RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.871456.15 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum: 3 november 2026
Vonnis op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op de vordering van het Openbaar Ministerie strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in de zaak tegen de veroordeelde:
[de veroordeelde] ,
geboren op [datum en plaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
1. Verloop van de procedure
Het Openbaar Ministerie heeft in 2020 met een ongedateerde schriftelijke vordering gevorderd dat de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op € 2.477.870,15 en aan de veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het Openbaar Ministerie baseert de vordering op andere strafbare feiten dan de veroordeling in de onderliggende strafzaak, namelijk andere strafbare feiten waaromtrent aannemelijk is dat deze feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen (artikel 36e, derde lid, Sr).
Het Openbaar Ministerie heeft de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de veroordeelde voor de zitting van 2 juni 2020. De vordering is daarna pro forma aangebracht op de zittingen van 21 januari 2021 en 10 en 24 juni 2021. De rechtbank heeft de vordering op deze zittingen aangehouden voor onbepaalde tijd, in afwachting van eerst het vonnis en daarna het hoger beroep in de onderliggende strafzaak.
De vordering is vervolgens aangebracht op de zitting van 4 december 2025. Voorafgaand aan deze regiezitting heeft het Openbaar Ministerie een schriftelijk standpunt (conclusie van eis) ingediend. De rechtbank heeft de behandeling van de vordering op deze zitting opnieuw voor onbepaalde tijd aangehouden en daarnaast termijnen bepaald voor het uitwisselen van schriftelijke standpunten (conclusies) ter voorbereiding van de inhoudelijke behandeling van de vordering op zitting. Het Openbaar Ministerie en de verdediging hebben hierop conclusies van antwoord, repliek en dupliek ingediend.
De rechtbank heeft de ontnemingsvordering inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 september 2026. De veroordeelde is tijdens deze zitting gehoord. Zij werd bijgestaan door haar raadsvrouw mr. A.N. Slijters, advocaat te Amsterdam. Namens het Openbaar Ministerie waren op de zitting aanwezig en zijn gehoord mr. J.J. van Bree en mr. R. Klein.
2. Voorafgaande veroordeling
Op 9 mei 2023 heeft het gerechtshof Amsterdam de veroordeelde in de onderliggende strafzaak (onder parketnummer 23.000422.21) veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren. Daarbij heeft het gerechtshof bewezen verklaard dat de veroordeelde zich heeft schuldig gemaakt aan (kort samengevat) het witwassen van een totaalbedrag van € 19.404,41 in de periode van 26 juni 2006 tot en met 19 juli 2006 door die geldbedragen over te dragen aan een rietdekker ter betaling van werkzaamheden (feit 1) en het witwassen van drie geldbedragen van in totaal € 26.400,- en van zeven personenauto’s in of omstreeks de periode van 17 september 2007 tot en met 17 december 2015 door met die geldbedragen de aankoop van drie auto’s mede te financieren en al de zeven auto’s over te dragen, om te zetten, in te ruilen en/of te gebruiken (feit 2). Deze veroordeling is inmiddels onherroepelijk (Hoge Raad 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:226).
3. Vordering en standpunt van het Openbaar Ministerie
De officieren van justitie hebben, in lijn met het in de conclusie van repliek ingenomen standpunt, gevorderd het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen op € 1.223.520,- en aan de veroordeelde de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De officieren van justitie achten aannemelijk dat andere strafbare feiten dan de bewezen verklaarde feiten er op enige wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ter hoogte van dat bedrag. Daarbij is verwezen naar het ontnemingsrapport en de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals die in de conclusies van eis en repliek nader is uiteengezet en toegelicht. Uit de in de conclusies opgenomen berekening volgt dat de ontnemingsvordering is gebaseerd op enerzijds een eenvoudige kasopstelling en anderzijds op onverklaarbare uitgaven voor enkele onroerende zaken van de veroordeelde en het uit die onroerende zaken verkregen vervolgprofijt, bestaande uit de huurinkomsten en de waardestijging van die onroerende zaken. Het gaat daarbij om de volgende voordeelposten:
€ 197.915,- voor de aankoop van haar helft van de stolpboerderij [adres boerderij];
€ 520.680,59 voor vervolgprofijt uit de waardestijging van haar helft van de stolpboerderij;
€ 220.000,- voor vervolgprofijt uit de waardestijging van de grond;
€ 31.404,41 voor de vervanging van de rieten kap van de stolpboerderij;
€ 124.070,- voor de uitkomst van de eenvoudige kasopstelling;
€ 59.550,- voor vervolgprofijt uit de waardestijging van haar bedrijfsunit [adres bedrijfsunit] (waarvan de aankoop onderdeel is van de kasopstelling);
€ 69.900,- voor vervolgprofijt uit de verhuur van de bedrijfsunit in de jaren 2011-2015 en 2017-2025.
