RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/003116-23 en 15/128709-23 (ttz gev) (P)
Uitspraakdatum: 24 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 februari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres].
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. C.J. Booij en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. J.T.H.M. Mühren, advocaat te Purmerend, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd wat in de dagvaardingen met de parketnummers 15/003116-23 en 15/128709-23 is omschreven. Deze tenlasteleggingen zijn opgenomen in Bijlage 1. Samengevat wordt de verdachte van de volgende tenlastegelegde feiten verdacht:
(Parketnummer 15/003116-23)
Feit 1:
Feit 2: een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, door op 12 november 2022 in Volendam meerdere keren een barkruk te gooien richting een groep mensen;
Feit 3: openlijk geweld, door op 12 november 2022 aan de Meerzijde in Volendam in vereniging geweld te plegen tegen personen en goederen;
Feit 4: openlijk geweld, door op 18 mei 2023 aan de Stationsweg in Alkmaar in vereniging geweld te plegen tegen personen en goederen;
Feit 5: openlijk geweld, door op 18 mei 2023 in het AFAS-stadion in Alkmaar rond de voetbalwedstrijd AZ-West Ham United in vereniging geweld te plegen tegen personen en goederen;
(Parketnummer 15/128709-23)
Feit 6 (doorgenummerd): lokaalvredebreuk, door op 21 april 2023 het voetbalstadion van FC Volendam binnen te gaan terwijl hem een landelijk stadionverbod was opgelegd.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair. Ten aanzien van feit 1 meest subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor de feiten 2, 3, 4, 5 en 6 heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. De verweren zullen, voor zover relevant, bij de beoordeling van het bewijs besproken worden.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1
Op 8 oktober 2022 heeft er een confrontatie tussen de verdachte en de heer [benadeelde] (hierna: de aangever) plaatsgevonden voor de deur van [pleeglokatie 1] in Volendam. Toen de aangever naar buiten liep, heeft de verdachte de aangever lichtjes op het hoofd getikt, waarna de aangever de verdachte een duw gaf. De verdachte heeft hierop gereageerd door de aangever tegen de voorkant van het lichaam te schoppen, als gevolg waarvan de aangever zittend op de grond belandde. Toen de aangever probeerde op te staan (terwijl hij op zijn knieën zat), heeft de verdachte met zijn hand nog tweemaal tegen de achterkant van het hoofd, dan wel de nek van de aangever geslagen. De aangever is slap geworden en is vervolgens naar voren omgevallen en met zijn gezicht op de straat terecht gekomen. Dit heeft geleid tot flinke gebitsschade.
Vrijspraak feit 1 primair (poging tot doodslag) Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft gepleegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank kan namelijk niet vaststellen dat de verdachte de aangever op enig moment tegen het hoofd heeft geschopt. Dit blijkt niet uit de camerabeelden die zijn gevoegd in het dossier en die op de zitting zijn bekeken. De rechtbank stelt vast dat op die beelden niet te zien is dat de verdachte de aangever tegen het hoofd trapt. De resterende geweldshandelingen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen concluderen dat de verdachte het (voorwaardelijk) opzet op de dood van de aangever heeft gehad.
Vrijspraak feit 1 subsidiair (zware mishandeling) en meer subsidiair (poging zware mishandeling)
Ook ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Voor een bewezenverklaring van (een poging tot) zware mishandeling is (naast de vraag of het letsel kwalificeert als ‘zwaar lichamelijk letsel’) van belang of de verdachte ‘vol’ of ‘voorwaardelijk’ opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangever.
Van vol opzet is sprake als iemand willens en wetens handelde. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat de verdachte de intentie heeft gehad om zwaar lichamelijk letsel aan de aangever toe te brengen. Van vol opzet is daarom geen sprake.
Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zwaar lichamelijk letsel door zijn handelen zal intreden. Of in een concreet geval sprake is van een aanmerkelijke kans op dergelijk letsel, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.
De geweldshandelingen die de verdachte heeft verricht, betreffen één trap tegen het lichaam en twee klappen met de blote hand op het achterhoofd of nek van de aangever. De aangever komt na de trap op zijn billen op de grond terecht en probeert omhoog te komen. Als hij op zijn knieën zit, krijgt hij de twee klappen op het achterhoofd of nek van de aangever. Hierop wordt de aangever direct slap en valt hij naar voren en komt met zijn gezicht op de straat terecht.
De rechtbank is van oordeel dat de geweldshandelingen: het geven van een trap en twee klappen met de blote hand op het achterhoofd of nek, naar algemene ervaringsregels niet de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel opleveren. Daarbij is ook van belang dat het letsel aan het gezicht niet is ontstaan door een directe krachtsinwerking van de gegeven trap of klappen door de verdachte. Dit letsel is ontstaan na een (ongelukkige) val op grond, nadat de aangever bewusteloos was geraakt. De trap en de twee klappen die de verdachte heeft gegeven, zijn niet met dusdanige kracht gegeven en de raakplekken zijn niet dusdanig, dat het een reële en niet onwaarschijnlijke mogelijkheid was, dat de aangever hierdoor bewusteloos zou raken (en als gevolg daarvan zou vallen). Uit de uiterlijke verschijningsvorm van de geweldshandelingen valt dan ook niet zonder meer af te leiden dat de verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust zou hebben aanvaard.
