RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.219649.25 (P)
Uitspraakdatum: 17 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
3 februari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2007 te [geboorteplaats 1] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. R. Klein en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Baatenburg de Jong, advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij op 18 juli 2025 in Egmond-Binnen samen met een ander in de nachtelijke uren een woningoverval heeft gepleegd, waarbij twee scooters en een scooterhelm zijn weggenomen.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het plegen van geweld of het bedreigen met geweld. De verdachte ontkent dat er geweld is gebruikt of is gedreigd met geweld bij het plegen van de diefstal. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de verdachte te geloven en heeft er daarbij op gewezen dat de aangifte niet wordt ondersteund door camerabeelden of ander objectief bewijs.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen Op grond van de bewijsmiddelen en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat de verdachte samen met de medeverdachte op 18 juli 2025 in Egmond-Binnen in de nachtelijke uren twee scooters en een helm heeft weggenomen van de aangever.
De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of daarbij geweld is gebruikt of is bedreigd met geweld. De verdachte heeft dat ontkend.
De rechtbank overweegt als volgt.
Op 18 juli 2025 komt rond 03.20 uur een melding binnen bij de politie. Op het adres [adres 2] in Egmond-Binnen zouden twee personen de woning zijn binnengedrongen en twee scooters hebben meegenomen. De politie gaat ter plaatse en treft daar de aangever aan, die emotioneel oogt. Hij verklaart direct dat hij erg geschrokken is en onder de indruk is van alles wat er was gebeurd. Hij vertelt de verbalisanten dat hij een film aan het kijken was in zijn kamer, toen hij buiten geluid hoorde. Kort daarna werd zijn kamerdeur ineens opengedaan. Een persoon kwam zijn kamer binnen en die bedreigde hem met een klauwhamer. Een tweede persoon bleef in de deuropening staan. Hem werd gezegd dat hij zijn scooters moest geven en dat hem anders iets zou worden aangedaan. Hij moest meelopen waarbij hij in zijn rug werd geduwd. Aan de overzijde van zijn woning moest hij op zijn knieën zitten. Daarna moest hij met één van de scooters meelopen een stuk de polder in. Nadat de scooters waren weggereden door de verdachten, werd hij thuisgebracht. Als de politie even later het erf van de [adres 2] wil verlaten, treffen zij op de weg de verdachten aan. Zij worden aangehouden en in de rugzak van de verdachte worden schroevendraaiers en een klauwhamer aangetroffen.
Later die dag doet de aangever aangifte van een gewelddadige woningoverval. De aangever verklaart dan uitgebreider wat er die nacht is gebeurd. De jongen die op hem afkwam, was een donkergetinte jongen met een bivakmuts en een zwarte boxerhelm met reflecterend vizier op. Deze jongen herkende hij als [voornaam 1] . De andere jongen, die in de deuropening bleef staan, had een zwarte full face helm op. [voornaam 1] deed een hand in zijn rug en de aangever hoorde hem zeggen: “je moet je scooter inleveren of afstaan”. In zijn rechterhand had hij een klauwhamer vast. De aangever hoorde hem zeggen: “stil blijven, geen geluid maken” en deze verdachte wees met de klauwhamer in zijn richting. De aangever moest vervolgens naar de schuur lopen en deze openen. Daar hoorde hij [voornaam 1] zeggen: “deur openen”, waarna de aangever de sleutel heeft gepakt en de schuurdeur heeft opengemaakt. Vervolgens moest de aangever het kettingslot van de scooter afhalen en de scooter naar de overkant van de weg brengen. Aan de overkant van de weg zag de aangever de andere jongen staan met een scooter. Deze scooter stond eerder nog in zijn kamer. De aangever moest op de grond gaan zitten aan de overkant van de weg en zag toen dat de jongens het slot uit zijn grijze scooter haalden. Hij hoorde de twee jongens daarbij overleggen, waarbij hij de stem herkende van [verdachte] . Hij moest vervolgens van [verdachte] meelopen met zijn paarse scooter aan de hand. [voornaam 1] zei tegen de aangever dat hij het niet in zijn hoofd moest halen om hier werk van te maken, waarna [voornaam 1] met de grijze scooter van aangever wegreed. De aangever is toen met [verdachte] meegelopen. Op een gegeven moment zei [verdachte] tegen de aangever dat hij moest blijven wachten totdat de ander terugkwam. Toen [verdachte] even later terugkwam, moest hij achterop de scooter stappen waarop [verdachte] reed en werd hij teruggebracht.