De officieren van justitie hebben in de draagkracht van de veroordeelde en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting geen reden gezien om de betalingsverplichting lager vast te stellen dan het wederrechtelijk verkregen voordeel.
4. Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen en daarom verzocht de vordering van het Openbaar Ministerie af te wijzen. Op de specifieke verweren zal hierna per voordeelpost, voor zover van belang, nader worden ingegaan. Subsidiair is bepleit de betalingsverplichting te matigen. Voor zover de veroordeelde al enig voordeel heeft genoten, moet het ontnemingsbedrag substantieel worden gematigd als compensatie voor de forse overschrijding van de redelijke termijn.
5. Toepasselijk recht en juridisch kader
De ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie is gebaseerd op het derde lid van artikel 36e Sr. Voorafgaand aan de beoordeling van deze vordering moet de rechtbank vaststellen welke versie van artikel 36e, derde lid, Sr in deze zaak van toepassing is, namelijk de oude bepaling of de huidige bepaling zoals die na de inwerkingtreding op 1 juli 2011 van de Wet verruiming mogelijkheden voordeelsontneming (Wet van 31 maart 2011, Stb. 2011, 171) luidt.
Tot 1 juli 2011 was ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e, derde lid, Sr mogelijk als iemand was veroordeeld voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kon worden opgelegd, en tegen die veroordeelde een strafrechtelijk financieel onderzoek was ingesteld, waaruit aannemelijk was geworden dat dat misdrijf of andere strafbare feiten ertoe hadden geleid dat die veroordeelde op enigerlei wijze wederrechtelijk voordeel had verkregen. In het huidige derde lid van artikel 36e Sr is het vereiste van een strafrechtelijk financieel onderzoek komen te vervallen. Verder is in de huidige bepaling een zogenoemd bewijsvermoeden opgenomen, dat inhoudt dat wordt vermoed dat uitgaven gedaan door of voorwerpen verkregen door de veroordeelde in de zes jaren voorafgaand aan het begane misdrijf wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, tenzij aannemelijk is dat daaraan een legale bron van herkomst ten grondslag ligt.
Bij de wetswijziging van 1 juli 2011 is geen bijzondere overgangsregeling getroffen, zodat naar het oordeel van de rechtbank het normale overgangsrecht van toepassing is dat voortvloeit uit het legaliteitsbeginsel van artikel 1, eerste lid, Sr. Voor de beantwoording van de vraag welke bepaling van artikel 36e Sr in deze zaak van toepassing is, is daarom (mede) van belang of de bewezen verklaarde feiten zijn begaan vóór of na 1 juli 2011 (vgl. ECLI:NL:HR:2025:1680).
Standpunten van de officieren van justitie en de verdediging
De officieren van justitie en de verdediging hebben zich beiden, vanwege de bewezen verklaarde periode in de onderliggende strafzaak, op het standpunt gesteld dat het huidige artikel 36e, derde lid, Sr van toepassing is. Wel heeft de verdediging bepleit om de zesjaren-termijn voor het bewijsvermoeden te beperken tot de periode waarvan bankgegevens en andere financiële informatie beschikbaar zijn. Geen van de partijen beschikt nog over informatie van voor 2007, ook banken niet, terwijl die informatie essentieel is voor de vraag over welk inkomen en vermogen de veroordeelde kon beschikken.
Oordeel van de rechtbank over het toepasselijk recht en juridisch kader
De rechtbank is, in afwijking van de standpunten van de officieren van justitie en de verdediging, van oordeel dat de bepaling van artikel 36e Sr zoals die luidde voor 1 juli 2011, in deze zaak moet worden toegepast. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Het bewezen verklaarde feit 1 in de onderliggende strafzaak is begaan in de periode van 26 juni tot en met 19 juli 2006. Het bewezen verklaarde feit 2 is begaan in de periode van 17 september 2007 tot en met 17 december 2015, waarbij slechts het witwassen van twee auto’s na 1 juli 2011 heeft plaatsgevonden. De bewezen verklaarde feiten hebben dus grotendeels vóór 1 juli 2011 plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat de oude bepaling van artikel 36e Sr van toepassing is, tenzij de nieuwe bepaling voor de veroordeelde gunstiger is. Dat is volgens de rechtbank niet het geval. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de oude bepaling van artikel 36e Sr in deze zaak moet worden toepast (vgl. ECLI:NL:HR:2016:2714).
De vordering kan op basis van het toepasselijke oude recht inhoudelijk worden beoordeeld, nu in deze zaak aan de vereisten van artikel 36e, derde lid, Sr (oud) is voldaan. Er is destijds namelijk een machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek verleend én er is sprake van een veroordeling voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Op grond van artikel 36e, derde lid, Sr (oud) kan aan de veroordeelde dus de ontnemingsmaatregel worden opgelegd, indien op basis van het strafrechtelijk financieel onderzoek aannemelijk is dat (in dit geval) andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als uit een kasopstelling blijkt dat de veroordeelde in een bepaalde periode vermogen had of uitgaven heeft gedaan, die niet met legale inkomsten kunnen worden verklaard, en het mede in het licht daarvan aannemelijk is dat strafbare feiten hebben geleid tot wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechter is in dat geval niet gehouden te concretiseren welke strafbare feiten ertoe hebben geleid dat de veroordeelde het geschatte wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Het is in dat geval aan de verdediging om aannemelijk te maken dat het vermogen of de uitgaven een legale herkomst hadden.
