader van de schriftelijke voorbereiding tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gewisselde conclusies.
De rechtbank komt op basis van deze stukken en het verhandelde op de zitting tot een schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 47.193,50. De rechtbank zal hieronder uiteenzetten hoe zij tot deze schatting is gekomen.
Verbouwing van de stolpboerderij
De veroordeelde heeft op 11 december 1998 de stolpboerderij aan de [adres boerderij] gekocht voor een bedrag van (omgerekend) € 190.587,-. De boerderij is daarna gedurende een periode van ongeveer 22 maanden verbouwd. Deze verbouwing heeft volgens de veroordeelde in totaal (omgerekend) € 90.756,- gekost, wat zij met verschillende facturen heeft onderbouwd. Tijdens de verbouwing is [betrokkene 1 [de ex van de schoonzoon van veroordeelde]] mede-eigenaar geworden van de (onverdeelde helft van de) boerderij, namelijk per 13 april 2000. Na de verbouwing namen zowel [betrokkene 1] als de veroordeelde hun intrek in de boerderij.
Standpunten van de officieren van justitie en de verdediging
De stelling van de officieren van justitie is dat de verbouwing van de stolpboerderij een veelvoud van de door de veroordeelde gestelde verbouwingskosten heeft gekost. Dit surplus aan kosten, dat wil zeggen alle kosten bovenop de door de veroordeelde opgegeven € 90.756,-, moet volgens de officieren van justitie worden aangemerkt als onverklaarbare uitgave en dus als wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij de berekening van dit voordeel zijn de officieren van justitie uitgegaan van de in 2015 opgestelde begroting van [bouwbedrijf X], waarvan de posten zijn herberekend naar het prijsniveau van 2000. Op grond daarvan hebben de officieren van justitie de totale verbouwingskosten op een bedrag van (omgerekend) € 962.914,- geschat. Dat brengt het surplus aan kosten dat niet uit legaal inkomen of vermogen van de veroordeelde te verklaren is, op een bedrag van € 872.158,-, wat als voordeel moet worden aangemerkt.
Het verweer van de verdediging komt erop neer dat de veroordeelde niet meer aan de verbouwing van de stolpboerderij heeft besteed dan de door haar opgegeven kosten. Voor zover al sprake is geweest van een surplus aan verbouwingskosten, zijn die kosten niet uit het vermogen van de veroordeelde betaald. Of de veroordeelde op dit punt voordeel heeft verkregen, is afhankelijk van de waardestijging van de stolpboerderij als gevolg van de verbouwing. Daarbij dient de WOZ-waarde na de verbouwing als uitgangspunt te worden genomen en is medebepalend dat het gaat om mede-eigendom van de boerderij. Gelet hierop én op de legale investeringen van de aankoop, de legale verbouwingskosten en de op € 488.000,- te waarderen investering voor het werk in eigen beheer, resteert volgens de verdediging geen onverklaarbaar deel dat als voordeel kan worden aangemerkt.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat onder wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verstaan de waarde waarmee het vermogen van een veroordeelde door of vanwege strafbare feiten is toegenomen. Bij de schatting van wederrechtelijk verkregen voordeel moet daarom aannemelijk worden gemaakt in hoeverre een veroordeelde als gevolg van strafbare feiten materieel profijt heeft verkregen. Als algemeen uitgangspunt geldt daarbij dat, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, moet worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde in de concrete omstandigheden daadwerkelijk heeft behaald (vgl. ECLI:NL:HR:2015:3364).