Op 19 juli 2025 is de aangever aanvullend gehoord. Ook toen heeft hij uitgebreid verklaard wat er die nacht is gebeurd. De aangever is bij de rechter-commissaris nogmaals gehoord en heeft toen op hoofdlijnen hetzelfde verklaard.
Gelet op de inhoud van de verklaringen van de aangever stelt de rechtbank vast dat de aangever in zijn verklaringen gedetailleerd en consistent heeft verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de aangever geëmotioneerd oogde toen de politie hem aantrof en dat hij toen direct heeft verteld wat er die nacht was gebeurd, nog voordat de verdachten waren aangehouden. De verklaring van de aangever vindt bovendien steun in het gegeven dat bij de aanhouding van de verdachten in de rugzak van de verdachte een klauwhamer is aangetroffen.
De verklaring van de verdachte dat er niet is bedreigd met geweld, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig. Het is zeer onwaarschijnlijk dat de aangever zonder enige vorm van bedreiging met geweld aan de gegeven opdrachten zou hebben meegewerkt en zijn twee scooters en helm zou hebben afgestaan. Ook het late stadium waarin de verdachte deze verklaring heeft afgelegd, nadat hij eerst iedere betrokkenheid bij de diefstal ontkende, doet afbreuk aan zijn geloofwaardigheid.
De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 18 juli 2025 te Egmond-Binnen tezamen en in vereniging met een ander, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, gelegen aan de [adres 2] , twee scooters (een Piaggio Zip met kenteken [kenteken 1] en een Piaggio Fast Rider met kenteken [kenteken 2] ) en een scooterhelm, die aan [slachtoffer] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door - de woning van die [slachtoffer] binnen te gaan, - aan die [slachtoffer] een klauwhamer te tonen, - te zeggen dat hij zijn scooters af moet staan omdat hem anders iets wordt aangedaan,
- met een hand in de rug van die [slachtoffer] hem te bewegen naar de schuur te lopen, die [slachtoffer] bij zijn kleding vast te houden, die [slachtoffer] te sommeren op zijn knieën te gaan zitten en - tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij het niet in zijn hoofd moet halen om hier werk van te maken.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld en een contactverbod met de aangever [slachtoffer] . Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het gaat om een jonge verdachte, die geen strafblad heeft en op wie de tijd die hij heeft vastgezeten een diepe impact heeft gehad. Hij heeft zich tijdens zijn schorsing goed aan de voorwaarden gehouden. De raadsvrouw heeft verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest, met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden en een taakstraf voor de duur van 100 uren.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Op 18 juli 2025 heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een overval op een woning, waarbij onder bedreiging met geweld twee scooters en een helm zijn weggenomen. Door een klauwhamer te tonen en verbaal te dreigen met geweld werd het slachtoffer gedwongen mee te werken aan de diefstal. Het slachtoffer werd ook gesommeerd om op straat met zijn knieën op de grond te zitten en hij moest midden in de nacht een eind met de verdachten meelopen de polder in. De verdachte heeft hiermee ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van het slachtoffer. Door op deze manier te handelen heeft de verdachte laten zien geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. De rechtbank overweegt dat het voor het slachtoffer een traumatische ervaring moet zijn geweest dat hij gedurende de nacht in zijn woning, een plek waar hij zich bij uitstek veilig hoort te voelen, is overvallen. De verdachte heeft met zijn handelen op geen enkele wijze rekening gehouden met de mogelijke gevolgen voor het slachtoffer en kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen gewin.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van de verdachte (het Uittreksel Justitiële Documentatie van 22 december 2025), waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld, zodat dit niet in zijn nadeel meeweegt.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 26 september 2025 van mevrouw [naam] , reclasseringswerkster bij Reclassering Nederland. In dit rapport constateert de reclassering dat er geen aanwijzingen zijn voor een pro-criminele houding. Evenmin zijn er aanwijzingen voor structurele middelenproblematiek. Van belang is dat de verdachte meer zicht krijgt op de totstandkoming van zijn delictgedrag om de kans op herhaling zo klein mogelijk te maken. Een behandeltraject acht de reclassering niet nodig, maar een training gericht op cognitieve vaardigheden lijkt de reclassering passend. Geadviseerd wordt het volwassenenstrafrecht toe te passen en bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:
- een meldplicht bij reclassering;
- een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden;
- een contactverbod met de medeverdachte en
- dagbesteding in de vorm van betaald werk met vaste structuur of een (vervolg)opleiding.
