RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer hoofdzaak: C/15/344519 / HA ZA 23-547
Zaaknummer vrijwaringszaak 1: C/15/352520 / HA ZA 24-273
Zaaknummer vrijwaringszaak 2: C/15/352523 / HA ZA 24-275
Vonnis van 14 januari 2026
in de hoofdzaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
RFA INTERNATIONAL LP,
gevestigd te Calgary, Alberta (Canada),
eisende partij,
hierna te noemen: RFA,
advocaten: mrs. M. Goorts, K. van Laar en J.H.L. ter Beek,
tegen
1. de naamloze vennootschap
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
BALOISE BELGIUM N.V.,
gevestigd te Antwerpen (België),3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
ERGO VERSICHERUNG AG,
gevestigd te Düsseldorf (Duitsland),4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
MSIG INSURANCE EUROPE AG,
gevestigd te Keulen (Duitsland),5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AIG EUROPE S.A.,
gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
GENERALI DEUTSCHLAND VERSICHERUNG AG,
als rechtsopvolger onder algemene titel van Generali Versicherung AG,
gevestigd te München (Duitsland),7. de rechtspersoon naar buitenlands recht
GOTHAER ALLGEMEINE VERSICHERUNG AG,
gevestigd te Keulen (Duitsland),8. de rechtspersoon naar buitenlands recht
WÜRTTEMBERGISCHE VERSICHERUNG AG,
gevestigd te Stuttgart (Duitsland),
9. de rechtspersoon naar buitenlands recht
STARSTONE INSURANCE SE,
gevestigd te Schaan (Liechtenstein),
10. de rechtspersoon naar buitenlands recht
CANOPIUS MANAGING AGENTS LIMITED,
hierna te noemen: Canopius,
gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),11. de rechtspersoon naar buitenlands recht
CHUBB EUROPEAN GROUP SE, tevens handelend onder de naam
CHUBB INSURANCE COMPANY OF EUROPE,
gevestigd te Courbevoie (Frankrijk), kantoorhoudende te Rotterdam,
gedaagden 1 t/m 9 en 11 hierna samen te noemen: de verzekeraars,
gedaagde partijen,
advocaten: mrs. J.P. Eckoldt en M.R. Koppenol,12. de rechtspersoon naar buitenlands recht
H.W. WOOD LIMITED,
gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
hierna te noemen: Wood,
gedaagde partij,
advocaat: mr. A.Ch.H. Franken,
13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ACRISURE NETHERLANDS B.V. (voorheen genaamd RAETSHEREN VAN ORDEN B.V.),
gevestigd te Alkmaar,
hierna te noemen: Acrisure,
gedaagde partij,
advocaten: mrs. D.D. Zorab-Castelijns en N.E. Hemstra,
en in de vrijwaringszaak 1 van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ACRISURE NETHERLANDS B.V. (voorheen genaamd RAETSHEREN VAN ORDEN B.V.),
gevestigd te Alkmaar,
hierna te noemen: Acrisure,
eisende partij,
advocaten: mrs. D.D. Zorab-Castelijns en N.E. Hemstra,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
H.W. WOOD LIMITED,
gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
hierna te noemen: Wood,
gedaagde partij,
advocaat: mr. A.Ch.H. Franken,
en in de vrijwaringszaak 2 van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
H.W. WOOD LIMITED,
gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
hierna te noemen: Wood,
eisende partij,
advocaat: mr. A.Ch.H. Franken,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ACRISURE NETHERLANDS B.V. (voorheen genaamd RAETSHEREN VAN ORDEN B.V.),
gevestigd te Alkmaar,
hierna te noemen: Acrisure,
gedaagde partij,
advocaten: mrs. D.D. Zorab-Castelijns en N.E. Hemstra.
De zaken in het kort
RFA is een leverancier van ferrochroom. Wood en Acrisure zijn verzekeringsmakelaars. Ter afdekking van het risico van schade en verlies van goederen heeft RFA via Wood een zogenoemde Marine Cargo Insurance afgesloten. Acrisure heeft deze verzekering van Wood overgenomen. Volgens RFA heeft zich bij een van haar opslaglocaties, die zij gebruikte voor de opslag van ferrochroom, schade voorgedaan. De hoofdzaak draait om de vraag of de verzekeraars deze schade onder de verzekering moeten dekken. Als deze verzekering geen dekking biedt, dan betekent dat volgens RFA dat Wood en Acrisure hun zorgplicht tegenover RFA hebben geschonden. In de hoofdzaak houdt RFA Wood en Acrisure in dat geval voor de schade aansprakelijk. In de vrijwaringszaken, waarin Wood en Acrisure spiegelbeeldige vorderingen tegen elkaar hebben ingesteld, wijzen Wood en Acrisure naar elkaar.
In de hoofdzaak oordeelt de rechtbank dat de verzekeraars dekking terecht hebben geweigerd en dat Wood en Acrisure hun zorgplicht tegenover RFA niet hebben geschonden. De rechtbank wijst alle vorderingen in de hoofdzaak daarom af. Gelet op deze uitkomst van de hoofdzaak, zijn de vorderingen in de vrijwaringszaken niet toewijsbaar.
1. De procedures
Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit het vonnis in incident van
3 september 2025.
Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaken blijkt uit het tussenvonnis van 17 juli 2024, waarin de rechtbank in de hoofd- en vrijwaringszaken een (gelijktijdige) mondelinge behandeling voor de meervoudige kamer heeft bevolen.