De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat geen sprake is van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel bij de aangever (en dus niet ook van een poging daartoe) en spreekt de verdachte vrij van het onder 1 subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.
Vrijspraak feit 5 (openlijk geweld in het AFAS-stadion in Alkmaar)
De rechtbank spreekt de verdachte ook vrij van wat hem onder feit 5 ten laste is gelegd. Zij overweegt daartoe het volgende.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en de behandeling op de terechtzitting het volgende vast. Op het einde van de wedstrijd van AZ tegen West Ham United in het AFAS-stadion op 18 mei 2023 is een grote groep AZ-‘supporters’ naar de hoofdtribune getrokken en heeft zich daar op gewelddadige wijze gekeerd tegen onder meer supporters, stewards en leden van de Mobiele Eenheid (hierna: ME), en is met hen in gevecht gegaan. Een deel van die AZ-supporters is naar de hoofdtribune gegaan over een hek dat door een aantal personen uit de groep met geweld naar beneden was getrokken. De verdachte was die dag op de zogenoemde Van der Ben-tribune in het AFAS-stadion aanwezig. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de verdachte op enig moment op de hoofdtribune is geweest, aan het hek heeft getrokken of over het hek heen is gegaan. Wel stond hij op enig moment na de wedstrijd onderaan de Van der Ben-tribune in een groep mensen tegenover de ME. Hij heeft toen zijn armen in de lucht gestoken en personen richting de ME geduwd. Niet is vast komen te staan dat de verdachte op enig moment geweld heeft gebruikt.
De vraag is of de verdachte met deze handelingen zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld. Van het in vereniging plegen van openlijk geweld is sprake als een verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. Deze bijdrage hoeft op zichzelf niet van gewelddadige aard te zijn, maar het alleen getalsmatig versterken van een groep is in beginsel niet voldoende. Ook hoeft een verdachte niet alle tenlastegelegde handelingen zelf te hebben gepleegd.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte niet als onderdeel van de groep supporters die over het hek naar de hoofdtribune is getrokken kan worden beschouwd. Er is immers geen aanwijzing dat hij hier op enig moment bij is geweest. Dit betekent dat de verdachte in ieder geval moet worden vrijgesproken van de eerste negen gedachtestreepjes van de tenlastelegging, die naar het oordeel van de rechtbank betrekking hebben op het geweld op en rond de hoofdtribune. De resterende gedachtestreepjes, die naar de rechtbank aanneemt zien op de confrontatie met de ME bij de Van der Ben-tribune waar de verdachte wel aanwezig was, bevatten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende geweldshandelingen om te kunnen spreken van openlijk geweld. Dit betekent dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 5 tenlastegelegde.
Bewijsmiddelen en bewijsmotivering
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 meest subsidiair, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen in Bijlage 2 bij dit vonnis. Voor feit 1 meest subsidiair volstaat de rechtbank met een verwijzing naar de bewijsmiddelen. Voor de overige bewezenverklaarde feiten licht de rechtbank dit als volgt toe.
3.3.3.1 Feit 2 (poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel in Volendam) en Feit 3 (openlijke geweldpleging)
Op 12 november 2022 vond er een voetbalwedstrijd plaats tussen FC Volendam en FC Utrecht, waarbij een aantal FC Utrecht supporters (tegen het verbod van de Burgermeester in) in de horeca van Volendam aanwezig was. Dit heeft geleid tot confrontaties tussen supporters van FC Volendam en FC Utrecht in het uitgaansgebied van Volendam, waarbij er onder meer over en weer met spullen is gegooid. Uit de beschrijving van camerabeelden blijkt dat de verdachte die dag bij een confrontatie bij [pleeglokatie 2] aanwezig is geweest. De verdachte heeft tweemaal een houten barkruk (bovenhands) van een redelijke korte afstand (5 meter of minder) richting de groep FC Utrecht supporters gegooid. Daarbij heeft hij bij de tweede worp een FC Utrecht supporter geraakt. Het is niet bekend of deze persoon daaraan letsel heeft overgehouden. Ook werd er door de groep FC Volendam supporters richting de FC Utrecht supporters met een fiets gegooid.
Feit 2 (poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel)
De vraag is of de verdachte door het gooien van de barkruk zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is.
Voor een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling is van belang of de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan (één van) de FC Utrecht supporters. Het juridisch kader van (voorwaardelijk) opzet heeft de rechtbank hiervoor bij de behandeling van de vrijspraak van feit 1 primair en (meer) subsidiair uitgeschreven en dat kader geldt hier ook.
Van vol opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is niet gebleken, omdat nergens uit blijkt dat de verdachte de intentie heeft gehad om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan een ander.
Wel heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank daartoe het voorwaardelijk opzet gehad. De barkruk waarmee de verdachte tweemaal (bovenhands) gooide, betreft een grote houten barkruk en de verdachte heeft verklaard dat de barkruk in kwestie best stevig was, waaruit de rechtbank afleidt dat deze redelijk zwaar was. De verdachte heeft de barkruk van met kracht gegooid (zo blijkt onder andere uit de bovenhandse gooi) en heeft aldus de afstand van 5 meter of minder tot de FC Utrecht supporters weten te overbruggen. Er bestaat naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel indien een dergelijke barkruk tegen iemands hoofd of lichaam wordt aangegooid. De verdachte heeft de barkruk twee keer richting de groep FC Utrecht supporters gegooid. Na de eerste bovenhandse gooi vanaf een meter of 5, waarbij niemand werd geraakt, heeft de verdachte de barkruk nog een keer opgepakt en van dichterbij gegooid naar een FC Utrecht supporter, die hierdoor wel werd geraakt. Door zo te handelen heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op het zwaar lichamelijk letsel ook bewust aanvaard.
Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Dat niet bekend is wie de FC Utrecht supporter is die door de barkruk is geraakt, hoe hard deze persoon is geraakt en wat zijn letsel is, zoals door de verdediging is aangevoerd, maakt dit niet anders. Dit verweer wordt verworpen.
Feit 3 (openlijke geweldpleging)
De confrontatie vanuit de groep FC Volendam supporters (waartoe de verdachte behoorde) richting de groep FC Utrecht supporters is ook tenlastegelegd als openlijke geweldpleging. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat uit het dossier niet blijkt van (met een broekriem) slaan of schoppen door FC Volendam supporters. Van dit deel van de tenlastelegging moet de verdachte daarom partieel worden vrijgesproken.
Ook spreekt de rechtbank de verdachte partieel vrij van het in het water duwen van personen. Hoewel de rechtbank op basis van het dossier vaststelt dat een FC Utrecht supporter op de Meerzijde in Volendam door een FC Volendam supporter in het water is geduwd, kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte toen al deel uitmaakte van de groep FC Volendam supporters. Hij is hier niet herkend op camerabeelden en niet valt uit te sluiten dat hij zich op dat moment nog in het café bevond en zich pas later bij de groep heeft gevoegd.
3.3.3.2 Feit 4 (openlijke geweldpleging op de Stationsweg in Alkmaar)
Op 18 mei 2023 heeft er op de Stationsweg in Alkmaar een confrontatie tussen voetbalsupporters van AZ en West Ham United plaatsgevonden. Bij die confrontatie is door de AZ supporters onder meer tegen een stoel getrapt, een riem uit een broeksband gehaald om daarmee te slaan (of dit te proberen) en met een stoel gegooid richting de supporters van West Ham United. Daarmee heeft de groep AZ supporters zich naar oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld.
De vraag is of de verdachte onderdeel uitmaakte van de groep AZ supporters. De verdachte heeft verklaard dat hij die dag wel in het AZ stadion was en een oranje/zwarte bivakmuts bij zich had, maar niet bij de confrontatie op de Stationsweg is geweest. De rechtbank komt tot het oordeel dat de verdachte wel onderdeel uitmaakte van de supportersgroep van AZ die op de Stationsweg openlijk geweld heeft gepleegd, onder meer op basis van diverse herkenningen in het dossier. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van herkenningen staat steeds voorop dat daarbij behoedzaamheid betracht dient te worden. Factoren zoals intensiteit en frequentie van eerdere contacten met de verdachte, de vraag hoe recent die contacten zijn geweest, de vraag of bewegende beelden dan wel foto’s (stills) zijn bekeken, de kwaliteit van de beelden en wat daarop van de verdachte is te zien en de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen (in onderling overleg of onafhankelijk van elkaar en met of zonder voorinformatie) zijn in dit verband van belang.
Herkenning van een persoon op beeld vindt plaats op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld en niet slechts op basis van een gezicht, maar ook op grond van andere kenmerken zoals haardracht, lengte, postuur, houding, kleding en accessoires en – wanneer het bewegend beeld betreft – de manier van bewegen. Aldus spelen verschillende elementen daarbij een rol, waarbij steeds sprake is van een ‘holistisch’ proces, dat naar zijn aard moeilijk in objectief verifieerbare elementen is op te delen en niet altijd onder woorden is te brengen. Dat moeilijk te rationaliseren holistische karakter maakt ook dat het enkele feit dat de kwaliteit van de camerabeelden te wensen overlaat of dat de verdachte daar maar ten dele op valt te zien, niet hoeft te betekenen dat de herkenning onbetrouwbaar is. Een van de factoren die de betrouwbaarheid van een herkenning positief kunnen beïnvloeden, is de mate van bekendheid met de waargenomen persoon. Hoe meer men van de betrokken persoon een beeld heeft/hoe beter men de betrokken persoon kent, des te minder visuele informatie nodig is voor een betrouwbare herkenning. Wie iemand goed kent, heeft immers maar weinig nodig om hem of haar te herkennen.
Verbalisant TO040724 heeft in het door hem opgemaakte proces-verbaal verklaard dat hij op de aan hem 4 juli 2023 toegestuurde fotostills in het onderzoek Berkley II (zijnde het onderzoek naar de confrontatie op de Stationsweg te Alkmaar) de daarop afgebeelde persoon herkent als de verdachte. De rechtbank stelt vast dat deze fotostills zijn gemaakt uit de bewegende beelden, die zijn gemaakt van de confrontatie op de Stationsweg. Op die beelden is een persoon met een oranje/zwart gekleurde bivakmuts te zien, die deze na de confrontatie afzet en waarna zijn gezicht zichtbaar wordt. Op de twee fotostills die zijn opgenomen in het proces-verbaal van herkenning, is deze persoon met de oranje/zwarte bivakmuts te zien en diezelfde persoon na het afzetten van deze bivakmuts, dus zonder gezichtsbedekking.