6. Wederrechtelijk verkregen voordeel
Inleiding
Bij de beoordeling van de vraag of de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen, heeft de rechtbank in de eerste plaats kennisgenomen van het ontnemingsrapport van de politie Eenheid Noord-Holland van 12 maart 2018. Bij dit rapport zijn verschillende bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen de veroordeelde, en het strafrechtelijk financieel onderzoek naar de veroordeelde. De rechtbank heeft ook de beschikking gehad over het dossier van de strafzaak. De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de in het kader van de schriftelijke voorbereiding tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gewisselde conclusies.
De rechtbank komt op basis van deze stukken en het verhandelde op de zitting tot de conclusie dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moeten worden vastgesteld op nihil. De rechtbank zal hieronder uiteenzetten hoe zij tot deze conclusie is gekomen.
Aankoop van de onverdeelde helft van de stolpboerderij
De eerste post van de ontnemingsvordering die de rechtbank zal bespreken, is de aankoop van de onverdeelde helft van de stolpboerderij aan de [adres boerderij]. Op 6 februari 2006 heeft de veroordeelde de onverdeelde helft van de stolpboerderij gekocht van [betrokkene 1 [de ex van de partner van veroordeelde]]. Daarnaast kocht zij van [betrokkene 1] de tuingrond achter de boerderij, destijds horend bij het aangrenzende perceel 145. De veroordeelde heeft voor deze aankopen een bedrag van € 197.915,- betaald. Die financiering bestond uit een aantal onderdelen, namelijk de overdracht van drie schilderijen ter waarde van € 104.000,- aan [betrokkene 1], de overname van een schuld van € 31.932,- van [betrokkene 1] aan de moeder van de veroordeelde, de inleg van € 35.983,- spaargeld en een van [betrokkene 2] geleend geldbedrag van € 26.000,-.
Standpunten van de officieren van justitie en de verdediging
De stelling van de officieren van justitie houdt in dat de aankoop door de veroordeelde van de onverdeelde helft van de stolpboerderij wederrechtelijk verkregen voordeel belichaamt, nu niet aannemelijk is gemaakt dat aan (de financiering van) die aankoop een legale bron van herkomst ten grondslag heeft gelegen. De officieren van justitie hebben gesteld dat sprake is geweest van een schijnconstructie, waarbij de hiervoor genoemde financiering niet daadwerkelijk is gebruikt voor de aankoop van (de helft van) de stolpboerderij. De officieren van justitie vinden dat aannemelijk is geworden dat deze aankoop is gedaan met crimineel vermogen, dat is verkregen uit enig strafbaar feit, en dat om die reden wederrechtelijk verkregen voordeel behelst.
De verdediging heeft de stelling van de officieren van justitie betwist. Het verweer komt erop neer dat de veroordeelde de aankoop van de onverdeelde helft van de stolpboerderij en het stuk tuingrond heeft gefinancierd met de door haar opgegeven middelen. Op geen enkele manier is aannemelijk gemaakt dat deze aankoop is gefinancierd met onverklaarbaar, crimineel vermogen. Verder is bepleit dat niet is onderbouwd in hoeverre de veroordeelde voordeel zou hebben genoten als gevolg van de aankoop en verkrijging van de helft van de stolpboerderij.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat onder wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verstaan de waarde waarmee het vermogen van een veroordeelde door of vanwege strafbare feiten is toegenomen. Bij de schatting van wederrechtelijk verkregen voordeel moet daarom aannemelijk worden gemaakt in hoeverre een veroordeelde als gevolg van strafbare feiten materieel profijt heeft verkregen. Als algemeen uitgangspunt geldt daarbij dat, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, moet worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde in de concrete omstandigheden daadwerkelijk heeft behaald (vgl. ECLI:NL:HR:2015:3364). De rechtbank komt op basis van het dossier tot de conclusie dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de aankoop en verkrijging van de onverdeelde helft van de stolpboerderij hebben geleid tot wederrechtelijk voordeel dat de veroordeelde heeft verkregen. Het (strafrechtelijk financieel) onderzoek kan de stelling niet rechtvaardigen dat de veroordeelde op dit punt enig voordeel heeft verkregen.