Deze mondelinge behandeling heeft op 25 september 2025 plaatsgevonden. De griffier heeft van deze zitting aantekeningen gemaakt. De advocaten hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij hebben overgelegd. De rechtbank heeft in de hoofdzaak de zaak tegen Canopius ter zitting doorgehaald en de volgende stukken aan het procesdossier toegevoegd:
- de akte overlegging producties tevens houdende wijziging van eis van RFA met producties 92 tot en met 103;
- de akte overlegging producties van de verzekeraars met producties 10 tot en met 13;
- de akte houdende overlegging producties van Wood met producties 15 en 16;
- de akte overlegging producties van Acrisure met producties 37 tot en met 56.
Verder heeft de rechtbank ter zitting in de vrijwaringszaak 1 de akte overlegging producties van Acrisure met producties 19 tot en met 21 aan het procesdossier toegevoegd.
Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat zij in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaken vonnis zal wijzen.
2. De feiten
RFA is een van de grootste leveranciers van ferrochroom wereldwijd. Ferrochroom wordt gebruikt voor de productie van roestvrij staal.
Het ferrochroom dat RFA levert, komt uit Rusland. Vanuit Rusland wordt het ferrochroom vervoerd naar een van de opslaglocaties van RFA. Het doel van deze opslaglocaties is het op peil houden van de voorraad ferrochroom, zodat RFA orders van klanten efficiënt kan uitvoeren. RFA heeft dit soort opslaglocaties in verschillende landen. Een van die opslaglocaties is bij Global Bulk Logistics GmbH (hierna: GBL) in Duisburg, Duitsland (hierna: de GBL-opslaglocatie). RFA gebruikt de GBL-opslaglocatie sinds 2008.
Tot 1 januari 2016 had RFA een goederentransportverzekering die tot stand was gekomen door bemiddeling van Aon. De contactpersoon van RFA bij Aon was destijds de heer [S.] (hierna: [S.] ). In 2014 stapte [S.] over naar de Nederlandse vestiging van Wood. Wood is net als Aon een internationaal opererende verzekeringsmakelaar.
American Management Group LLC (hierna: AMG) is een aan RFA gelieerde onderneming, die RFA bij niet operationele zaken vertegenwoordigt. Eind oktober 2015, toen de goederentransportverzekering via Aon nog liep en [S.] een jaar bij Wood werkte, heeft AMG contact met [S.] gezocht en hem gevraagd of Wood kon bemiddelen bij de totstandkoming van een nieuwe goederentransportverzekering van RFA. [S.] heeft in reactie daarop op 2 november 2015 een e-mail naar AMG gestuurd met daarin een aantal vragen. [S.] schrijft in deze e-mail:
“(…)
In order to prepare our best possible offer I have a few additional questions, because unfortunately I do not have any information history.
- Could you please advise the total amounts of claims paid in the current and previous 2 years
(…)?
- (…)
- Storage exposure. Do you still have that large quantity at Steinweg Rotterdam? Could you please advise/confirm the storage exposures? (names and address of the locations and quantity in storage in each location).
- I remember that the maximum storage limit was USD 50 mio. because of the high exposure
in Rotterdam and the policy limit for transport USD 40 mio. Are these amounts still
correct/sufficient or too high?
(…)
I look forward to hearing from you.
(…)”
AMG heeft deze vragen op 9 november 2015 per e-mail beantwoord. Naar aanleiding van de vragen over “Storage exposure” heeft AMG zonder enige verdere toelichting op 9 november 2015 het volgende aan [S.] gemaild:
“Steinweg Rotterdam
Parmentierplein 1 3088 GN Rotterdam PO Box 1068 3000 BB Rotterdam The Netherlands
$ 252,031,018.74
Pacorini Metals
Monacoweg 2 (harbour 9310) 4455 SZ Nieuwdorp The Netherlands
$ 256,441,889.90”
Wood is vervolgens op zoek gegaan naar een leidende verzekeraar van een goederentransportverzekering voor RFA per 1 januari 2016. Mevrouw [P.] (hierna: [P.] ), in die tijd werkzaam bij Wood, heeft in dit verband verzekeraar XL Catlin benaderd. Op 18 november 2015 heeft [P.] aan XL Catlin een e-mail gestuurd met als bijlage een “Quotation” op naam van RFA. Deze “Quotation” bevat de voorgestelde tekst van een goederentransportverzekering, die door Wood was opgesteld. [P.] schrijft in haar begeleidende e-mail van 18 november 2015:
“Zoals telefonisch afgesproken ontvang je hierbij van ons een nieuwe inquiry. Het is een aanvraag van RFA (…)
Inmiddels hebben wij in de tussentijd van hen de benodigde informatie ontvangen om een offerte op te maken. Hierbij ontvang je van ons de twee offertes [opmerking van de rechtbank: een van deze offertes is de “Quotation” op naam van RFA], waarvan één op naam van RFA (…)
De limieten zijn als volgt:
USD 40,000,000.- voor transport
USD 50,000,000.- voor opslag
Voor opslag gebruiken zij al jarenlang twee toonaangevende opslaglocaties en beide locaties zijn door LME goedgekeurd:
- Steinweg Rotterdam, Parmentierplein 1 3088 GN Rotterdam The Netherlands
- Pacorini Metals, Monacoweg 2 (harbour 9310) 4455 SZ Nieuwdorp The Netherlands
Op beide locaties in de gemiddelde opslag ongeveer USD 250,000,000,-. (…) Daarom geeft RFA (…) aan dat zij hiervan maar 20% wil verzekeren, ofwel voor maximaal USD 50,000,000,- op beide locaties.