In dit proces-verbaal verklaart verbalisant TO040724 dat hem is gevraagd naar de twee fotostills te kijken, waarbij hij onder meer het volgende verklaart:
hij herkent de verdachte ambtshalve op de fotostills;
[verdachte] heeft een landelijk stadionverbod in verband met recent door hem gepleegde voetbalgerelateerde misdrijven. Bij het onderzoek naar deze misdrijven is hij nauw betrokken geweest. Zodoende heeft hij recent met [verdachte] te maken gehad;
hij herkende de verdachte onmiddellijk en voor de volle honderd procent aan zijn gezicht, zijn dieper liggende oogkassen waarbij zijn wenkbrauwen markant naar voren steken boven zijn ogen en zijn opgeschoren haardracht;
nadat hij de verdachte herkend had, vergeleek hij de ontvangen fotostills met een foto van de verdachte gemaakt op 20 mei 2023 bij het zogenaamde handhavingsfeest van FC Volendam te Volendam. Op deze foto is [verdachte] te zien met dezelfde opgeschoren haardracht.
In zijn getuigenverhoor bij de rechter-commissaris verklaart verbalisant TO040724 dat hij de foto’s individueel heeft bekeken, dat hij voorafgaand niet met collega’s over de herkenning heeft gesproken, dat hij de verdachte al zeker 16 jaar kent, dat hij al 18 jaar bij de voetbaleenheid werkt en dat hij de verdachte in elk geval vanaf het seizoen 2008-2009 kent. In de beginjaren vanaf 2008 was het contact met de verdachte wekelijks en de afgelopen twee jaar was dat bij benadering om de week. Hij verklaart verder dat de verdachte een heel bijzondere blik in zijn ogen heeft, wat dieper liggen oogkassen met vooruitstekende wenkbrauwen. Hij heeft na het opmaken van het proces-verbaal van herkenning aan de hand van de fotostills, ook de bewegende beelden gezien en die bevestigden voor hem de geverbaliseerde herkenning. Die bevestiging kwam voort uit het feit dat hij meer herkenningspunten had: de mimiek, de opruiende bewegingen de manier waarop de persoon positie zocht in de groep. Dat herkende hij van de manier waarop de verdachte dat altijd op een positieve manier doet bij de FC Volendam supporters.
De rechtbank is van oordeel dat de herkenning door verbalisant TO040724, die niet alleen op basis van de fotostills maar daarna ook op basis van de bewegende beelden plaatsvond, terwijl hij de verdachte in persoon al zoveel jaren kent en de herkenning bovendien gestoeld is op specifieke gezichtskenmerken, mimiek en manier van bewegen, op zichzelf al voldoende is voor een betrouwbare herkenning van de verdachte.
Daar komt nog bij dat ook verbalisant TO040725 is verhoord bij de rechter-commissaris en ook hij heeft verklaard dat hij de verdachte heeft herkend op de bewegende beelden van de vechtpartij voor het station Alkmaar. Hij heeft verklaard de verdachte bijna twee jaar te kennen en dat hij twee keer een huisbezoek bij de verdachte heeft gebracht om te controleren of hij thuis was, nadat hij een stadionverbod had gekregen. Hij heeft de verdachte op de bewegende beelden herkend aan de houding en beweging, namelijk lompe bewegingen, waarbij hij grote bewegingen maakt, onder andere het zwaaien met zijn armen. Het spatte van de beelden af, dat dit de verdachte was, aldus deze verbalisant. Hij verklaarde verder dat hij de verdachte voorafgaand aan de confrontatie op 23 mei 2023 heeft gesproken in een zijstraatje van het Waagplein te Alkmaar en toen zag dat de verdachte een soort van mutsje, duidelijk zwart oranje bij zich had en dat de verdachte bij die ontmoeting exact dezelfde kleding droeg als op de bewegende beelden.
Beide verbalisanten omschrijven op grond waarvan zij de verdachte herkennen, namelijk aan de blik in zijn ogen, zijn wat dieper liggende oogkassen met vooruitstekende wenkbrauwen, zijn kleding, zijn haar, de zwart/oranje bivakmuts en zijn manier van bewegen. Beide verbalisanten verklaren ambtshalve bekend te zijn met de verdachte, waarbij verbalisant TO040724 hem al ruim 16 jaar regelmatig persoonlijk sprak en verbalisant TO040725 hem al twee jaar persoonlijk kent. Dat de verbalisanten voorafgaand aan de herkenning al wisten dat de verdachte een zwart/oranje bivakmuts had en die dag in Alkmaar was geweest, doet niet af aan de betrouwbaarheid van hun herkenning. De rechtbank acht daarom de herkenningen van de verbalisanten betrouwbaar en bruikbaar tot het bewijs.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte de persoon betreft die zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde openlijke geweldpleging.