De rechtbank is, in navolging van de verdediging, van oordeel dat de kosten van een verbouwing niet zonder meer (volledig) als voordeel kunnen worden aangemerkt. Om dergelijke kosten als voordeel te kunnen aanmerken moet aannemelijk worden gemaakt in hoeverre het vermogen van de veroordeelde als gevolg daarvan is toegenomen, waarbij sprake moet zijn van een verband met enig strafbaar feit. Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het vermogen van de veroordeelde één op één is toegenomen met het surplus aan verbouwingskosten zonder legale/verklaarbare vermogensbron. Volgens de rechtbank is het voordeel dat de veroordeelde als gevolg van de verbouwing in 1999-2000 heeft verkregen, gelijk te stellen aan de mate waarin de waarde van de boerderij als gevolg van die verbouwing is toegenomen, voor zover daaraan een legale vermogensbron ontbreekt. Daarbij is bovendien relevant dat sprake was van mede-eigendom van de boerderij, zodat de waardestijging niet alleen de veroordeelde, maar gedeeltelijk ook toekomt aan [betrokkene 1]. Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de rechtbank de WOZ-waarde van de stolpboerderij per 1 januari 2001 als uitgangspunt genomen. De rechtbank acht, evenals het gerechtshof Amsterdam in de onderliggende strafzaak, de WOZ-waarde een reële indicatie van de waarde van de stolpboerderij na de verbouwing en tevens de meest objectieve aanwijzing van de waardestijging. De rechtbank heeft bij de schatting van de waardestijging van de stolpboerderij de in het dossier aanwezige begrotingen van de mogelijke verbouwingskosten, waaronder de door de officieren van justitie gebruikte begroting, terzijde geschoven. De rechtbank is van oordeel dat deze begrotingen onvoldoende beeld geven van de waardestijging van de boerderij als gevolg van de ondergane verbouwing, mede omdat het gaat om in 2015 uitgevoerde reconstructies naar de mogelijke verbouwingskosten in 1999 en 2000 en in die reconstructies ook niet wordt uitgegaan van een verbouwing of een renovatie, maar van wederopbouw.
Uitgaande van de WOZ-waarde bij de schatting van de waardestijging van de stolpboerderij en het voordeel van de veroordeelde daaruit komt de rechtbank tot de volgende berekening.
De WOZ-waarde van de stolpboerderij was per 1 januari 2001 € 657.073,-. Na de verbouwing deelde de veroordeelde het eigendom van de boerderij samen met [betrokkene 1], wat neerkomt op een waarde van € 328.536,50 per eigenaar. De rechtbank heeft hierop in mindering gebracht wat de veroordeelde met legaal vermogen in de stolpboerderij heeft geïnvesteerd, namelijk € 190.587,- voor de aankoop en € 90.756,- aan verbouwingskosten. Dit resulteert in een waardestijging van de stolpboerderij, zonder verklaarbare vermogensbron, van € 47.193,50. Nu de verdediging niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan deze waardestijging een legale bron ten grondslag lag, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat strafbare feiten hebben geleid tot deze vermogenstoename en zal de rechtbank dit bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel aanmerken.
Aanleg van de tuin
Na de verbouwingen aan de stolpboerderij is omstreeks juli 2003 de tuin rondom de boerderij aangelegd. Uit foto’s die hiervan zijn gemaakt, blijkt dat het gaat om de aanleg van een grote tuin met daarin onder andere een vijver met koikarpers, verschillende beelden en een fontein.
Standpunten van de officieren van justitie en de verdediging
De stelling van de officieren van justitie is dat voor de aanleg van de tuin aanzienlijke kosten zijn gemaakt, die niet met stukken zijn onderbouwd en niet uit het vermogen van de veroordeelde kunnen zijn betaald. Het gaat dan ook om onverklaarbare uitgaven, in het in 2015 opgestelde schaderapport van [bedrijf A] geschat op € 27.500,-, die als voordeel moeten worden aangemerkt.
Het verweer van de verdediging komt erop neer dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het mede-eigendom van de stolpboerderij en de tuin. Daarnaast is bepleit dat de aanleg en het onderhoud van de tuin in eigen beheer zijn uitgevoerd en dat de kosten daarvan door de jaren heen zijn betaald uit het legale vermogen van de veroordeelde en [betrokkene 1]. Van het in 2015 geschatte bedrag van € 27.500,- aan uitgaven kan bovendien niet worden uitgegaan, omdat die uitgaven naderhand zijn gereconstrueerd en niet zijn herberekend naar het prijsniveau van de jaren waarin de tuin is aangelegd, namelijk de periode 2000 tot 2003.