(…)
Schades:
Nadat de polissen jaren geen schades hebben gehad, hebben zij het afgelopen jaar 2 schades gehad die zijn uitbetaald. De bovenste twee claims zijn ontstaan door een uitzonderlijke samenloop van klimatologische omstandigheden. (…)
Ik hoop dat je dit voorstel kan steunen en hoeveel je (Lead) share mag zijn. (…)”
De meegestuurde “Quotation” bevat onder meer de volgende bepalingen:
“11. GEOGRAPHICAL LIMITS:
At and from any Port or Ports, Place or Places in the WORLD to any Port or Ports, Place or Places in the WORLD via any route subject to the Sanctions Limitation and exclusion clause contained herein.
(…)
13. STORAGE
Storage risks are included in this policy whether or not the storage is incidental to an associated transit also covered hereunder. Such storage may be anywhere in the world.
Coverage shall be for All Risks as per HW2015MC Insurance Conditions Marine Cargo. Claims in respect of shortage and/or contamination for goods stored in bulk, subject to a deductible of 0,5%.
The following storage locations have been approved by Insurers:
Een dag later, op 19 november 2015, heeft XL Catlin per e-mail het volgende aan [P.] bericht:
“(…)
Opslag is uitsluitend gedekt in de 2 approved locations in Nederland begrijp ik (Behalve dan wanneer de opslag “in the ordinary course of transit” is uiteraard.)
Hoor graag van je.
(…)”
[P.] heeft hierop op 19 november 2015 per e-mail geantwoord met “Ok!”.
In de tussentijd had AMG ook met Aon contact over (de verlenging van) de goederentransportverzekering van RFA per 1 januari 2016. Op 16 november 2015 hebben AMG en Aon hierover met elkaar gemaild. Uiteindelijk heeft RFA haar goederentransportverzekering niet via Aon verlengd.
De contacten met XL Catlin hebben geleid tot een nieuwe goederentransport-verzekering (een zogenoemde Marine Cargo Insurance), die RFA eind december 2015 via Wood heeft gesloten. De polis is afgegeven door Wood in Amsterdam. XL Catlin is de leidende verzekeraar op de polis geworden en heeft het risico voor 25% onderschreven. De overige verzekeraars, waaronder gedaagde sub 1 Achmea Schadeverzekering N.V. (hierna: Achmea), hebben het risico ieder voor een bepaald (in de polis genoemd) percentage onderschreven en zich verbonden de leidende verzekeraar te volgen. De goederentransportverzekering is op 1 januari 2016 ingegaan en had een looptijd van 24 maanden. Daarna zou de verzekering in principe met 24 maanden worden verlengd. De bepalingen over “Geographical limits” en “Storage”, die in de “Quotation” waren opgenomen (zie 2.7 van dit vonnis), zijn ongewijzigd in de polis terechtgekomen.
De goederentransportverzekering is vervolgens via Wood verlengd tot en met 31 december 2018. Daarbij bleef de verzekering ongewijzigd. De samenstelling van de verzekeraars en de risicoaandelen van de verzekeraars wijzigden wel per 1 januari 2018. Vanaf 1 januari 2018 is Achmea leidende verzekeraar op de polis geworden (voor 20%).
Wood en Acrisure (toen nog genaamd Raetsheren van Orden B.V.) hebben op 27 februari 2018 een overeenkomst getiteld “Portfolio Purchase Agreement” met elkaar gesloten. Op grond van deze overeenkomst heeft Acrisure de assurantieportefeuille van het Nederlandse kantoor van Wood met ingang van 1 maart 2018 overgenomen. [S.] en [P.] , die voor Wood werkten, gingen ook mee over naar Acrisure.
Acrisure heeft RFA ervan op de hoogte gesteld dat zij de verzekeringsportefeuille van Wood had overgenomen, waaronder de goederentransportverzekering van RFA. Daarbij heeft Acrisure RFA laten weten dat de dekkingsvoorwaarden van de goederentransportverzekering hetzelfde bleven. De polis die Acrisure aan RFA voor 2018 te Alkmaar had afgegeven, luidt inhoudelijk hetzelfde als de polis die Wood eerder aan RFA voor 2018 had afgegeven. Het enige hier noemenswaardig (maar niet relevant) verschil is dat in de bepaling over “Storage” eerst was vermeld dat de “HW2015MC Insurance Conditions Marine Cargo” van toepassing zijn, terwijl in de door Acrisure afgegeven polis wordt verwezen naar de toepasselijkheid van de “Insurance Conditions Cargo All Risks, War & Strikes T1501”. In beide verzekeringsvoorwaarden is echter dezelfde (gelijkluidende) “Transit Clause” opgenomen. Deze luidt als volgt, voor zover hier van belang:
“8.1 (…), this insurance attaches from the time the subject-matter insured is first moved in the warehouse or at the place of storage (at the place named in the contract of insurance) for the purpose of the immediate loading into or onto the carrying vehicle or other conveyance for the commencement of transit, continues during the ordinary course of transit and terminates either
on completion of unloading from the carrying vehicle or other conveyance in or at the final warehouse or place of storage at the destination named in the contract of insurance,
on completion of unloading from the carrying vehicle or other conveyance in or at any other warehouse or place of storage, whether prior to or at the destination named in de contract of insurance, which the Assured or their employees elect to use either for storage other than in the ordinary course of transit or for allocation or distribution, or
when the Assured or their employees elect to use any carrying vehicle or other conveyance or any container for storage other than in the ordinary course of transit or
on the expiry of 60 days after completion of discharge overside of the subject-matter insured from the oversea vessel at the final port of discharge, whichever shall first occur.”
De goederentransportverzekering is in 2019 via Acrisure voortgezet en, op een wijziging van de maritieme tarieven na, ongewijzigd gebleven.