3.3.3.3 Feit 6 (overtreding stadionverbod)
Aan de verdachte is op 28 februari 2023 een landelijk stadionverbod opgelegd voor de periode 9 maart 2023 tot 9 maart 2026. Op 21 maart 2023 vond een wedstrijd tussen FC Volendam en SC Cambuur plaats in het voetbalstadion van FC Volendam. De manager veiligheidszaken van het stadion en twee verbalisanten hebben verklaard dat zij de verdachte hebben herkend op beelden van de tribune in het stadion. De verdachte is onder andere herkend aan zijn gezicht, zijn haardracht en zijn manier van juichen. De aangever was al langer bekend met de verdachte vanuit zijn functie en ook [verbalisant 1] was ambtshalve bekend met de verdachte. [verbalisant 2] heeft op 2 januari 2023 contact gehad met de verdachte bij zijn aanhouding. Voor alle herkenningen geldt dat deze op basis van bewegende beelden tot stand zijn gekomen, die volgens [verbalisant 2] veel scherper zijn dan de screenshot in het dossier.
De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, de herkenningen van de verbalisanten betrouwbaar en bruikbaar tot het bewijs. Dat de herkenningen tot stand zijn gekomen na een melding van de politie dat de verdachte zich mogelijk in het stadion zou bevinden, maakt niet dat de rechtbank twijfelt aan de betrouwbaarheid van de herkenningen. De verklaring van de verdachte dat hij niet in het stadion aanwezig was, acht de rechtbank ongeloofwaardig, gelet op de bewijsmiddelen. Naar het oordeel van de rechtbank kan dus wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte op 21 april 2023 zijn stadionverbod heeft overtreden door aanwezig te zijn in het stadion van FC Volendam en zich daarmee heeft schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 meest subsidiair, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1 meest subsidiair
hij op 8 oktober 2022 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, [benadeelde] heeft mishandeld, door hem
- eenmaal tegen het lichaam te schoppen en
- meermalen tegen het hoofd en/of lichaam te slaan.
Feit 2
hij op 12 november 2022 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan tot op heden onbekend gebleven personen opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen een barkruk ter hand heeft genomen en vervolgens meermalen (met kracht) een barkruk in de richting van een groep mensen heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 3
hij op 12 november 2022 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, openlijk, te weten, aan de Meerzijde in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen en goederen door
- met een of meer fietsen en barkrukken en stoelen te gooien naar personen, althans voornoemde goederen ter hand te nemen en gereed te houden voor gebruik en met de goederen te dreigen en
- personen uit te dagen en daarbij een gevechtshouding aan te nemen en
- op personen af te rennen;
Feit 4
hij op 18 mei 2023 te Alkmaar, openlijk, te weten, op de Stationsweg in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een groep onbekend gebleven personen en tegen goederen door
- al dan niet met gezichtsbedekking te lopen in de richting van die groep personen met het kennelijke doel om de confrontatie aan te gaan en
- met kracht een stoel tegen, althans in de richting van die groep personen te trappen en
- een riem uit zijn broeksband te halen en vervolgens met die riem in de richting van een onbekend gebleven persoon te slaan en
- een stoel ter hand te nemen en vervolgens die stoel tegen een onbekend gebleven persoon te gooien;
Feit 6
hij op 21 april 2023 te Volendam, gemeente Edam-Volendam in het besloten lokaal, namelijk het voetbalstadion van FC Volendam wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 9 maart 2023, schriftelijk de toegang tot alle voetbalwedstrijden en te houden voetbalevenementen, in of buiten Nederland, waaraan een Nederlandse betaald voetbalorganisatie of een vertegenwoordigend elftal van de KNVB deelnam, ontzegd voor de duur van zesendertig maanden;
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Kwalificaties
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1: meest subsidiair: mishandeling.
De eendaadse samenloop van
feit 2: poging zware mishandeling, meermalen gepleegd;
en
feit 3: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.
Feit 4: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Feit 6: in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
De strafbaarheid
Beroep op noodweer ten aanzien van feit 2 en 3 De raadsman heeft bepleit dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt, omdat hij de barkruk alleen heeft gegooid om zichzelf, de groep FC Volendam supporters en [pleeglokatie 2] te beschermen tegen het geweld van de FC Utrecht supporters.
Voor de vraag of de verdachte uit noodweer heeft gehandeld, moet sprake zijn van een noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zichzelf of een ander en moet die verdedigende handeling vervolgens aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voldoen.
De verdachte heeft verklaard dat hij buiten bij [pleeglokatie 2] stond toen een groep FC Utrecht supporters naderde. De verdachte heeft vervolgens de barvrouw, die ook buiten stond, naar binnen gebracht. De FC Utrecht supporters stonden vervolgens voor de gesloten deur van het café en waren dreigend. Er is door hun toedoen ook een raam van het café kapot gegaan. Eerder op de avond hadden ze ook al schade aangericht in een ander café. De verdachte is weer naar buiten gegaan toen een groep FC Volendam supporters naderde en een confrontatie ontstond tussen de twee supportersgroepen. Hij heeft zich toen bij de groep FC Volendam supporters gevoegd en heeft de barkruk gegooid in de richting van de FC Utrecht supporters gegooid, volgens de verdachte om de FC Utrecht supporters weg te jagen en om het door hen toebrengen van schade te voorkomen.
De rechtbank is van oordeel dat op het moment dat de verdachte zich bij de groep FC Volendam supporters voegde er geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. De rechtbank betrekt bij dat oordeel de eigen verklaring van de verdachte op de terechtzitting dat hij binnen in [pleeglokatie 2] had kunnen blijven of zich aan de groep FC Volendam supporters had kunnen onttrekken, maar dat hij er voor gekozen heeft dat niet te doen.