Oordeel van de rechtbank
Op basis van de stukken, waaronder leveringsaktes en gegevens van het kadaster kan worden vastgesteld dat de veroordeelde en [betrokkene 1] per 13 april 2000 allebei eigenaar waren van een onverdeelde helft van de stolpboerderij met ondergrond en aanhorigheden. [betrokkene 1] heeft later, op 19 oktober 2001, een stuk tuingrond aangekocht, namelijk de tuingrond achter de stolpboerderij, destijds horende bij het aangrenzende perceel 145. Deze tuingrond heeft zij gekocht voor een bedrag van (omgerekend) € 68.067,-.
Gelet op onder andere het standpunt van het Openbaar Ministerie, zoals dat volgt uit de conclusie van eis en de daarin opgenomen verwijzingen naar foto’s van de tuin en daarin verrichtte werkzaamheden, gaat de rechtbank ervan uit dat de post van € 27.500 in de ontnemingsvordering hoofdzakelijk betrekking heeft op de aanleg van de tuin op het stuk tuingrond dat op 19 oktober 2001 door [betrokkene 1] is gekocht. Het betreft, zoals hiervoor al opgemerkt, een stuk tuingrond dat oorspronkelijk bij perceel 145 hoorde en later (kadastraal) is omgenummerd tot sectie [xx] . De rechtbank kan echter niet vaststellen dat deze tuingrond op enig moment, al dan niet voor de onverdeelde helft, heeft toebehoord aan de veroordeelde. Uit geen enkel stuk blijkt dat de veroordeelde op enig moment de mede-eigenaar van deze tuingrond is geworden. Sterker nog, toen [betrokkene 1] haar eigendom van de onverdeelde helft van de boerderij op 6 februari 2006 overdroeg aan de dochter van de veroordeelde, droeg [betrokkene 1] daarbij ook het eigendom van deze tuingrond aan de dochter over en kreeg laatstgenoemde dat stuk grond alleen in eigendom. Niet valt in te zien op welke wijze de veroordeelde voordeel heeft genoten van uitgaven die zijn gedaan ten aanzien van het vermogen van een ander en van de waardestijging van dat vermogen. Daarbij heeft de rechtbank ook betrokken dat het dossier geen objectieve gegevens of andere aanknopingspunten bevat voor het schatten van de ten behoeve van de (gehele) tuin gedane uitgaven, laat staan om (schattenderwijs) vast te kunnen stellen welke uitgaven zijn gedaan voor het perceel tuingrond dat eigendom van [betrokkene 1] (en later de dochter van de veroordeelde) was en welke uitgaven betrekking hadden op het deel van de tuin dat wel in eigendom aan de veroordeelde toebehoorde. Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank de ontnemingsvordering voor dit deel zal afwijzen.
Conclusie over het wederrechtelijk verkregen voordeel
In het licht van het vorenstaande zal de rechtbank de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststellen op een bedrag van € 47.193,50.
7. Betalingsverplichting
De rechtbank is, gelet op wat hiervoor onder 6. is overwogen, van oordeel dat de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde moet worden opgelegd. Bij de vaststelling van het door de veroordeelde te betalen ontnemingsbedrag heeft de rechtbank bezien of er redenen zijn om de betalingsverplichting van de veroordeelde lager vast te stellen dan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Draagkracht
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is dat de veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een haar op te leggen betalingsverplichting te voldoen. Ook verder is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het door de veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.
Redelijke termijn
De verdediging heeft bepleit de hoogte van de betalingsverplichting te matigen ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn. Voor zover er al compensatie in de onderliggende strafzaak heeft plaatsgevonden, raakt die compensatie op geen enkele manier aan de lange duur van de ontnemingsprocedure.