In juni 2019 heeft RFA verzocht om dekking onder de polis. De schademelding van RFA had te maken met de GBL-opslaglocatie. Volgens RFA was eerder dat jaar uit deze opslaglocatie een deel van de voorraad ferrochroom verdwenen en lag er eerder ferrochroom van inferieure kwaliteit opgeslagen. Een klant van RFA had haar op de inferieure kwaliteit van geleverd ferrochroom aangesproken.
Eind juli 2019 is in overleg met Achmea, op dat moment de leidende verzekeraar op de polis, besloten om onderzoeksbureau Gray Page in te schakelen om onderzoek te doen naar de oorzaak en omvang van de schade. Gray Page heeft op 24 oktober 2019 een tussentijds rapport opgemaakt. Volgens dit rapport was in de GBL-opslaglocatie 1.948,79 megaton ferrochroom verdwenen met als mogelijke oorzaken: diefstal, verduistering of wanbeheer van de voorraden.
Achmea heeft in september 2019 dekking onder de polis afgewezen, omdat de GBL-opslaglocatie niet is genoemd in artikel 15 van de polis (de “Storage-bepaling”) en de schade volgens Achmea ook niet viel onder de “Transit Clause”.
RFA, Acrisure en Achmea hebben daarna nog overleg gevoerd en gecorrespondeerd over de schade en de dekking daarvan.
Op 27 januari 2021 heeft RFA Achmea gesommeerd over te gaan tot schadeuitkering. Daarbij heeft RFA Achmea laten weten, met een beroep op de in artikel 50 van de polis opgenomen “Law and jurisdiction-bepaling”, dat zij haar vordering naar Engels recht beoordeeld wil zien.
RFA heeft Acrisure en Wood op dezelfde dag (27 januari 2021) aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade op grond van een schending van de zorgplicht. Dit voor zover de schade van RFA niet onder de polis zou zijn gedekt.
Achmea bleef dekking onder de polis weigeren. Acrisure en Wood hebben iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen.
3. Het geschil
in de hoofdzaak
RFA vordert, samengevat en na eiswijziging, dat de rechtbank ieder van de verzekeraars veroordeelt om zijn deel van de schade van RFA (van totaal
€ 5.392.700,30), aan RFA te betalen, te vermeerderen met rente. Als de rechtbank oordeelt dat de verzekeraars niet tot uitkering onder de polis hoeven over te gaan, dan vordert RFA dat de rechtbank voor recht verklaart dat Wood en/of Acrisure ten opzichte van RFA tekort zijn geschoten, althans onrechtmatig hebben gehandeld, en dat Wood en/of Acrisure zijn gehouden om aan RFA de schade te vergoeden die RFA daardoor heeft geleden. RFA vordert in dat geval ook dat de rechtbank Wood en/of Acrisure veroordeelt tot betaling van € 5.392.700,30, althans tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Ten slotte vordert RFA dat de rechtbank de verzekeraars (hoofdelijk), althans Wood en/of Acrisure in de proceskosten veroordeelt en dat de rechtbank dit vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad verklaart.
RFA baseert haar vorderingen tegen de verzekeraars (Achmea als leidende verzekeraar en de andere verzekeraars als volgverzekeraars) op nakoming van de verzekeringsovereenkomst, primair op artikel 15 van de polis die voor 2019 was afgegeven, en subsidiair op de “Transit Clause”. RFA stelt dat de goederentransportverzekering, waarop volgens RFA Engels recht van toepassing is, dekking biedt voor opslagrisico’s overal ter wereld. Het ferrochroom dat uit de GBL-opslaglocatie is verdwenen is volgens RFA daarmee gedekt. Dit geldt in de visie van RFA ook voor de schade die RFA heeft geleden doordat in de GBL-opslaglocatie ferrochroom van inferieure kwaliteit lag opgeslagen. RFA stelt dat haar verzekerde schade € 5.392.700,30 bedraagt.
RFA baseert haar vorderingen tegen Wood en Acrisure op wanprestatie en onrechtmatige daad. Daaraan legt RFA ten grondslag dat Wood en Acrisure hun zorgplicht tegenover RFA hebben geschonden, als blijkt dat haar schade niet onder de polis is gedekt. RFA maakt Wood en Acrisure in dit verband meerdere verwijten, die er in essentie op neerkomen dat Wood en Acrisure de dekkingsbehoefte van RFA niet of niet goed hebben vastgesteld. Volgens RFA had zij haar schade van € 5.392.700,30 wel uitgekeerd gekregen, als Wood en Acrisure hun zorgplicht niet hadden geschonden. De schade die RFA door de zorgplichtschendingen stelt te hebben geleden is gelijk aan de verzekeringsuitkering van € 5.392.700,30 die RFA is misgelopen.
De verzekeraars, Wood en Acrisure voeren verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen van RFA, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van RFA in de kosten van de procedure. Wood en Acrisure maken daarnaast aanspraak op wettelijke rente over de proceskosten.
De verzekeraars voeren onder meer aan dat Generali Deutschland Versicherung AG (gedaagde sub 6) ten onrechte is gedagvaard omdat zij geen volgverzekeraar op de polis is. Verder betogen de verzekeraars dat op de vorderingen van RFA Nederlands recht van toepassing is en dat artikel 15 van de polis zo moet worden uitgelegd dat risico’s in verband met langdurige opslag enkel zijn gedekt bij de in artikel 15 van de polis genoemde goedgekeurde opslaglocaties. Omdat de GBL-opslaglocatie niet in artikel 15 van de polis is genoemd, biedt artikel 15 van de polis volgens de verzekeraars geen dekking voor de gestelde schade. De gestelde schade is volgens de verzekeraars ook niet gedekt door de “Transit Clause”, omdat deze bepaling niet van toepassing is op zaken die bij GBL langdurig liggen opgeslagen. Ten slotte betwisten de verzekeraars de omvang van de schade.