Allereerst geldt dat de aankoop van de onverdeelde helft van de stolpboerderij is vastgelegd in een overeenkomst en notariële akte. Er is geen reden gebleken om aan de inhoud daarvan te twijfelen. Bij de beoordeling van deze voordeelpost is van belang dat bij de niet-nakoming van de overeenkomst mogelijk sprake is van een opeisbare vordering (naar civiel recht), inhoudende dat de veroordeelde een prestatie aan [betrokkene 1] is verschuldigd, maar dit valt in zoverre buiten het beoordelingskader van een ontnemingsvordering door de strafrechter. Dat de schilderijen op een later moment (weer) in de woning van de veroordeelde en haar partner hingen en de veroordeelde geen onderbouwing van het spaargeld heeft overhandigd, acht de rechtbank onvoldoende ter onderbouwing van de stelling dat van een schijnconstructie sprake is geweest. Dat geldt temeer nu [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij de schilderijen heeft geschonken aan haar kinderen, die ook bij de veroordeelde en hun vader woonden. Daarnaast is niet onaannemelijk dat het lange tijdsverloop tussen de aankoop en de start van het onderzoek, ruim veertien jaren, het onmogelijk heeft gemaakt voor de veroordeelde om documenten over de herkomst van het in 2006 aanwezige spaargeld te kunnen overhandigen, zoals door de verdediging is gesteld. De nog op te vragen transactiehistorie bij de bank gaat bijvoorbeeld meestal niet zo ver terug. Verder ziet de rechtbank, anders dan de officieren van justitie, ook geen reden om te twijfelen aan de lening van [betrokkene 2] aan de veroordeelde. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat aan die door [betrokkene 2] verstrekte lening crimineel vermogen (van de veroordeelde) ten grondslag heeft gelegen. De rechtbank wijst in dit verband op de twee leningsovereenkomsten, die bij niet-nakoming ervan ook weer opeisbare vorderingen opleveren, en ook op de overwegingen van het gerechtshof Amsterdam in het arrest in de onderliggende strafzaak over de terugbetaling van de getroffen lening.
Op grond van alle onderzoeksresultaten, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat bij de aankoop van de onverdeelde helft van de stolpboerderij sprake is geweest van een schijnconstructie en dat een of meer strafbare feiten tot (de financiering van) deze aankoop én bovendien voordeel voor de veroordeelde hebben geleid. Immers, zelfs als de rechtbank zou vaststellen dat bij de aankoop van de onverdeelde helft van de stolpboerderij sprake zou zijn geweest van een schijnconstructie en de financiering ervan met crimineel vermogen zou zijn gedaan, dan zou sprake zijn geweest van een witwasgedraging en valt daarmee nog niet zonder meer vast te stellen welk voordeel zij daadwerkelijk heeft genoten. Het enkele feit dat een geldbedrag of woning voorwerp is van crimineel vermogen en van witwassen, brengt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad nog niet met zich dat alleen al daarom sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. Witwasgedragingen leiden op zichzelf namelijk niet tot een toename van het vermogen van een betrokkene en voordeel (vgl. ECLI:NL:HR:2021:1077). Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de aankoop van de onverdeelde helft van de stolpboerderij niet aannemelijk geworden in hoeverre het vermogen van de veroordeelde als gevolg van strafbare feiten is toegenomen en zij daadwerkelijk voordeel heeft behaald. Dit betekent dat de rechtbank de aankoop van de onverdeelde helft van de stolpboerderij (en de tuingrond) buiten de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal laten en de ontnemingsvordering voor dit deel zal afwijzen.
Vervolgprofijt over de stolpboerderij en grond
Gelet op wat de rechtbank hiervoor onder 6.2 heeft overwogen, komen de volgende twee posten in de ontnemingsvordering, namelijk de waardestijging van de stolpboerderij (door het Openbaar Ministerie begroot op € 520.680,59) en de waardestijging van de grond (begroot op € 220.000,-), evenmin voor toewijzing in aanmerking. Hierover wordt het volgende overwogen.
Als een onroerende zaak, zoals een bedrijfspand of woning, is aangekocht met opbrengsten van strafbare feiten, kunnen bijvoorbeeld de waardestijging van dat pand of de grond daarvan bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel worden betrokken. Deze waardestijging betreft dan namelijk voordeel dat niet zou zijn gerealiseerd zonder de eerdere aanwending van die criminele opbrengsten. Dat voordeel uit het voordeel wordt ook wel vervolgprofijt genoemd. In een dergelijk geval is de waardestijging in zijn geheel als wederrechtelijk verkregen voordeel aan te merken.
Nu de rechtbank hiervoor tot het oordeel is gekomen dat de aankoop van (de onverdeelde helft van) de stolpboerderij en de aankoop van de grond niet kunnen worden aangemerkt als een schijnconstructie en dus gedaan met onverklaarbaar, crimineel vermogen, kan de waardestijging
van die boerderij en grond evenmin worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel in de zin van vervolgprofijt. De rechtbank zal daarom de ontnemingsvordering ten aanzien van dit vervolgprofijt afwijzen.