Gelet op het voorgaande slaagt het beroep op noodweer niet. Nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan de bewezenverklaarde feiten zou ontbreken, zijn alle bewezenverklaarde feiten strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Daaraan dienen de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd te worden verbonden, met daaraan toegevoegd een harddrugsverbod (waarbij de verdachte dient mee te werken aan urinecontroles) en een extra meldplicht bij de politie op dagen waarop FC Volendam een bekerwedstrijd speelt, zolang het Openbaar Ministerie dat nodig vindt.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte een maatregel oplegt in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor de duur van drie jaar, inhoudende een gebiedsverbod betreffende het Kras-stadion te Volendam.
Standpunt van de verdediging
In geval van strafoplegging acht de raadsman een onvoorwaardelijke straf die gelijk is aan de duur van het voorarrest aangewezen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf of een taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan de verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in één jaar tijd schuldig gemaakt aan meerdere uitgaans- en voetbal gerelateerde strafbare feiten.
Op 8 oktober 2022 heeft de verdachte in het uitgaansgebied van Volendam [benadeelde] mishandeld door hem te schoppen en te slaan. [benadeelde] is vervolgens met zijn gezicht op de straat terechtgekomen en heeft hierbij naar gebitsletsel opgelopen. Verschillende omstanders zijn met dit gewelddadige optreden van de verdachte geconfronteerd.
Op 12 november 2022 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en openlijke geweldpleging in Volendam. Tijdens rellen na de wedstrijd tussen FC Volendam en FC Utrecht is er over en weer met fietsen, barkrukken en stoelen gegooid en is er door beide groepen veel geweld gebruikt. De verdachte heeft toen twee keer een stevige barkruk richting de FC Utrecht supporters gegooid en heeft daarmee ook een significante bijdrage aan het groepsgeweld geleverd. Dit had ernstige gevolgen kunnen hebben.
Ook op 18 mei 2023 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Voorafgaand aan de wedstrijd tussen AZ en West-Ham United is het op de Stationsweg in Alkmaar tot een gewelddadige confrontatie gekomen tussen de AZ-supporters en West-Ham United supporters. Het gevecht tussen deze twee groepen gebeurde op klaarlichte dag in een druk gebied van Alkmaar. Tijdens dit gevecht is er onder andere met stoelen gegooid, zijn er slaande bewegingen gemaakt met broeksriemen en droegen vele personen uit de groep gezichtsbedekking. Deze rellen moeten bij omstanders een angstig gevoel hebben veroorzaakt, terwijl op de beelden te zien is dat één van de supporters van West-Ham United nadat hij geraakt wordt, zijn bewustzijn verliest en moet worden weggesleept.
Zowel op 12 november 2022 als op 18 mei 2023 heeft de verdachte een grote rol gespeeld in de openlijke geweldplegingen en leek hij hierin ook een voortrekkersrol te vervullen. De verdachte nam namelijk telkens een prominente rol aan, stond vooraan in de groep en zocht bewust de confrontatie op.
Vanwege zijn gedragingen op 12 november 2022 heeft de verdachte een stadionverbod opgelegd gekregen. De verdachte heeft zich van dit verbod kennelijk niets aangetrokken, want op 21 april 2023 was hij ongeoorloofd aanwezig bij een voetbalwedstrijd in het stadion.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittrekstel Justitiële Documentatie (het strafblad) van de verdachte van 30 december 2025. Daaruit blijken geen recente, relevante veroordelingen die in het nadeel van de verdachte wegen.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies van 26 januari 2026 van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering). Kort samengevat staat in dit advies dat de verdachte bekend is met verslavingsproblematiek en dat bij hem sprake is van impulsiviteit dat wordt versterkt als hij onder invloed is. Er staat in het advies ook dat de verdachte afstand heeft genomen van de Hekside Maffia (de ‘harde kern’ van FC Volendam). Verder staat er in het advies dat de verdachte positieve steun krijgt van zijn familie.
De verdachte staat sinds oktober 2023 onder toezicht van de reclassering, nadat hij uit de voorlopige hechtenis is geschorst. Verder staat de verdachte sinds januari 2025 onder behandeling bij Forensisch Polikliniek Fivoor (hierna: Fivoor). Hoewel de verdachte enkele terugvallen heeft gehad in middelengebruik, heeft dit niet geleid tot delictgedrag. Volgens de reclassering is er bij de verdachte grotendeels sprake van stabiliteit op de leefgebieden en zal zijn behandeltraject naar verwachting dit jaar zal worden afgerond. De reclassering schat het recidiverisico in als laag. De reclassering adviseert daarom bij een veroordeling een proeftijd met bijzondere voorwaarden voor de duur van één jaar. Als bijzondere voorwaarden adviseert de reclassering:
• meldplicht bij reclassering (na afspraak);
• meldplicht bij politie;
• ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname;
• beheersing middelengebruik; en
• meewerken aan hulpverlening gericht op middelenproblematiek.