Wood en Acrisure bestrijden dat zij hun zorgplicht hebben geschonden. Volgens Wood kan zij niet worden aangesproken omdat zij in 2019 geen assurantietussenpersoon meer van RFA was en de eerder via haar tot stand gekomen polis aansloot bij de wensen van RFA. Acrisure voert onder meer aan dat zij er in 2018 op mocht vertrouwen dat de polis aansloot bij de wensen van RFA en dat de gestelde schade zich heeft voorgedaan binnen de voor haar geldende respijttermijn. Ten slotte betwisten Wood en Acrisure het causaal verband en de omvang van de schade en doet Acrisure nog een beroep op eigen schuld van RFA.
De rechtbank zal in dit vonnis nader ingaan op de stellingen van partijen en de verweren als dat voor de beoordeling van de vorderingen nodig is.
in de vrijwaringszaken
Acrisure en Wood hebben in de vrijwaringszaken spiegelbeeldige vorderingen tegen elkaar ingesteld. In essentie vorderen Acrisure en Wood dat de rechtbank de ander veroordeelt tot betaling van datgene waartoe de rechtbank hen in de hoofdzaak mocht veroordelen. Verder vordert zowel Acrisure als Wood dat de rechtbank de ander in de kosten veroordeelt en dat de rechtbank dit vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad verklaart.
Acrisure en Wood voeren over en weer verweer. Zij concluderen tot afwijzing van de vorderingen van de ander, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de ander in de kosten van de procedure.
De rechtbank zal in dit vonnis ingaan op de stellingen van partijen als dat voor de beoordeling van de vorderingen nodig is.
4. De beoordeling
in de hoofdzaak - de vorderingen tegen de verzekeraars
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De zaak tegen de verzekeraars heeft een internationaal karakter. De rechtbank zal daarom eerst moeten beoordelen of de Nederlandse rechter over het geschil mag oordelen en, als dat het geval is, welk recht van toepassing is.
Voor de rechtsmacht en het toepasselijk recht kijkt de rechtbank naar artikel 50 van de voor 2019 afgegeven polis. Artikel 50 van de polis luidt:
“LAW AND JURISDICTION:
This policy is subject to Dutch Law and Practise. However, the applicability to this Marine Cargo Open Cover of the General Insurance Conditions Marine Cargo T1501 notwithstanding and in derogation from art. 16 Part 1 thereof, the party who has title to the goods and qualifies as Assured under this policy, has the right to require that claims - if any - will be settled in accordance with English Law and Practise, as if the relative policy or certificate had been signed in London on the MAR Policy Form. All disputes arising out of this policy shall be submitted to the competent court at the place where this policy is issued.”
RFA en de verzekeraars zijn het met elkaar eens dat zij in artikel 50 van de polis een forumkeuze voor deze rechtbank hebben gemaakt. De rechtbank volgt partijen daarin, omdat Alkmaar de plaats is waar de polis is afgegeven (“the place where this policy is issued”). Dit betekent dat de rechtbank op grond van artikel 25 Brussel I-bis en (als het gaat om Starstone Insurance SE op grond van) artikel 8 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevoegd is om de vorderingen van RFA te beoordelen.
Ook zijn RFA en de verzekeraars het met elkaar eens dat zij in artikel 50 van de polis een rechtskeuze hebben gemaakt. RFA vindt echter dat hier de keuze voor Engels recht geldt, omdat het in deze zaak gaat om haar “claim” die zij naar Engels recht beoordeeld wil zien. De verzekeraars daarentegen menen dat de keuze voor Nederlands recht geldt, omdat het bij de beoordeling van de vorderingen van RFA gaat om de principiële uitleg van een cruciale dekkingsclausule van de polis en de polis volgens artikel 50 van de polis is onderworpen aan Nederlands recht.
De rechtbank is van oordeel dat voor het bepalen van de reikwijdte van de dekkingsclausules RFA en de verzekeraars in artikel 50 van de polis hebben gekozen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht. Dit betekent dat de rechtbank het beroep van RFA op de dekkingsclausules op grond van artikel 3 lid 1 in samenhang met artikel 7 lid 2 Rome I zal beoordelen aan de hand van Nederlands recht. De rechtbank legt dit uit.
RFA en de verzekeraars hebben in artikel 50 van de polis afgesproken dat op de polis Nederlands recht van toepassing is. De polis is de schriftelijke weergave van de verzekeringsovereenkomst en de daaruit voortvloeiende rechten en plichten van partijen. Het geschil tussen RFA en de verzekeraars draait om de vraag of risico’s die verband houden met opslaglocaties van RFA die niet in artikel 15 worden genoemd, onder artikel 15 zijn gedekt of (subsidiair) onder de reikwijdte van de “Transit Clause” vallen. Het gaat dus in de eerste plaats om de vaststelling van welke rechten en plichten in zijn algemeenheid uit de verzekeringsovereenkomst, meer specifiek uit de dekkingsclausules, voortvloeien. Daarmee gaat het geschil over de polis, waarop Nederlands recht van toepassing is. Pas als de reikwijdte van de dekkingsclausules is vastgesteld, kan de daarop gebaseerde “claim” op grond van artikel 50 van de polis naar Engels recht worden afgehandeld (“settled”).
Dekking onder de polis?
Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag waar deze zaak om draait: dekt artikel 15 van de polis opslagrisico’s voor de GBL-opslaglocatie?
Voor het antwoord op deze vraag moet de rechtbank artikel 15 gaan uitleggen. De rechtbank moet dan niet alleen kijken naar de letterlijke tekst van artikel 15. Het gaat erom welke zin partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan artikel 15 mochten toekennen en wat zij wat dat betreft redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Kort gezegd: wat waren de (over en weer) kenbare bedoelingen van partijen? Daarbij moeten alle relevante omstandigheden van het geval worden betrokken.