Vervanging van de rieten kap van de stolpboerderij
De volgende post in de ontnemingsvordering betreft de vervanging van de rieten kap van de stolpboerderij. De veroordeelde liet de rieten kap van de boerdering in juli 2006 vervangen. De kosten hiervan zijn in het ontnemingsrapport begroot op € 31.404,41, bestaande uit de contante betalingen van de veroordeelde aan de rietdekker van in totaal € 19.404,41 en de geschatte kosten van het gebruikte materiaal voor een bedrag van € 12.000,-.
Standpunten van de officieren van justitie en de verdediging
De stelling van de officieren van justitie is dat de uitgaven van € 31.404,41 ter vervanging van de rieten kap wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, nu niet aannemelijk is gemaakt dat daaraan een legale bron van herkomst ten grondslag heeft gelegen. Aannemelijk is dat de uitgaven zijn gedaan met crimineel vermogen, dat is verkregen uit enig strafbaar feit.
Het verweer van de verdediging komt erop neer dat niet aannemelijk is gemaakt in hoeverre de veroordeelde voordeel zou hebben genoten als gevolg van de vervanging van de rieten kap. De vervanging van de rieten kap is bovendien lager uitgevallen dan in het onderzoek is begroot. Daarnaast heeft de veroordeelde deze vanuit legaal vermogen, waaronder een schenking van haar vader, betaald.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot de conclusie dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de uitgaven voor de vervanging van de rieten kap hebben geleid tot wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde. Het (strafrechtelijk financieel) onderzoek kan de stelling dat de veroordeelde op dit punt enig voordeel heeft verkregen, niet rechtvaardigen. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
De veroordeelde is in de onderliggende strafzaak door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor het witwassen van bedragen van in totaal € 19.404,41. Deze bedragen heeft de veroordeelde overgedragen aan de rietdekker ter betaling van gefactureerde werkzaamheden. De uitgaven voor het gebruikte materiaal waren geen onderdeel van de witwasverdenking in de strafzaak, maar speelden, zo blijkt uit de overwegingen van het gerechtshof, wel een rol bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaring van de veroordeelde over de herkomst van de contante gelden waarmee zij de betalingen aan de rietdekker had verricht.
De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat het enkele feit dat een geldbedrag voorwerp is van witwassen, niet met zich brengt dat alleen al daarom sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het enkele uitgeven, overdragen en/of omzetten van geld dat uit strafbare feiten afkomstig is, waarvan hier sprake is volgens de officieren van justitie, leidt namelijk niet noodzakelijkerwijs tot een toename van vermogen en dus tot voordeel. In een dergelijk geval zal aannemelijk moet worden gemaakt dat en in welke mate een veroordeelde over meer vermogen is komen te beschikken of de veroordeelde op een andere manier op geld waardeerbaar voordeel heeft gehad als gevolg van die witwasgedragingen (vgl. ECLI:NL:HR:2024:1821 en ECLI:HR:HR:2021:194). Het onderzoek biedt onvoldoende concrete aanknopingspunten aan de hand waarvan kan worden vastgesteld in hoeverre het vermogen van de veroordeelde als gevolg van de uitgaven voor de vervanging van de rieten kap is toegenomen. Het standpunt van de officieren van justitie komt er in dit geval op neer dat het voordeel van de veroordeelde één op één gelijk kan worden gesteld met de door de veroordeelde gedane uitgaven. Dit acht de rechtbank zonder nadere onderbouwing niet begrijpelijk. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de uitgaven voor de vervanging van de rieten kap buiten de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal laten en de ontnemingsvordering ook voor dit deel zal afwijzen.
Eenvoudige kasopstelling
Vervolgens komt de rechtbank toe aan de bespreking van de uitkomst van de eenvoudige kasopstelling. In het ontnemingsrapport is met een eenvoudige kasopstelling het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde in relatie tot haar contante uitgaven berekend. Bij deze berekeningswijze is nagegaan in hoeverre de veroordeelde in de periode van 1 september 2007 tot en met 17 december 2015 meer contante uitgaven heeft gedaan dan via een bij de autoriteiten bekende, legale vermogensbron in die periode kon worden verantwoord. Als uit zo’n berekening blijkt dat meer contante uitgaven zijn gedaan dan verantwoord kan worden met beschikbaar legaal contant vermogen, dan is sprake van onverklaarbaar vermogen, dat wordt verondersteld van criminele herkomst afkomstig en dus wederrechtelijk verkregen voordeel te zijn. Het is aan de veroordeelde om dit te ontkrachten, door aannemelijk te maken dat wel degelijk sprake was van een legale bron van inkomsten of verkrijging.
De stelling van de officieren van justitie is dat de veroordeelde in de onderzochte periode meer contante uitgaven heeft gedaan dan uit haar legaal contant vermogen kan worden verklaard. Het onverklaarbare deel van € 124.070,- moet als wederrechtelijk verkregen voordeel aangemerkt worden.
