RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Alkmaar
parketnummer : 15-177811-25
raadkamernummer : 25-025533
datum : 16 februari 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. J.G.W.M. Lut, advocaat te 's-Gravenhage (Melkwegstraat 47, 2516 AJ 's-Gravenhage),
hierna te noemen: de verzoeker.
Feiten
De verzoekster is op 4 september 2025 door de politierechter van deze rechtbank vrijgesproken. Dit vonnis is onherroepelijk geworden.
Procedure
Het verzoekschrift is op 08 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 16 februari 2026 het verzoekschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de verzoeker, mr. J.G.W.M. Lut en de officier van justitie op zitting gehoord.
De verzoeker is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Verzoek
Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van in totaal € 3.042,63 bedrag wegens:
- de kosten van een raadsman in de strafzaak met het hiervoor genoemde parketnummer tot een bedrag van € 2.147,75;
- de reiskosten voor het bijwonen van de behandeling op de terechtzitting tot een bedrag van € 21,28;
- de kosten van een boekhouder wegens opstellen van een peiljaarverlegging tot een bedrag van € 193,60;
- de kosten van een raadsman voor het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van dit verzoek tot een bedrag van € 680,-.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich voor een deel tegen het toekennen van de gevraagde vergoeding.
Het verzoek om toekenning van een vergoeding kan worden toegewezen met uitzondering van de kosten van een boekhouder wegens opstellen van een peiljaarverlegging.
Volgens de Hoge Raad worden onder de kosten van een raadsman verstaan de kosten die in rechtstreeks verband staan met een strafzaak tegen de gewezen verdachte (HR 20 mei 1986, NJ 1987, 28). Voornoemde kosten vloeien niet rechtstreeks voort uit de strafzaak, maar hangen samen met de aanvraag voor rechtsbijstand en de inkomenspositie van verzoekster.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd en het verzoek is tijdig ingediend.
Als de strafzaak van een verdachte is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a (schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel) van het Wetboek van Strafrecht, kan die verdachte in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de kosten van zijn advocaat in verband met die zaak (artikel 530 Sv).
De rechter kent de vergoeding geheel of gedeeltelijk toe voor zover dat naar zijn oordeel billijk is, waarbij hij rekening houdt met alle omstandigheden (artikel 534 Sv).
De rechtbank acht toekenning van de verzochte vergoeding billijk tot een bedrag van
€ 2.849,03,- en zal het verzoekschrift als volgt toewijzen.
De rechtbank zal een vergoeding toekennen voor de kosten van de raadsman. De opgegeven kosten worden onderbouwd door de overgelegde urenspecificatie(s) en declaratie(s). De gevraagde vergoeding zal dan ook worden toegekend.
De rechtbank acht het billijk een vergoeding van € 21,28,- toe te kennen voor de reiskosten die door de verzoekster zijn gemaakt ten behoeve van de behandeling van de strafzaak.
De rechtbank zal het gebruikelijke bedrag van € 680,-,- toekennen voor de kosten van indiening en behandeling van dit verzoek.
Voor toekenning van de kosten van een boekhouder wegens opstellen van een peiljaarverlegging acht de rechtbank geen gronden aanwezig. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat deze kosten niet zien op kosten die in rechtstreeks verband staan met de strafzaak. De gemaakte kosten zien immers op de inkomenspositie van verzoekster, ter verkrijging van gefinancierde rechtsbijstand. Dit deel van het verzoek zal dan ook worden afgewezen.
Beslissing
Kent aan de verzoekster ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 2.849,03 (zegge: tweeduizend achthonderdnegenenveertig euro en drie eurocent), welk bedrag als volgt is samengesteld:
- € 2.147,75 wegens de kosten van een raadsman voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de strafzaak;
- € 21,28 wegens de reiskosten voor het bijwonen van de behandeling op de terechtzitting;
- € 680,- wegens de kosten van een raadsman voor de indiening van het verzoekschrift.
Wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven door
mr. A. Buiskool, rechter,
in tegenwoordigheid van D. Bokma, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen daarna en voor de gewezen verdachte of zijn erfgenamen binnen een maand na de betekening hoger beroep open bij het gerechtshof.
BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING
Bij beslissing van deze rechtbank, enkelvoudige raadkamer, van 10 februari 2025
(RK-nummers: 25-025533) is op de voet van artikel 530 Sv aan: [verzoekster], verzoekster, een vergoeding uit ‘s Rijks kas toegekend van € 2.849,03 (zegge: tweeduizend achthonderdnegenenveertig euro en drie eurocent).
Bevolen wordt dat de griffier na het onherroepelijk worden van de beslissing overgaat tot uitbetaling van :
- dit € 21,28 door overmaking op IBAN-rekeningnummer [rekeningnummer 1], ten name van [verzoekster], onder vermelding van ‘schadevergoeding [verzoekster]’.
- € 2.827,75 door overmaking op IBAN-rekeningnummer [rekeningnummer 2], ten name van Lut Advocatuur, onder vermelding van ‘D2366’.
Dit bevelschrift is afgegeven op 16 februari 2026 door mr. A. Buiskool, rechter