Tot slot adviseert de reclassering geen gevangenisstraf op te leggen, omdat een gevangenisstraf de behandeling van de verdachte bij Fivoor zou doorkruisen. De reclassering ziet geen contra-indicaties voor het opleggen van een taakstraf of een financiële sanctie.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met (i) alle hiervoor genoemde omstandigheden, (ii) straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en (iii) de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De meerdere, soms forse, geweldsmisdrijven van de verdachte maken het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk. De rechtbank houdt echter ook voor ogen dat de verdachte al een zeer ruime tijd in een schorsing loopt en inmiddels een ander leven lijkt te leiden, waarin hij werkt aan zijn verslavingsproblematiek en hiervoor een behandeling volgt. Mede gelet op het advies van de reclassering zal de rechtbank bepalen dat de verdachte – die 106 dagen in voorarrest heeft gezeten – niet terug hoeft naar de gevangenis. De rechtbank zal de verdachte in plaats daarvan veroordelen tot een forse taakstraf en een aanvullende voorwaardelijke gevangenisstraf.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen moet worden opgelegd, waarvan 104 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal daaraan een proeftijd verbinden van één jaar, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank voegt daar een extra meldplicht bij de politie aan toe, die inhoudt dat de verdachte zich ook dient te melden op de dag en het tijdstip waarop FC Volendam een bekerwedstrijd begint. Voor een harddrugsverbod ziet de rechtbank – gelet op de al door de reclassering geformuleerde voorwaarde die ziet op de beheersing van middelengebruik – geen aanleiding.
De rechtbank acht daarnaast een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 160 uren passend en geboden. De rechtbank ziet echter in de schending van de redelijke termijn aanleiding om deze taakstraf te matigen.
Op grond van artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient de verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van zodanige omstandigheden is in deze zaak niet gebleken. De termijn voor de feiten 1, 2 en 3 is gestart op 3 januari 2023, omdat de verdachte toen is gehoord over deze feiten. Tot aan dit vonnis is een periode van drie jaar en ruim één maand verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn voor deze feiten bedraagt dus ruim dertien maanden. De termijn is voor feit 4 gestart op 12 juli 2023, omdat op die datum de gevangenhouding van de verdachte is bevolen voor dit feit. Tot aan dit vonnis is een periode van twee jaar en ruim zeven maanden verstreken. De overschrijding van de redelijke termijn voor dit feit bedraagt dus ruim zeven maanden. Ter compensatie van deze schendingen van de redelijke termijn zal de rechtbank een lagere taakstraf opleggen, namelijk voor de duur van 140 uren.
7. Vrijheidsbeperkende maatregel
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een maatregel ex artikel 38v Sr. Daarbij is van belang dat de bewezenverklaarde feiten al geruime tijd zijn geleden, de verdachte na april 2023 niet meer met justitie in aanraking is gekomen en de reclassering het recidiverisico als laag inschat.
8. Vordering benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde] heeft op 30 mei 2024 een vordering tot schadevergoeding van € 3.442,19 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. Bij e-mail van 6 februari 2026 is deze vordering namens de benadeelde partij ingetrokken, omdat de verdachte de gehele vordering al vrijwillig heeft voldaan aan [benadeelde]. Over deze vordering zal de rechtbank daarom geen beslissing meer nemen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
Artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 55, 57, 138, 141, 300 en 302 Sr.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 5 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 meest subsidiair, 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 3.4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4.1 vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen.
Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 104 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van één jaar.
Stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering (na afspraak)
De verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.
Meldplicht bij politie
De verdachte meldt zich op het politiebureau op het adres Component 96, 1446
WP in Purmerend op de dag en het tijdstip waarop FC Volendam de competitiewedstrijd, dan wel de bekerwedstrijd, begint, zolang het Openbaar Ministerie dat nodig vindt.
Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
De verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek en agressiebeheersing. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/ stabilisatie/ observatie/ diagnostiek/ crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
Beheersing middelengebruik
De verdachte werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Meewerken aan hulpverlening gericht op middelenproblematiek
De verdachte werkt mee en spant zich in voor de begeleiding omtrent het abstinent worden en blijven.
Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 140 uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 70 dagen hechtenis.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M.A.V. van Kleef, voorzitter,
mr. A.K. Korteweg en mr. I.M. Hendriks, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Splunter,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 februari 2026.
Bijlage 1: de tenlasteleggingen
(Parketnummer 15/003116-23)
Feit 1 primair
hij op of omstreeks 8 oktober 2022 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven,
- ( met kracht) op/tegen diens buik, althans op/tegen diens lichaam heeft getrapt en/of geschopt, waardoor die [benadeelde] ten val kwam en/of
- terwijl die [benadeelde] op de grond lag en/of zat, (met kracht) op/tegen diens hoofd heeft getrapt en/of geschopt en/of
- ( vervolgens) (met kracht) meermalen, althans eenmaal op/tegen diens (achter)hoofd heeft geslagen en/of gestompt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 1 subsidiair
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 oktober 2022 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten gebitsletsel (een of meer (af)gebroken tanden en/of een (af)gebroken/(af)gescheurde kies) heeft toegebracht door
- ( met kracht) op/tegen diens buik, althans op/tegen diens lichaam te trappen en/of te schoppen, waardoor die [benadeelde] ten val kwam en/of
- terwijl die [benadeelde] op de grond lag en/of zat, (met kracht) op/tegen diens hoofd te trappen en/of te schoppen en/of
- ( vervolgens) (met kracht) meermalen, althans eenmaal op/tegen diens (achter) hoofd te slaan en/of te stompen;
Feit 1 meer subsidiair
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 oktober 2022 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- ( met kracht) op/tegen diens buik, althans op/tegen diens lichaam heeft getrapt
en/of geschopt, waardoor die [benadeelde] ten val kwam en/of
- terwijl die [benadeelde] op de grond lag en/of zat, eenmaal (met kracht) op/tegen diens
hoofd heeft getrapt en/of geschopt en/of
- ( vervolgens) (met kracht) meermalen, althans eenmaal, op/tegen diens
(achter)hoofd heeft geslagen en/of gestompt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 1 meest subsidiair
meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 8 oktober 2022 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, [benadeelde] heeft mishandeld, door hem
- eenmaal of meermalen (tegen het lichaam) te schoppen en/of
- eenmaal of meermalen (tegen het hoofd en/of lichaam) te slaan.