Het verweer van de verdediging komt er in de kern op neer dat de veroordeelde in de onderzochte periode minder contante uitgaven heeft gedaan en de beschikking had over meer legaal vermogen. Hierdoor levert de kasopstelling een positief resultaat op en geen tekort dat als onverklaarbaar vermogen en dus als voordeel kan worden aangemerkt.
De rechtbank is van oordeel dat de eenvoudige kasopstelling niet de conclusie kan rechtvaardigen dat aannemelijk is dat strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De rechtbank volgt het verweer van de verdediging op enkele onderdelen en komt (mede) daardoor tot een positief resultaat van de kasopstelling. De rechtbank zal de kasopstelling hierna per opgenomen onderdeel bespreken.
Contante uitgaven
Stortingen, transacties, betalingen van facturen en rentebetalingen
De veroordeelde beschikte in de onderzochte periode over twee bankrekeningen. Uit een analyse van de bankafschriften van deze bankrekeningen is naar voren gekomen dat in deze periode in totaal € 8.582,- contant geld is gestort, dat aan de veroordeelde toegerekend kan worden.
De veroordeelde heeft in de onderzochte periode enkele contante transacties en betalingen verricht. Op 24 april 2013 en 18 juli 2014 heeft de veroordeelde bij een winkel in Blokker vier contante transacties van in totaal € 2.006,- verricht. Daarnaast heeft zij op 24 en 30 november 2015 twee facturen contant betaald voor een totaalbedrag van € 3.547,-.
De veroordeelde heeft de aankoop van haar helft van de stolpboerderij in 2006 gedeeltelijk bekostigd met een lening van [betrokkene 2] van € 26.000,-, met een rentepercentage van drie procent (€ 780,-) per jaar. Deze lening heeft de veroordeelde volledig contant terugbetaald voor 2011. De door de veroordeelde contant betaalde rente over deze lening in de onderzochte periode betreft een bedrag van € 3.120,- (namelijk 4 x € 780,-).
De verdediging heeft deze contante uitgaven van in totaal € 17.255,- niet betwist. De rechtbank heeft dit bedrag daarom betrokken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel via de eenvoudige kasopstelling.
Betalingen voor auto’s
De rechtbank heeft bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook de betalingen betrokken die de veroordeelde voor de aankoop van auto’s heeft gedaan.
De veroordeelde was in de onderzochte periode van 1 september 2007 tot en met 17 december 2015 de feitelijk eigenaar van negen auto’s. Ten behoeve van de aankoop van zeven daarvan zijn contante bijbetalingen gedaan voor een totaalbedrag van € 86.700,-. De stelling van de officieren van justitie is dat deze bijbetalingen door of namens de veroordeelde uit haar vermogen zijn gedaan en als contante uitgaven moeten worden betrokken bij de eenvoudige kasopstelling.
De rechtbank volgt dit standpunt niet en komt ten aanzien van de bijbetalingen ten behoeve van de aankoop van de zeven auto’s tot een ander oordeel. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de veroordeelde drie contante bijbetalingen heeft gedaan voor de aankoop van een Mercedes B200 (op 15 mei 2009 voor € 14.300,-), een Volkswagen Polo (op 25 februari 2011 voor € 6.600,-) en een Mini Cooper (op 27 juni 2011 voor € 5.500,-). De verdediging heeft deze drie contante uitgaven niet betwist.
Op basis van het dossier kan naar het oordeel van de rechtbank ook worden vastgesteld dat de veroordeelde op 27 maart 2015 een Mercedes CLA heeft gekocht, waarvoor zij € 5.300,- contant heeft bijbetaald. Zonder aannemelijke verklaring van de veroordeelde over de herkomst van dit geld, gaat de rechtbank ervan uit dat zij deze contante betaling heeft gedaan met geld uit haar eigen vermogen. De enkele stelling van de verdediging dat de bijbetaling niet uit eigen middelen is betaald, is in dat verband onvoldoende.
De rechtbank komt dus tot het oordeel dat deze vier contante bijbetalingen van in totaal € 31.700,- kunnen worden aangemerkt als contante uitgaven van de veroordeelde uit haar vermogen en dat deze kunnen worden betrokken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel via de eenvoudige kasopstelling.
De rechtbank heeft de bijbetalingen ten behoeve van de aankoop van drie andere auto’s niet bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrokken. Het gaat om de bijbetalingen voor de aankoop van een Volkswagen Golf (op 29 november 2012 van € 6.500,-), een Mercedes C220 (op 21 februari 2011 van € 15.500,-) en een Mercedes SLK (op 30 maart 2015 van € 33.000,-). Gelet op het dossier en de overwegingen van het gerechtshof Amsterdam in het arrest in de onderliggende strafzaak over deze auto’s (in het arrest respectievelijk auto’s 3, 5 en 6) is de rechtbank van oordeel dat niet, dan wel in onvoldoende mate, kan worden vastgesteld dat deze bijbetalingen door of namens de veroordeelde zijn gedaan, laat staan dat het geld voor die betalingen uit haar vermogen afkomstig was. De ontnemingsvordering zal daarom voor deze drie bijbetalingen worden afgewezen en deze worden dan ook niet betrokken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel via de eenvoudige kasopstelling.