De officieren van justitie hebben erkend dat de redelijke termijn in de ontnemingsprocedure is overschreden, maar hebben hierin geen reden gezien voor matiging van de betalingsverplichting. Na de forse strafkorting in de strafzaak vinden de officieren van justitie een matiging van het ontnemingsbedrag niet op zijn plaats. Bovendien was het de wens van de verdediging om de strafzaak en ontnemingsvordering niet gelijktijdig te behandelen, wat het tijdsverloop mede verklaart, aldus de officieren van justitie.
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) het recht van een ieder is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Bij de uitleg van dit grondrecht wordt als uitgangspunt genomen dat een straf- of ontnemingszaak bij de rechtbank moet zijn afgerond met een vonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn in een ontnemingsprocedure vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. De redelijke termijn is in dit geval aangevangen op 26 juli 2017, wat de datum is waarop de machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek is verleend. Tot aan dit vonnis, op 3 november 2026, is een periode van ruim negen jaren verstreken, terwijl er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die dit lange tijdsverloop verklaren en die een redelijke termijn van een langere duur rechtvaardigen. Dat tijdsverloop is slechts in beperkte mate aan de verdediging toe te rekenen. Dat betekent dat de rechtbank uitgaat van het uitgangspunt van een redelijke termijn van twee jaren en dat die redelijke termijn in deze zaak met zeven jaren en ruim drie maanden is overschreden.
Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag dat een veroordeelde verplicht is aan de Staat te betalen. In die gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, zoals in deze zaak aan de orde is, handelt de feitenrechter naar bevind van zaken (ECLI:NL:HR:2008:BD2578). De rechtbank zal daarom, gelet op de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, afgezet tegen de hoogte van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, het ontnemingsbedrag matigen tot € 40.000,-.
Afroomboete
In de geldboete die het gerechtshof Amsterdam in de onderliggende strafzaak aan de veroordeelde heeft opgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om het ontnemingsbedrag verder te matigen. Het gerechtshof heeft de veroordeelde in de onderliggende strafzaak veroordeeld tot onder andere een geldboete van € 50.000,-. Over de oplegging van die geldboete heeft het gerechtshof in zijn strafmotivering overwogen dat de geldboete “dient ter benadrukking van de ernst van het feit alsmede ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel”. De rechtbank begrijpt hieruit dat de aan de veroordeelde opgelegde geldboete enerzijds is bedoeld als bestraffing van de veroordeelde voor het bewezen verklaarde witwassen en anderzijds als onttrekking van het door haar verkregen voordeel. De rechtbank gaat er, zonder verdere nadere motivering en duiding van de manier waarop het gerechtshof (de hoogte van) deze geldboete heeft bepaald en welk deel daarvan betrekking zou hebben op het wederrechtelijk verkregen voordeel, vanuit dat de helft van de geldboete was bedoeld ter afroming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat betekent dat de rechtbank het door de veroordeelde te betalen bedrag zal matigen met de helft van de aan haar opgelegde geldboete (namelijk met € 25.000,-), tot een bedrag van € 15.000,-.
Conclusie: de betalingsverplichting
In het licht van het vorenstaande zal de rechtbank de hoogte van het door de veroordeelde aan de Staat te betalen bedrag vaststellen op € 15.000,-.
8. Toepasselijke wettelijke bepaling
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr (oud).
9. Beslissing
De rechtbank:
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 47.193,50.
Legt aan de veroordeelde op de verplichting tot betaling aan de Staat, ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, van een bedrag van € 15.000,-.
Wijst de vordering van het Openbaar Ministerie voor het overige af.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 150 dagen.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Hoendervoogt, voorzitter,
mr. A. Buiskool en mr. A.M.C. de Haan, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. P.H. Boersma,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 november 2026.