De rechtbank roept in herinnering wat in artikel 15 van de polis, die voor 2019 is afgegeven, staat:
“15. STORAGE:
Storage risks are included in this policy whether or not the storage is incidental to an associated transit also covered hereunder. Such storage may be anywhere in the world.
Coverage shall be for All Risks as per Insurance Conditions Cargo All Risks, War & Strikes T1501. Claims in respect of shortage and/or contamination for goods stored in bulk, subject to a deductible of 0,5%.
The following storage locations have been approved by Insurers:
The Netherlands
Steinweg Rotterdam
Parmentierplein 1 3088 GN Rotterdam
The Netherlands
Pacorini Metals
Monacoweg 2 (harbour 9310) 4455 SZ Nieuwdorp
Ook al heeft RFA gelijk dat de tekst van artikel 15 zo kan worden gelezen dat opslagrisico’s van RFA overal ter wereld zijn gedekt, volgt de rechtbank deze uitleg van artikel 15 niet. De uitleg van RFA komt er namelijk op neer dat de verzekeraars zomaar, zonder nadere voorwaarden of te weten om welke opslaglocaties het gaat, risico’s van (langdurige) opslag overal ter wereld zouden dekken. De rechtbank vindt het hoogst onwaarschijnlijk dat partijen dit hebben bedoeld. De uitleg van RFA verklaart ook niet waarom artikel 15 ook twee locaties vermeldt die goedgekeurd zijn door de verzekeraars (“approved by Insurers”). Artikel 15 moet aldus worden uitgelegd dat dit artikel alleen dekking biedt voor risico’s in verband met (langdurige) opslag bij de twee genoemde en goedgekeurde opslaglocaties (Steinweg en Pacorini). Dat partijen die bedoeling hebben gehad blijkt ook uit de wijze waarop de polis eind december 2015 tot stand kwam, in het bijzonder uit de e-mailcorrespondentie van 18 en 19 november 2015 die de rechtbank in 2.6 tot en met 2.9 van dit vonnis heeft weergegeven. De in artikel 15 opgenomen “Storage-bepaling” stond al in de “Quotation” die Wood ( [P.] ) namens RFA op 18 november 2015 naar XL Catlin als beoogd leidend verzekeraar had gestuurd. Naar aanleiding van de begeleidende mail van Wood van 18 november 2015 en de meegestuurde “Quotation” heeft XL Catlin op 19 november 2015 bij Wood gecheckt of het wel de bedoeling was dat onder de “Storage-bepaling” slechts de twee genoemde opslaglocaties Steinweg en Pacorini zouden vallen en andere opslagrisico’s, anders dan wanneer de opslag onder de “Transit Clause” zou vallen, dus niet zouden zijn gedekt. Wood heeft hier als vertegenwoordiger van RFA bevestigend op geantwoord.
Omdat het dus voor RFA en de verzekeraars duidelijk was dat risico’s in verband met (langdurige) opslag alleen zouden zijn verzekerd bij de opslaglocaties Steinweg en Pacorini die in artikel 15 als goedgekeurde opslaglocaties zijn genoemd en dit in de polis tot aan de schademelding in 2019 ook niet is gewijzigd, zijn risico’s in verband met langdurige opslag bij de GBL-opslaglocatie dus niet gedekt. De verzekeraars hebben daarom terecht dekking onder artikel 15 van de polis geweigerd.
De rechtbank oordeelt dat ook de “Transit Clause” geen dekking biedt voor de gestelde schade. Opslagrisico’s zijn op grond van de “Transit Clause” namelijk alleen verzekerd als het ferrochroom wordt opgeslagen “in the ordinary course of transit”. Dat was voor het betreffende ferrochroom in de GBL-opslaglocatie duidelijk niet het geval. RFA gebruikte de GBL-opslaglocatie niet om het ferrochroom tijdens het transport tussentijds op te slaan. RFA sloeg het ferrochroom op om haar voorraad op peil te houden, zodat RFA orders van klanten efficiënt kon uitvoeren. Het hier relevante ferrochroom lag er volgens de onweersproken stelling van de verzekeraars bovendien al sinds 2011, 2017, 2018 en (voor een klein deel) sinds de eerste twee maanden van 2019. Hoe bij dit ferrochroom desondanks sprake kan zijn geweest van tussentijdse opslag tijdens het transport, heeft RFA niet duidelijk gemaakt. RFA heeft haar beroep op de “Transit Clause” dan ook onvoldoende gemotiveerd.
Dit betekent dat de rechtbank alle vorderingen van RFA tegen de verzekeraars zal afwijzen. De punten die partijen verder verdeeld houden, kunnen gelet op deze uitkomst onbesproken blijven. Omdat de verzekeraars onder de polis geen dekking hoeven te verlenen, komt de rechtbank toe aan de vorderingen tegen Wood en Acrisure.
in de hoofdzaak - de vorderingen tegen Wood
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De rechtbank oordeelt dat aan de Nederlandse rechter in ieder geval op grond van artikel 6 sub a Rv rechtsmacht toekomt als het gaat om de vorderingen tegen Wood die zijn gebaseerd op wanprestatie. De bevoegdheid om over de vorderingen op grond van onrechtmatige daad te oordelen, ontleent de rechtbank aan het feit dat Wood is verschenen zonder de rechtsmacht van de Nederlandse rechter te betwisten (artikel 9 sub a Rv). Omdat verder ook de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank niet ter discussie staat, acht de rechtbank zich bevoegd om van de vorderingen van RFA tegen Wood kennis te nemen.
Dat Nederlands recht op de vorderingen tegen Wood van toepassing is, is niet in geschil. De toepasselijkheid van het Nederlandse recht volgt in ieder geval (voor de vorderingen op grond van wanprestatie) uit artikel 19 lid 2 in samenhang met artikel 4 lid 1 sub b Rome I en (voor de vorderingen op grond van onrechtmatige daad) uit artikel 4 lid 3 dan wel artikel 12 Rome II.
Heeft Wood haar zorgplicht geschonden?
RFA baseert haar vorderingen tegen Wood op de stelling dat Wood haar (doorlopende) zorgplicht heeft geschonden. Daaraan legt RFA ten grondslag dat Wood haar dekkingsbehoefte niet of niet goed heeft vastgesteld. Volgens RFA was het namelijk nooit haar bedoeling dat slechts de opslaglocaties Steinweg en Pacorini op grond van de “Storage-bepaling” zouden worden gedekt. RFA wilde al haar opslaglocaties wereldwijd gedekt hebben, zoals ook het geval was bij haar in 2015 geldende goederentransportverzekering die RFA via Aon had gesloten, aldus RFA.
De rechtbank oordeelt dat Wood haar zorgplicht tegenover RFA niet heeft geschonden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
De rechtbank stelt voorop dat niet is komen vast te staan dat de goederentransportverzekering die RFA in 2015 via Aon had lopen alle opslagrisico’s van RFA over de hele wereld dekte. Wood betwist namelijk dat deze goederentransportverzekering wereldwijde dekking gaf voor risico’s verbonden aan (langdurige) opslag. De door RFA gestelde wereldwijde dekking blijkt nergens uit, terwijl RFA de betreffende Aon-polis ook niet in het geding heeft gebracht. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van RFA dat zij dezelfde wereldwijde opslagdekking wenste als zij op grond van de Aon-polis had.
Wood heeft gelijk dat de wens van RFA om alle opslagrisico’s overal ter wereld te verzekeren ook nergens uit blijkt. Die wens heeft AMG namens RFA in ieder geval niet tegen Wood geuit toen [S.] AMG op 2 november 2015 expliciet vroeg naar de dekkingsbehoefte van RFA als het gaat om opslagrisico’s. Anders dan RFA heeft betoogd, heeft [S.] toen dus wel degelijk de dekkingsbehoefte van RFA wat betreft opslagrisico’s geïnventariseerd. In de e-mail van [S.] van 2 november 2015 ter zake, die de rechtbank in 2.4 van dit vonnis heeft weergegeven, vraagt [S.] immers: “Could you please advise/confirm the storage exposures? (names and address of the locations and quantity in storage in each location)”. Deze vraag was niet beperkt tot opslaglocaties met grote hoeveelheden, zoals RFA meent. Het was vervolgens aan RFA om Wood te laten weten welke opslaglocaties zij wilde verzekeren, waarbij RFA in aanmerking diende te nemen dat Wood niet beschikte over “any information history”, zoals [S.] AMG in de e-mail van 2 november 2015 had laten weten. Toen AMG [S.] op 9 november 2015 de gegevens doorgaf van de opslaglocatie Steinweg en die van de niet eerder door AMG of [S.] genoemde opslaglocatie Pacorini, mocht [S.] ervan uitgaan dat RFA slechts de opslagrisico’s voor deze twee opslaglocaties wilde verzekeren. Dat RFA eigenlijk anders wilde, is niet af te leiden uit de schadehistorie die AMG [S.] op 9 november 2015 stuurde.
Verder vindt de rechtbank van belang dat volgens de eigen stellingen van RFA AMG op 16 november 2015 aan Aon een “Stock Status Report” van RFA heeft toegestuurd. Dit “Stock Status Report” bevat gegevens van meerdere opslaglocaties van RFA, waaronder de GBL-opslaglocatie. Deze informatie zou AMG aan Aon hebben verstrekt in het kader van de met Aon gevoerde gesprekken over de verlenging van de goederentransport-verzekering van RFA per 1 januari 2016. Daaruit leidt de rechtbank af dat AMG, en dus RFA, wist dat zij de gegevens van een opslaglocatie aan haar verzekeringsmakelaar moest doorgegeven als zij wilde dat de daaraan verbonden (langdurige) opslagrisico’s zouden worden gedekt. De gegevens van de GBL-opslaglocatie heeft RFA aan Wood echter niet verstrekt, ook niet toen de polis met ingang van 1 januari 2018 werd verlengd.
In het licht van voormelde feiten en omstandigheden ziet de rechtbank niet dat Wood enige op haar rustende (doorlopende) zorgplicht heeft geschonden. Van een tekortschieten of onrechtmatig handelen van Wood is daarom geen sprake. Dit betekent dat de rechtbank al om die reden de vorderingen van RFA tegen Wood zal afwijzen.
in de hoofdzaak - de vorderingen tegen Acrisure
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Acrisure is gevestigd in Alkmaar. De Nederlandse rechter heeft daarom op grond van artikel 4 lid 1 Brussel-I bis rechtsmacht om over de vorderingen tegen Acrisure te oordelen. Deze rechtbank is ook relatief bevoegd.
Dat Nederlands recht op de vorderingen tegen Acrisure van toepassing is, is niet in geschil. De toepasselijkheid van het Nederlandse recht volgt (voor de vorderingen op grond van wanprestatie) uit artikel 19 lid 2 in samenhang met artikel 4 lid 1 sub b Rome I en (voor de vorderingen op grond van onrechtmatige daad) uit artikel 4 lid 3 dan wel artikel 12 Rome II.
