RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11429861 \ CV EXPL 24-8489
Uitspraakdatum: 28 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiser 2],
3. [eiser 3], allen wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: [gemachtigde]
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Royal Air Maroc
gevestigd te Casablanca (Marokko)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Teke
De zaak in het kort
De passagiers hebben Yource B.V. gemachtigd om deze procedure namens hen te voeren. De passagiers hebben van de vervoerder (onder meer) compensatie gevraagd voor een geannuleerde vlucht. De vervoerder heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de gevorderde compensatie toewijsbaar is. Voor zover de vervoerder aanvoert dat hij rauwelijks is gedagvaard, houdt dit verweer geen stand. Niet in geschil is immers dat de passagiers de vervoerder op 26 juni 2024 hebben gesommeerd tot betaling van compensatie, waarna de vervoerder op 15 juli 2024 per e-mail om aanvullende stukken heeft verzocht. Dat de passagiers niet meer op die e-mail zouden hebben gereageerd, leidt niet tot een ander oordeel.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hen op 27 mei 2024 moest vervoeren van Amsterdam naar Casablanca (Marokko), met vlucht AT851, (hierna: de vlucht).
De vlucht is geannuleerd.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd. De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der incident tot aan de dag der algehele voldoening;- € 217,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
De vervoerder betwist primair dat de passagiers Yource B.V. hebben gemachtigd om hen in deze procedure te vertegenwoordigen. Hij voert aan dat de handtekeningen op de overgelegde machtigingen niet overeenkomen met de handtekeningen op de paspoorten van de passagiers.
De kantonrechter is van oordeel dat de handtekeningen van passagier sub 1 en sub 2 op de volmachten voldoende overeenkomen met de handtekeningen van die passagiers op hun paspoorten. Ten aanzien van passagier sub 3 in het bijzonder merkt de kantonrechter op dat deze passagier niet in staat is geacht tot het plaatsen van een handtekening op zijn paspoort, en dat Yource B.V. over verschillende documenten van deze passagier beschikt, waaronder de boekingsbevestiging en een kopie van het paspoort, welke documenten zijn overgelegd. De kantonrechter vindt het dan ook voldoende aannemelijk dat Yource B.V. is gemachtigd om deze procedure namens de passagiers te voeren. Het niet-ontvankelijkheidsverweer van de vervoerder slaagt daarom niet.
De vervoerder heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde compensatie, zodat deze toewijsbaar is. De rente daarover is toewijsbaar zoals gevorderd.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
De vervoerder voert nog aan dat hij rauwelijks is gedagvaard. Dit verweer slaagt niet. Niet in geschil is dat de vervoerder op 26 juni 2024 door de (gemachtigde van de) passagiers is gesommeerd tot betaling van de compensatie, waarna de vervoerder bij e-mail van 15 juli 2024 om aanvullende stukken heeft verzocht. Dat de passagiers niet meer op die e-mail zouden hebben gereageerd, leidt niet tot een ander oordeel.
De vervoerder zal grotendeels in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 mei 2024 tot aan de dag van voldoening;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;griffierecht € 218,00;salaris gemachtigde € 270,00;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter