ECLI:NL:RBNHO:2026:1815

ECLI:NL:RBNHO:2026:1815

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 05-02-2026
Datum publicatie 24-02-2026
Zaaknummer 15/173408-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlemmermeer

Samenvatting

Onderzoek Signet. Vrijspraak van de onder 2 primair ten laste gelegde verduistering in dienstbetrekking en onder 2 subsidiair ten laste gelegde diefstal. Veroordeling voor medeplegen van voorbereidingshandelingen die zagen op de invoer van cocaïne via de luchthaven Schiphol. De rechtbank rekent het de verdachte des temeer aan dat hij zich heeft ingelaten met dit strafbare feit, terwijl hij tien jaar op de luchthaven werkte en een leidinggevende functie had. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/173408-23 (P)

Uitspraakdatum: 5 februari 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 20 en 22 januari 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [woonadres]

.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. R. Funke Küpper en van hetgeen de verdachte en zijn waarnemend raadsvrouw, mr. I. Langeveld, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 juni 2023 tot en 15 september 2023 te Amsterdam en/of te Den Haag en/of te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om (een) feit(en), bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, althans (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat die feit(en)

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (daartoe)

• een of meer telefoon(s)/communicatiemiddel(en) voorhanden gehad en/of

• via dat/die telefoon(s)/communicatiemiddel(en) en/of in persoon (met elkaar)

gecommuniceerd en/of afspraken gemaakt en/of (onderling) informatie verstrekt en/of uitgewisseld over:

- de dag(en) waarop en/of de vlucht(en) waarop voornoemde hoeveelhe(i)d(en) cocaïne op Schiphol zou(den) aankomen en/of de zending(en) waarin voornoemde hoeveelhe(i)d(en) cocaïne zich zou(den) bevinden en/of

- de aanwezigheid van betrokken medewerkers van [bedrijf] en/of het wijzigen van het /de werkrooster(s) van betrokkenen medewerkers van [bedrijf] op de dagen waarop en/of de vlucht(en) waarop voornoemde hoeveelhe(i)d(en) cocaïne op Schiphol zou(den) aankomen en/of

- de wijze waarop de (dozen met) cocaïne uit de/een vrachtzending(en) moest(en) worden gehaald en/of

- de beloningen van en/of (borg)betalingen aan betrokkenen en/of

• wijziging(en) van (een) werk(rooster(s) aangevraagd en/of

• zich (telkens) voorbereid op en/of (telkens) klaar gestaan om de hoeveelhe(i)d(en) cocaïne uit de/een vrachtzending te halen;

2.

hij in of omstreeks de maand augustus 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, meermalen, althans eenmaal, zich opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend één of meer goed(eren) (zoals (een) laptop(s) en/of oordopjes), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander dan aan verdachte, welke goed(eren) verdachte (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als medewerker van [bedrijf] in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de maand augustus 2023 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in/uit (vracht)zending(en) één of meer goed(eren) (zoals (een) laptop(s) en/of oordopjes), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander dan aan verdachte.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten. Op het verweer van de raadsvrouw zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 2 Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking dan wel diefstal uit vrachtzendingen. Het dossier bevat geen bewijs dat goederen, zoals laptops of oordopjes, uit vrachtzendingen zijn weggenomen. Hoewel de inhoud van de tapgesprekken van de verdachte vragen oproepen, zijn deze alleen niet voldoende om bewezen te achten dat de verdachte goederen heeft verduisterd dan wel weggenomen. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.

Bewijsmotivering

Inleiding

Naar aanleiding van informatie van het Team Criminele Inlichtingen over de medeverdachte [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1]) is de Koninklijke Marechaussee een onderzoek gestart onder de naam Signet.

Onderzoek Signet bestaat uit twaalf zaaksdossiers en zeven verdachten.

Aan de verdachte is onder meer ten laste gelegd dat hij medepleger is van voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne via de luchthaven Schiphol.

De overige zaaksdossiers in onderzoek Signet zijn niet aan de verdachte ten laste gelegd, maar maken deel uit van zijn dossier.

Voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne via de luchthaven Schiphol

De rechtbank stelt voorop dat de voorbereiding van een misdrijf als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (kort gezegd: drugshandel), in artikel 10a, eerste lid van die wet als zelfstandig delict strafbaar is gesteld teneinde in een vroeg stadium van de organisatie van de (internationale) handel in drugs in te kunnen grijpen. Dit betekent dat reeds strafbaar is het uiting geven aan de intentie om verdovende middelen te vervoeren of in te voeren door het plegen van daarop gerichte voorbereidingshandelingen. Het resultaat van die handelingen is daarbij niet van belang.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen in het dossier en het verhandelde ter zitting af dat [naam medeverdachte 1] zich bezighield met het voorbereiden van de invoer van cocaïne via de luchthaven Schiphol en dat, voor zover hier relevant, op drie verschillende data, te weten

1 juli 2023, 15 juli 2023 en 9 september 2023, hiertoe transporten waren gepland. De stelling van [naam medeverdachte 1] dat hij nooit van plan was om daadwerkelijk cocaïne Nederland binnen te brengen, maar dat hij deed alsof hij daartoe in staat was om geld te ontvangen van de verzenders, wordt weersproken door zijn gedetailleerde gesprekken met de verdachte omtrent de vluchten waarop de cocaïne zou worden binnen gebracht en het feit dat hij in een telefoongesprek op 8 september 2023 met medeverdachte [naam medeverdachte 2] zegt dat hij het irritant vindt dat het transport op het laatste moment was geannuleerd, omdat hij dan alles weer moet gaan verzetten.

De verdachte werkte gedurende de tenlastegelegde periode tot augustus 2023 als voorman bij [bedrijf] op de luchthaven Schiphol. [bedrijf] is een bedrijf dat, onder meer, de vrachtafhandeling doet van vrachtvliegtuigen die landen op Schiphol. Als voorman was hij veel aanwezig bij de vliegtuigen en stuurde een team van mensen aan om die vliegtuigen te laden en te lossen. Vanaf augustus 2023 was de verdachte daar werkzaam in de functie van supervisor ramp, waarbij hij meer op afstand – onder meer – verantwoordelijk was voor de planning en het aansturen van personeel. [naam medeverdachte 1] was, op basis van een 0-uren contract, ook werkzaam bij [bedrijf].

De verdachte heeft erkend dat hij met [naam medeverdachte 1] heeft gesproken over goederen die zouden binnen komen op Schiphol via vrachtvluchten. De verdachte heeft ook erkend dat hij wist dat het ‘geen zuivere koffie’ was en dat hij dacht dat het – onder meer – om drugs kon gaan. De verdachte was op de data dat de betreffende vluchten zouden binnenkomen op Schiphol aan het werk. Hij heeft evenwel verklaard dat hij zich niet heeft beziggehouden met de activiteiten van [naam medeverdachte 1], dat hij aan [naam medeverdachte 1] heeft duidelijk gemaakt dat hij er niets mee te maken wilde hebben en dat hij juist informatie van [naam medeverdachte 1] vroeg om ervoor te zorgen dat hij uit de buurt van de betreffende vluchten zou kunnen blijven tijdens zijn werkzaamheden.

De rechtbank leidt uit de uitgewerkte telefoon- en OVC-gesprekken in het dossier af dat de verdachte in de ten laste gelegde periode informatie heeft uitgewisseld met [naam medeverdachte 1] over de goederen die [naam medeverdachte 1] per vrachtvlucht wilde binnen brengen op Schiphol.

In die gesprekken geeft [naam medeverdachte 1] de verdachte informatie over vluchtnummers van de vluchten en de data waarop de goederen zouden worden binnengebracht, de hoeveelheden die zouden worden binnengebracht, de plaats waar die goederen zouden worden verstopt in het betreffende vliegtuig en op welke wijze de goederen uit het vliegtuig moeten worden gehaald en vervoerd.

De verdachte gaf [naam medeverdachte 1] in die gesprekken informatie over wie er aan het werk zou zijn als de betreffende vlucht moest worden uitgeladen, hoe uit het zicht van de camera te blijven, waar [naam medeverdachte 1] de goederen moest verstoppen als die eenmaal uit het vliegtuig waren gehaald en hoe hij de dozen waarin die goederen werden vervoerd moest achterlaten om een onderzoek te voorkomen.

De rechtbank overweegt dat de inhoud van voornoemde gesprekken gedetailleerd zijn en dat de verdachte relevante inlichtingen aan [naam medeverdachte 1] heeft verstrekt. Daarbij komt dat de verdachte zich, blijkens de inhoud van voornoemde gesprekken, zorgen maakte over zijn vermoeden dat [naam medeverdachte 1] werd afgeluisterd. Verder maakte de verdachte zich zorgen dat een transport zou worden geannuleerd, omdat hij geld nodig had. Ook blijkt uit voornoemde gesprekken dat [naam medeverdachte 1] de verdachte geld zou geven voor de vluchten waarop uiteindelijk niets gebeurde. Dat de verdachte op afstand bleef, zoals hij heeft verklaard, omdat hij niets met de transporten van [naam medeverdachte 1] te maken wilde hebben, acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk. In het dossier bevindt zich geen enkel uitgewerkt gesprek of ander bewijs waaruit dat blijkt.

Gelet op de bewijsmiddelen in het dossier en het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 30 juni 2023 tot en met 9 september 2023 zich heeft schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen om goederen Nederland binnen te brengen waarvan hij wist dat die goederen niet legaal waren en het vermoeden had dat het verdovende middelen konden betreffen.

Medeplegen

De rechtbank overweegt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode nauw heeft samengewerkt met [naam medeverdachte 1]. Immers, de verdachte heeft op meerdere momenten essentiële informatie verstrekt aan [naam medeverdachte 1] met het oog op de voorbereiding van de invoer van cocaïne en had daarbij – door zijn functies als voorman en supervisor ramp bij [bedrijf] – een cruciale rol. De rechtbank acht zijn bijdrage daarmee van voldoende gewicht om de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [naam medeverdachte 1] bewezen te achten.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 30 juni 2023 tot en met 9 september 2023 samen met [naam medeverdachte 1] voorbereidingshandelingen heeft gepleegd gericht op de invoer van cocaïne in Nederland.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op tijdstippen in de periode van 30 juni 2023 tot en met 9 september 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander om feiten, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne voor te bereiden,

- zich en een ander inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen

immers hebben hij, verdachte en zijn mededader daartoe

• telefoons voorhanden gehad en

• via die telefoons en in persoon gecommuniceerd en onderling informatie verstrekt en uitgewisseld over:

- de dagen waarop en de vluchten waarop voornoemde cocaïne op Schiphol zou aankomen en de zendingen waarin voornoemde cocaïne zich zouden bevinden en

- de aanwezigheid van betrokken medewerkers van [bedrijf] en

- de wijze waarop de (dozen met) cocaïne uit de vrachtzendingen moesten worden gehaald en

- de beloningen van en (borg)betalingen aan betrokkenen.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden zich en een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dan ook strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte dan ook strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de periode die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om bij de op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, het gegeven dat hij niet eerder voor soortgelijke misdrijven is veroordeeld en zijn beperkte rol in deze zaak. Bij een strafoplegging heeft de raadsvrouw verzocht te volstaan met oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest met daarnaast eventueel een taakstraf en met een proeftijd van één jaar.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim twee maanden samen met een ander schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen die zagen op de invoer van cocaïne via de luchthaven Schiphol. De verdachte vervulde, als leidinggevende bij een bedrijf dat de vrachtafhandeling van vliegtuigen op Schiphol deed, daarbij een cruciale rol. Hij heeft die ander van belangrijke informatie voorzien ter voorbereiding van die transporten. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verspreiding van en handel hierin gaat gepaard met vele andere vormen van ook zeer zware criminaliteit, waaronder levensdelicten en de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Om de volksgezondheid te beschermen en om de andere vormen van criminaliteit met betrekking tot verdovende middelen te beperken zijn dit soort strafbare feiten en ook de voorbereidingshandelingen daarvan met hoge straffen bedreigd. De rechtbank rekent het de verdachte des temeer aan dat hij zich heeft ingelaten met dit strafbare feit, terwijl hij tien jaar op de luchthaven werkte en een leidinggevende functie had. Hij heeft daarmee het vertrouwen dat in hem werd gesteld geschaad.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 12 januari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder in Nederland voor een soortgelijk misdrijf is veroordeeld.

De op te leggen straf

Voor de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen zijn binnen de rechtspraak geen oriëntatiepunten ontwikkeld. De rechtbank heeft daarom aansluiting gezocht bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de aard, ernst en de negatieve maatschappelijke gevolgen van het bewezenverklaarde zonder meer een gevangenisstraf rechtvaardigen en acht dit dan ook passend.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de relatief beperkte periode waarin de voorbereidingshandelingen hebben plaatsgevonden en het tijdsverloop sindsdien. De rechtbank zal de verdachte daarom en omdat de rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan is gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden moet worden opgelegd, waarvan zes maanden voorwaardelijk en met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b en 47 van het Wetboek van Strafrecht;

2, 10 en 10a van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder 1 bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.J. Riem, voorzitter,

mr. A. Buiskool en mr. C.M.A.V. van Kleef, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Snelder

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.J. Riem
  • mr. A. Buiskool
  • mr. C.M.A.V. van Kleef

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?