Aankoop van de bedrijfsunit
De laatste uitgave van de eenvoudige kasopstelling betreft de aankoop van een bedrijfsunit aan de [adres bedrijfsunit]. De veroordeelde heeft op 5 april 2011 bedrijfsunit 22D gekocht voor een bedrag van € 65.450,-. Deze aankoop is volledig per bank voldaan door [betrokkene 3]. [betrokkene 3] heeft hierover verklaard dat het een lening aan de veroordeelde betrof. De stelling van de officieren van justitie is echter dat hier geen sprake is geweest van een lening, maar van een schijnconstructie om contant crimineel geld van de veroordeelde een legale herkomst te geven. Voorafgaand aan de aankoop van de bedrijfsunit vonden op de bankrekening van [betrokkene 3] drie contante stortingen plaats van in totaal € 65.450,-. De stelling van de officieren van justitie is dat dit geld van de veroordeelde afkomstig was en dat de aankoop van de bedrijfsunit daarmee is betaald, zodat de aankoop als contante uitgave in de eenvoudige kasopstelling moet worden meegenomen.
De rechtbank volgt dit standpunt niet en komt, in navolging van het verweer van de verdediging, tot de conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat de aankoop van de bedrijfsunit kan worden gezien als een contante uitgave van de veroordeelde, die bij de schatting van haar wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden betrokken. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de inhoud van het dossier, waaronder de verklaringen van de betrokkenen bij de aankoop van de bedrijfsunit, niet kan worden vastgesteld dat de aankoop uit het vermogen van de veroordeelde is betaald. De contante stortingen op de bankrekening van [betrokkene 3] ter hoogte van de koopsom van de bedrijfsunit voorafgaand aan de aankoop en het gegeven dat er niets op papier is gezet over de lening van [betrokkene 3] aan de veroordeelde, geven te denken. Echter, die omstandigheden kunnen naar het oordeel van de rechtbank zonder nader onderzoek, dat hier niet is verricht, niet dienen als steun voor de conclusie dat bij de aankoop sprake is geweest van een schijnconstructie. Nu niet aannemelijk is geworden dat de aankoop van de bedrijfsunit in werkelijkheid een contante uitgave van de veroordeelde betrof uit crimineel vermogen, zal de rechtbank deze aankoop buiten de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel laten via de eenvoudige kasopstelling.
Conclusie over de contante uitgaven
Dit alles leidt ertoe dat de contante uitgaven van de veroordeelde uit haar eigen vermogen in de onderzochte periode, bij elkaar opgeteld, kunnen worden vastgesteld op een totaalbedrag van € 48.955,- dat bij de eenvoudige kasopstelling wordt meegenomen.
Legaal contant vermogen
In het ontnemingsrapport is beschreven dat de veroordeelde in de periode van 1 september 2007 tot en met 17 december 2015 de beschikking heeft gehad over een legaal contant vermogen, voor het doen van contante uitgaven, van € 45.335,-. Het verweer van de verdediging komt erop neer dat de veroordeelde in de onderzochte periode de beschikking heeft gehad over een legaal contant vermogen van grotere omvang dan in het strafrechtelijk financieel onderzoek is berekend, namelijk een schenking, opbrengsten uit de verkoop van puppy’s en contante inkomsten uit de verhuur van de bedrijfsunit. De stelling van de officieren van justitie is dat de verdediging het extra contante vermogen uit de schenking en de verkoop onvoldoende heeft onderbouwd en niet aannemelijk heeft gemaakt. De huurinkomsten kunnen wat de officieren van justitie betreft verder niet worden gezien als legaal contant vermogen en als zodanig in de kasopstelling worden betrokken, omdat dit vervolgprofijt betreft.
Schenking
De verdediging heeft in de eerste plaats bepleit dat de veroordeelde in de jaren 2007 tot en met 2011 kon beschikken over een jaarlijkse schenking van haar vader van € 4.000,-, wat neerkomt op een extra contant vermogen van in totaal € 20.000,-. De verdediging heeft dit onderbouwd met een schenkingsovereenkomst van 1 oktober 2018. De rechtbank volgt dit verweer niet. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat de veroordeelde in de onderzochte periode de beschikking heeft gehad over € 20.000,- aan contanten uit deze schenking. De door de veroordeelde afgelegde verklaring hierover en de door haar verstrekte overeenkomst in dit verband zijn onvoldoende om als ondersteuning van dat verweer te dienen. De rechtbank is, in navolging van het gerechtshof Amsterdam in de onderliggende strafzaak, van oordeel dat het late tijdstip waarop de veroordeelde deze verklaring heeft afgelegd en het gegeven dat haar vader toen inmiddels was overleden, deze verklaring niet meer verifieerbaar maken. Daar komt nog bij dat de schenking pas achteraf, in 2018, in een overeenkomst is vastgelegd. Op dat moment was het strafrechtelijk (financieel) onderzoek in volle gang. Deze overeenkomst is vervolgens ook pas in 2021 aan justitie verstrekt. Dit alles leidt ertoe dat de rechtbank dit verweer als onvoldoende onderbouwd terzijde schuift bij de schatting van het legale contante vermogen van de veroordeelde in de onderzochte periode.
