RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-205011-23 (P)
Uitspraakdatum: 26 januari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[woonadres].
De politierechter heeft ter terechtzitting van 4 september 2025 de zaak naar de Meervoudige strafkamer verwezen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. K. Leyendeckers, en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.J. Moerdijk, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 8 maart 2023 te Heemskerk [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] één of meerdere malen tegen het hoofd, althans het lichaam, te slaan.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit, omdat de verdachte een gerechtvaardigd beroep op (putatief) noodweer toekomt. Op het verweer van de raadsvrouw zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
Oordeel van de rechtbank 3.3.1 Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsmotivering
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast. Op 8 maart 2023 heeft in de [naam] supermarkt in Heemskerk een incident plaatsgevonden. De aangever werd ervan verdacht dat hij niet al zijn producten had afgerekend bij de zelfscankassa. Een medewerkster bij de zelfscankassa heeft hierop collega’s opgeroepen ter ondersteuning. Vervolgens kwamen meerdere winkelmedewerkers ter plaatse, waaronder de verdachte. Uit de (beschrijving van de) camerabeelden volgt dat zij met gebaren aan de aangever probeerden duidelijk te maken dat hij mee moest naar achteren. Uit de camerabeelden volgt dat als dat niet direct lukt de aangever door één van de medewerkers wordt aangeraakt en geduwd. Aangever reageert hier boos en afwerend op. Vervolgens blijkt uit de camerabeelden dat aangever door meerdere medewerkers wordt vastgepakt en door de winkel wordt meegenomen, waarbij de aangever zich bleef verzetten. Op enig moment houdt de aangever zich vast aan een plastic boom in de winkel, waarna een worsteling plaatsvindt tussen meerdere winkelmedewerkers, een klant die te hulp schiet en de aangever, waarna de aangever op de grond terechtkomt. Op het moment dat aangever op de grond ligt, wordt hij vastgehouden door meerdere personen. Ter zitting zijn de camerabeelden (bestand 20230308-174835) getoond en hebben partijen zich daarover kunnen uitlaten. De verdachte heeft ter zitting bekend aangever twee keer ‘een okkernoot’, een slag met zijn vuist/knokkels, gegeven te hebben op zijn achterhoofd. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt ook dat de verdachte aangever twee keer heeft geslagen toen aangever op de grond lag. Gelet hierop kunnen de in de bewezenverklaring te noemen, pijn veroorzakende gedragingen van de verdachte wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
Het gedane beroep op noodweer raakt in het voorliggende geval aan de bewijsvraag, omdat met de term ‘mishandeling’ in de zin van artikel 300 van het Wetboek van strafrecht (Sr) mede de wederrechtelijkheid van de gedraging tot uitdrukking wordt gebracht (HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:BQ6690).
Voor een geslaagd beroep op noodweer moet aannemelijk zijn dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn of iemand anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waaronder mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo’n aanranding. De enkele vrees voor een dergelijke aanranding is niet voldoende. De gestelde aanranding moet, in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor de verdachte, dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 Sr.
Naar het oordeel van de rechtbank was op het moment dat de verdachte aangever sloeg geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, noch van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat aangever zich op meerdere plaatsen in de winkel en gedurende enige tijd (hevig) verzet tegen meerdere personen die hem mee wilden nemen naar het kantoor van de winkel. Echter, op het moment dat de verdachte aangever twee keer slaat op zijn hoofd, lag de aangever al op de grond en werd hij door meerdere personen op de grond en onder controle gehouden. Op basis van de stukken in het dossier en de ter zitting getoonde camerabeelden kan niet worden vastgesteld dat de verdachte door de aangever werd gebeten.
De omstandigheid dat aangever zich hevig aan het verzetten was, vóórdat de verdachte zich in de situatie mengde maakt evenmin dat het voor de verdachte noodzakelijk was om aangever op dat moment twee keer op zijn hoofd te slaan om hem in bedwang te houden.
Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 8 maart 2023 te Heemskerk [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meerdere malen tegen het hoofd te slaan.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en kwalificatie
Er is geen (andere) omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
Mishandeling.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Beroep op noodweerexces en putatief noodweer(exces)
De raadsvrouw heeft subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces en putatief noodweer(exces), waardoor de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Door de raadsvrouw is aangevoerd dat het handelen van de verdachte een onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding van aangever. De verdachte handelde vanuit een reflex, nadat hij door aangever werd gebeten. Bovendien heeft de verdachte, gelet op wat hem werd verteld en wat hij zag, verontschuldigbaar gedwaald. Verdachte kon redelijkerwijs menen dat hij zijn collega’s moest verdedigen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat geen sprake is van een noodweersituatie en dat het beroep op noodweerexces om die reden moet worden verworpen.