Heeft Acrisure haar zorgplicht geschonden?
RFA baseert haar vorderingen tegen Acrisure op de stelling dat Acrisure haar zorgplicht heeft geschonden. Net als in de zaak tegen Wood, legt RFA daaraan ten grondslag dat Acrisure de dekkingsbehoefte van RFA niet of niet goed heeft vastgesteld omdat de opslagrisico’s voor de GBL-opslaglocatie niet bleken gedekt.
De rechtbank oordeelt dat van een zorgplichtschending geen sprake is, kort gezegd, omdat Acrisure ervan uit mocht gaan dat er naast de opslaglocaties Steinweg en Pacorini geen andere opslaglocaties hoefden te worden verzekerd. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom.
Acrisure heeft de assurantieportefeuille van Wood met ingang van 1 maart 2018 overgenomen. De contactpersonen die RFA bij Wood had, te weten [S.] en [P.] , gingen mee over naar Acrisure. Feitelijk zetten [S.] en [P.] het beheer van de goederentransportverzekering van RFA bij Acrisure voort. Dat Acrisure de nieuwe verzekeringsmakelaar van RFA werd, betekent dus niet dat Acrisure zich meer dan Wood had moeten verdiepen in de dekkingsbehoefte van RFA. Wat [P.] en [S.] wisten van de goederentransportverzekering uit hun “Wood-periode” kan immers aan Acrisure worden toegerekend. Daar komt bij dat Acrisure ter zitting van 25 september 2025 heeft gesteld dat de polis ter gelegenheid van de verlenging (of “renewal”) per 1 januari 2018 nog door [S.] en [P.] was gecontroleerd. Volgens Acrisure was onderdeel van die controle dat RFA haar verwachte omzet voor 2018 aan [S.] doorgaf, waarbij een verhoogde of verlaagde omzet erop kon duiden dat RFA behoefte had aan een gewijzigde transport- of opslagdekking. De omzet die RFA vervolgens doorgaf, gaf [S.] volgens Acrisure echter geen aanleiding te denken dat de polis niet meer aansloot bij de wensen van RFA. Dit alles heeft RFA ter zitting niet weersproken, wat betekent dat de rechtbank ervan uit gaat dat [S.] de dekkingsbehoefte van RFA kort voor de overname van Acrisure op deze manier nog heeft gecontroleerd. Bovendien geldt ook hier dat het ervoor moet worden gehouden dat RFA wist dat zij de gegevens van de GBL-opslaglocatie aan Acrisure moest doorgeven als zij wilde dat de daaraan verbonden (langdurige) opslagrisico’s zouden worden gedekt (zie 4.20 van dit vonnis).
De rechtbank ziet daarom ook wat Acrisure betreft niet dat sprake is van een zorgplichtschending. Omdat Acrisure dus niet tekort is geschoten of onrechtmatig heeft gehandeld, zal de rechtbank de vorderingen van RFA tegen Acrisure afwijzen.
Ook als de rechtbank tot de conclusie was gekomen dat Acrisure de dekkingsbehoefte van RFA onvoldoende heeft vastgesteld en daarom haar zorgplicht heeft geschonden, had de rechtbank de vorderingen van RFA afgewezen. De rechtbank acht het namelijk niet aannemelijk dat RFA, als Acrisure RFA explicieter naar haar dekkingsbehoefte had gevraagd, risico’s verbonden aan de (langdurige) opslag in de GBL-opslaglocatie had verzekerd. RFA heeft er na haar schademelding namelijk voor gekozen om deze opslagrisico’s vanaf 2020 helemaal niet meer te verzekeren.
en verder in de hoofdzaak
Proceskosten
RFA is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
De rechtbank begroot de proceskosten van de verzekeraars, die RFA moet betalen, op:
- griffierecht
€
8.519,00
- salaris advocaat
€
8.714,00
(2,0 punten × € 4.357,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
17.411,00
De rechtbank begroot de proceskosten van Wood, die RFA moet betalen, op:
- griffierecht
€
8.519,00
- salaris advocaat
€
8.714,00
(2,0 punten × € 4.357,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
17.411,00
De rechtbank begroot de proceskosten van Acrisure, die RFA moet betalen, op:
- griffierecht
€
8.519,00
- salaris advocaat
€
8.714,00
(2,0 punten × € 4.357,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
17.411,00
De door Wood en Acrisure gevorderde wettelijke rente over de proceskosten, zal de rechtbank toewijzen zoals in de beslissing is vermeld.
in de vrijwaringszaken
De vorderingen die RFA in de hoofdzaak tegen Wood en Acrisure heeft ingesteld, zijn niet toewijsbaar. Daarom zal de rechtbank de vorderingen van Wood en Acrisure in de vrijwaringszaken afwijzen.
Omdat het in de vrijwaringszaken om spiegelbeeldige vorderingen gaat, zal de rechtbank de proceskosten in beide vrijwaringszaken compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak
verstaat dat de zaak tussen RFA en Canopius is doorgehaald,
wijst de vorderingen van RFA af,
veroordeelt RFA in de proceskosten van de verzekeraars van € 17.411,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als RFA niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt RFA in de proceskosten van Wood van € 17.411,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als RFA niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt RFA in de proceskosten van Acrisure van € 17.411,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als RFA niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt RFA tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de in 5.4 en 5.5 genoemde proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis voor de onderdelen 5.3 tot en met 5.6 uitvoerbaar bij voorraad,
in de vrijwaringszaken
wijst de vorderingen van Wood en Acrisure af,
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots (voorzitter), mr. J.H. Gisolf en mr. J.S. Reid, bijgestaan door mr. N.M. Bindhammer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op
14 januari 2026.