Verkoop van puppy’s
De verdediging heeft tevens bepleit dat de veroordeelde in de jaren 2008 en 2009 kon beschikken over contante opbrengsten uit de verkoop van twee nestjes puppy’s. Het zou daarbij gaan om de verkoop van zeventien puppy’s voor minimaal € 1.000,- per pup en dus in totaal € 17.000,-. De rechtbank acht ook dit verweer onvoldoende onderbouwd en volgt dit verweer niet. De rechtbank is van oordeel dat de veroordeelde dit verweer niet heeft voorzien van concrete, controleerbare gegevens over de gestelde verkopen van de puppy’s en de opbrengsten daaruit. De door de veroordeelde verstrekte stukken hierover zijn in dit verband onvoldoende. De rechtbank schuift dit verweer daarom ook terzijde bij de schatting van het legale contante vermogen van de veroordeelde.
Huurinkomsten: geen vervolgprofijt
De verdediging heeft tot slot bepleit dat de veroordeelde in de onderzochte periode de beschikking heeft gehad over contante inkomsten uit de verhuur van haar bedrijfsunit. De veroordeelde heeft deze bedrijfsunit in de jaren 2011, 2012 en 2015 verhuurd en naar aanleiding van die verhuur in totaal € 16.800,- aan huurinkomsten ontvangen, waarvan een deel van € 9.000,- contant. Deze contante opbrengsten moeten worden gezien als onderdeel van het legale contante vermogen en als zodanig in de eenvoudige kasopstelling worden betrokken, aldus de verdediging. De rechtbank volgt dit verweer en overweegt hierover het volgende.
De rechtbank is hiervoor, onder 6.5.1, tot het oordeel gekomen dat de aankoop van de bedrijfsunit geen onderdeel uitmaakt van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel via de eenvoudige kasopstelling. Daarmee is de grondslag voor het ontnemen van enig vervolgprofijt ten aanzien van die bedrijfsunit komen te vervallen. Dat betekent dat de waardestijging van de bedrijfsunit (door het Openbaar Ministerie begroot op € 59.550,-) en de per bank ontvangen huurinkomsten (tot en met 2025 begroot op € 69.900,-) niet kunnen worden gezien als vervolgprofijt. De rechtbank zal deze begrotingen buiten de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel laten en de ontnemingsvordering ten aanzien van dit vervolgprofijt, de laatste twee voordeelposten van de ontnemingsvordering, afwijzen.
Het vorenstaande betekent ook dat de door de veroordeelde contant ontvangen huurinkomsten in de onderzochte periode in de berekeningswijze via de eenvoudige kasopstelling hadden moeten worden betrokken. Immers, nu ten aanzien van de bedrijfsunit geen sprake is van vervolgprofijt, kunnen de contant ontvangen huurinkomsten worden gezien als legaal contant vermogen. De rechtbank zal het legale contante vermogen waarover de veroordeelde de beschikking heeft gehad in de onderzochte periode daarom met € 9.000,- vermeerderen.
Het beschikbare legale contante vermogen van de veroordeelde in de onderzochte periode komt daarmee op een eindbedrag van € 54.335,- (namelijk € 45.335,- + € 9.000,-).
Conclusie over de eenvoudige kasopstelling
Op basis van de hiervoor weergegeven contante uitgaven en het legale contante vermogen van de veroordeelde in de periode van 1 september 2007 tot en met 17 december 2015 komt de rechtbank tot een positief resultaat van de eenvoudige kasopstelling. De veroordeelde had in de onderzochte periode namelijk de beschikking over een legaal contant vermogen van € 54.335,-, waaruit de gedane contante uitgaven van in totaal € 48.955,- kunnen worden verklaard. Dat betekent dat aan de hand van de eenvoudige kasopstelling niet kan worden geconcludeerd dat de veroordeelde enig wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Eindconclusie over het wederrechtelijk verkregen voordeel
In het licht van al het vorenstaande komt de rechtbank tot de eindconclusie dat niet aannemelijk is dat strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen dat haar moet worden ontnomen. De rechtbank zal de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel om die reden vaststellen op nihil. Dit betekent vervolgens dat er geen reden is om de maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde op te leggen. De rechtbank zal de vordering van het Openbaar Ministerie daarom afwijzen.
7. Beslissing
De rechtbank:
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op nihil.
Wijst de vordering van het Openbaar Ministerie af.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Hoendervoogt, voorzitter,
mr. A. Buiskool en mr. A.M.C. de Haan, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. P.H. Boersma,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 november 2026.