Oordeel van de rechtbank
Noodweerexces
De rechtbank overweegt dat een beroep op noodweerexces in beeld kan komen bij een "overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging", dus wanneer aan alle eisen die aan noodweer worden gesteld, is voldaan, behalve aan de proportionaliteitseis. Omdat de rechtbank heeft vastgesteld dat er geen sprake is geweest van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk gevaar daarvoor, komt de verdachte een beroep op noodweerexces dus niet toe.
Putatief noodweer(exces)
Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer(exces) moet de rechtbank allereerst beoordelen of sprake was van een putatieve noodweersituatie. Bij een putatieve noodweersituatie is sprake van een verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan, omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Die verontschuldigbaarheid dient naar objectieve maatstaven te worden beoordeeld. De subjectieve ervaring van de verdachte is daarbij niet leidend.
De rechtbank acht geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op basis waarvan de verdachte redelijkerwijs mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan, omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar zou hebben ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachte de aangever tweemaal met de vuist op het hoofd heeft geslagen, toen de aangever al op de grond lag en door anderen op de grond en onder controle werd gehouden. Bij die stand van zaken kan niet gezegd worden dat de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald ten aanzien van de situatie en de dreiging. Het beroep op putatief noodweer wordt dan ook eveneens verworpen.
Nu geen sprake was van een putatieve noodweersituatie, kan ook geen sprake zijn van putatief noodweerexces, zodat het beroep daarop ook faalt.
Er is aldus geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 50 uren met een proeftijd van 2 jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om rekening te houden met de geringe rol van de verdachte, zijn blanco strafblad en de overschrijding van de redelijke termijn.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling door aangever meerdere malen op zijn hoofd te slaan. Met zo een mishandeling wordt inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de aangifte blijkt ook dat het voor aangever een angstige situatie was. De mishandeling vond bovendien plaats in een supermarkt op klaarlichte dag met winkelend publiek eromheen en kon daardoor zorgen voor gevoelens van onveiligheid.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 5 september 2025. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een overtreding of misdrijf.
Overschrijding van de redelijke termijn
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak in eerste aanleg dient te zijn geëindigd als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Die termijn bedraagt in beginsel twee jaar. De redelijke termijn in deze zaak is aangevangen op 18 juli 2023; de datum waarop de verdachte voor het eerst door de politie is verhoord en waarop de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van de verdenking strafvervolging zou worden ingesteld. Op 26 januari 2026, de datum van dit vonnis, is de redelijke termijn met zes maanden overschreden. De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn niet aan de verdachte valt toe te rekenen en zal deze overschrijding compenseren in de straftoemeting.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die bij mishandeling bestaande uit een droge klap of schop uitgaan van een geldboete van 700 euro. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn reden om geen onvoorwaardelijke geldboete meer op te leggen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van 700 euro moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze geldboete vooralsnog niet hoeft te worden voldaan en zal daaraan een proeftijd verbinden van één jaar, opdat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.
7. Vordering benadeelde partij
Inhoud van de vordering
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 500,- ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade geheel voor vergoeding in aanmerking komt.
De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de verzochte vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering af te wijzen, omdat er bij de benadeelde partij geen sprake is geweest van pijn en letsel dat is ontstaan door het handelen van de verdachte.
Oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd, omdat uit het dossier en de vordering niet blijkt van vastgesteld lichamelijk letsel als gevolg van het slaan op zijn hoofd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij geen gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij niet met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor hem heeft gehad. Het enkele feit dat de benadeelde partij op zijn hoofd is geslagen waardoor hij pijn heeft gehad, is hiervoor onvoldoende, mede gelet op het feit dat er daarvoor reeds een worsteling had plaatsgevonden waarbij meerdere personen betrokken waren. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake, gelet op rechtspraak van de Hoge Raad.
De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 300 Sr.
9. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;
verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;
bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van € 700,- (zevenhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op één jaar bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. I.E. Voorberg, voorzitter,
mr. A. Buiskool en mr. S. Mac Donald, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.D.C. Schoenmaker,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 januari 2026.