Conclusie van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde feit en de impact dat een dergelijk feit op het slachtoffer kan hebben, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur rechtvaardigt. Voor een overval op een woning waarbij sprake is van licht geweld of bedreiging, gaan de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ook uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.
Hoewel een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf dus het uitgangspunt is, ziet de rechtbank in de jeugdige leeftijd van de verdachte (hij was net 18 jaar ten tijde van het ten laste gelegde feit) en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om de duur van de gevangenisstraf te matigen. De verdachte heeft 84 dagen in voorlopige hechtenis verbleven. De verdachte heeft zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis aan de voorwaarden gehouden. Hij is niet eerder voor een misdrijf veroordeeld en de reclassering spreekt ook van een incident.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan (276 dagen) vooralsnog niet ten uitvoer wordt gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan die voorwaardelijke straf worden als bijzondere voorwaarden de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbonden en een contactverbod met het slachtoffer. Om de ernst van het feit te benadrukken, legt de rechtbank daarnaast een taakstraf op van de maximale duur, te weten 240 uren.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, omdat naar het oordeel van de rechtbank niet is voldaan aan het daarvoor vereiste criterium dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 312 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 (driehonderdzestig) DAGEN.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 276 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
- de verdachte zich na oproep meldt bij Reclassering Nederland te [adres 3] . De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- de verdachte actief deelneemt aan de gedragsinterventie SOLO of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;
- de verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met
medeverdachte [voornaam 1] Albertus van den Brenk, geboren op 18 april 2006 in Amsterdam, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
- de verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met
[slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 in [geboorteplaats 2], zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
- de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk met een vaste structuur of het volgen van een (vervolg)opleiding.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 dagen hechtenis.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.H. Tiemens, voorzitter,
mr. J.M. Jongkind en mr. M.C.J. Lommen, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier D.H. Geuze
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 februari 2026.
Bijlage 1: de tenlastelegging
hij op of omstreeks 18 juli 2025 te Egmond-Binnen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning of op een besloten erf waarop een woning staat, gelegen aan de [adres 2] , twee scooters (een Piaggio Zip met kenteken [kenteken 1] en een Piaggio Fast Rider met kenteken [kenteken 2] ) en een (scooter)helm, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door- de woning van die [slachtoffer] binnen te gaan,- aan die [slachtoffer] een klauwhamer te tonen en/of in zijn richting te bewegen,- te zeggen dat hij zijn scooters af moet staan omdat hem anders iets wordt aangedaan, met een hand in de rug van die [slachtoffer] hem te bewegen naar de schuur te lopen,- die [slachtoffer] bij zijn kleding vast te houden,- die [slachtoffer] te sommeren op zijn knieën te gaan zitten en/of- tegen die [slachtoffer] te zeggen dat hij het niet in zijn hoofd moet halen om hier werk van te maken.
Bijlage 2
De bewijsmiddelen
(..)