Feit 2
hij op of omstreeks 12 november 2022 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan (een) tot op heden onbekend gebleven perso(o)n(en) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, een barkruk ter hand heeft genomen en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal (met kracht) een barkruk in de richting van een groep mensen heeft gegooid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 3
hij op of omstreeks 12 november 2022 te Volendam, gemeente Edam-Volendam, openlijk, te weten, aan de Meerzijde, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een perso(o)n(en) en/of een goed(eren) door
- met een of meer fietsen en/of barkrukken en/of stoelen en/of dozen te slaan en/of
te gooien naar personen, althans voornoemde goederen ter hand te nemen en
gereed te houden voor gebruik en/of met de goederen te dreigen en/of
- personen (met broekriemen) te slaan en/of te schoppen, althans (met
broekriemen) slaande en schoppende bewegingen te maken naar personen en/of
- personen uit te dagen en (daarbij) een gevechtshouding aan te nemen en/of
- op personen af te rennen en/of
- personen in het water te duwen;
Feit 4
hij op of omstreeks 18 mei 2023 te Alkmaar, openlijk, te weten, aan/op de Stationsweg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed, te weten tegen een groep onbekend gebleven personen en/of goederen door
- ( met versnelde pas) (dreigend) (al dan niet met gezichtsbedekking) te lopen in de
richting van die (groep) personen met het kennelijke doel om de confrontatie aan te
gaan en/of
- ( met kracht) een stoel tegen, althans in de richting van die (groep) personen te
trappen en/of
- een riem uit zijn broeksband te halen en/of (vervolgens) (met kracht) met die riem
tegen, althans in de richting van een onbekend gebleven persoon te slaan en/of
- een stoel ter hand te nemen en/of (vervolgens) met kracht die stoel tegen, althans
in de richting van een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) te gooien;
Feit 5
hij op of omstreeks 18 mei 2023 te Alkmaar openlijk, te weten, in het AFAS-stadion
(gelegen aan de Stadionweg 1) tijdens en/of kort na de voetbalwedstrijd AZ Alkmaar
- West Ham United, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het
publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed te weten tegen aldaar aanwezige politiemensen en/of één of meer aldaar aanwezige steward(s) en/of één of meer aldaar aanwezige toeschouwers, en/of tegen een of meer goederen (waaronder een stadionhek), door
- ( met versnelde pas) (dreigend) (al dan niet met gezichtsbedekking) te lopen in de richting van die personen en/of goederen met het kennelijke doel om de confrontatie aan te gaan en/of
- ( met kracht) te rukken/trekken aan voornoemd hek en/of
- voornoemd hek te passeren en zich (vanaf de van de Ben-tribune) te begeven naar de hoofdtribune en/of
- de hoofdtribune te betreden teneinde het gevecht aan te gaan met (West Ham United) toeschouwers en/of
- ( met kracht) (al dan niet met een broekriem) te slaan/stompen tegen, althans naar het hoofd en/of het lichaam en/of de ledematen van één of meer voornoemde personen en/of
- ( met kracht) te schoppen/trappen tegen, althans naar het hoofd en/of het lichaam
en/of de ledematen van één of meer voornoemde personen en/of
- een of meer personen van een trap (naar beneden) te trekken en/of
- ( met kracht) te duwen tegen één of meer voornoemde personen en/of
- een vechthouding (tegenover andere toeschouwers) aan te nemen en/of
- een vechthouding (ten opzichte van een of meer politieagenten) aan te nemen en/of
- in woord en/of gebaar politieagenten uit te dagen, door (meermalen) nabij de politieagenten (die op linie stonden) te gaan en/of te blijven staan en (uitdagende) armgebaren te maken en/of naar een of meer politieagenten te schreeuwen en/of
- de confrontatie kracht bij te zetten door een of meer personen richting de politieagenten te duwen;
(Parketnummer 15/128709-23)
Feit 1
hij op of omstreeks 21 april 2023 te Volendam, gemeente Edam-Volendam in het besloten lokaal, namelijk het voetbalstadion van FC Volendam, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 9 maart 2023, schriftelijk de toegang tot alle voetbalwedstrijden en te houden voetbalevenementen, in of buiten Nederland, waaraan een Nederlandse betaaldvoetbalorganisatie of een vertegenwoordigend elftal van de KNVB ontzegd voor de duur van zesendertig maanden;
Bijlage 2: de bewijsmiddelen
De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.