ECLI:NL:RBNHO:2026:1829

ECLI:NL:RBNHO:2026:1829

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 26-01-2026
Datum publicatie 25-02-2026
Zaaknummer 15-075300-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlemmermeer

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door meermalen met een mes in het lichaam en het hoofd van het slachtoffer te steken. De verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. Aan hem wordt de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege opgelegd. Niet gemaximeerd. Toewijzen vordering benadeelde partij tot een bedrag van € 16.966,38.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15-075300-25, 15-056427-25 (gev. ttz.), 15-058319-25 (gev. ttz.) (P)

Uitspraakdatum: 26 januari 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 januari 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[woonadres],

nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.

De zaak met parketnummer 15-075300-25 wordt hierna aangeduid als zaak A.

De zaak met parketnummer 15-056427-25 wordt hierna aangeduid als zaak B.

De zaak met parketnummer 15-058319-25 wordt hierna aangeduid als zaak C.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. B.K.M. Thuijs, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. C.C. Hofman, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zaak A

hij op of omstreeks 8 maart 2025 te Heemskerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen die [slachtoffer 1] in zijn lichaam en/of hoofd heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

zaak B

feit 1

hij op of omstreeks 22 februari 2025 te Heemstede tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, winkelgoederen (te weten Robijn wasmiddel), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] B.V., in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 2

hij op of omstreeks 22 februari 2025 te Haarlem winkelgoederen (te weten Nutrilon en/of wasmiddel), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

zaak C

feit 1

hij op of omstreeks 24 februari 2025 te Haarlem een of meer winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 2

hij op of omstreeks 24 februari 2025 te Haarlem in het besloten lokaal Supermarkt bij [slachtoffer 4] [adres], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 27 januari 2025 schriftelijk de toegang tot die [slachtoffer 4] [adres] ontzegd voor de duur van 1 jaren.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het in zaak C onder 2 ten laste gelegde feit.

Standpunt van de verdediging

Voor wat betreft de onder zaak A, zaak B en zaak C onder 1 ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het in zaak C onder 2 ten laste gelegde feit.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak zaak C feit 2

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachte wetenschap had van het aan hem opgelegde locatieverbod.

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn opgenomen in de bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van de in zaak A, zaak B en zaak C onder 1 ten laste gelegde feiten.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

zaak A

hij op 8 maart 2025 te Heemskerk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen die [slachtoffer 1] in zijn lichaam en hoofd heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

zaak B

feit 1

hij op 22 februari 2025 te Heemstede winkelgoederen (te weten Robijn wasmiddel), die aan [slachtoffer 2] B.V. toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 2

hij op 22 februari 2025 te Haarlem winkelgoederen (te weten Nutrilon en wasmiddel), die aan [slachtoffer 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

zaak C

feit 1

hij op 24 februari 2025 te Haarlem winkelgoederen, die aan [slachtoffer 4] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

zaak A:

poging tot doodslag

zaak B feit 1 en 2, zaak C feit 1:

telkens, diefstal

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Standpunten

De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde feit volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard en moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

Ter beantwoording van de vraag of en in welke mate het in zaak A bewezenverklaarde feit aan de verdachte kan worden toegerekend, heeft de rechtbank kennisgenomen van het multidisciplinair Pro Justitia rapport van 27 juni 2025, opgesteld door C.W.M. Classens, GZ-psycholoog, en J.E. Julsing, psychiater. Uit dit rapport komt onder meer het volgende naar voren:

Bij betrokkene is sprake van een psychotische stoornis, geclassificeerd als schizofrenie, continu, en een posttraumatische stressstoornis met dissociatieve symptomen. Daarnaast is sprake van een ernstige stoornis in gebruik van cocaïne, een matige stoornis in gebruik van cannabis en een matige stoornis in het gebruik van alcohol (thans alle drie in remissie binnen de gereguleerde omgeving van detentie).

Op de avond van het tenlastegelegde is betrokkene onder invloed van alcohol, maar zijn er geen aanwijzingen voor drugsgebruik. Betrokkene komt bij een vriend thuis [naam] tegen, een man uit zijn gebruikersnetwerk bij wie hij een periode heeft verbleven en door wie hij vertelt herhaaldelijk seksueel misbruikt te zijn. Deze ervaringen hebben geresulteerd tot post-traumatische stressklachten, waaronder dissociatie. Op moment dat betrokkene meent dat [naam] opnieuw seksuele toenadering zoekt, krijgt hij een opdrachtgevende hallucinatie om [naam] dood te maken. Hij beschrijft dat iets hem overneemt, dat maakt dat hij een nabijgelegen mes pakt en op [naam] gaat insteken. Onderzoekers vermoeden dat hij op dat moment tevens dissociatieve verschijnselen vertoont en mogelijk vanuit trauma in een “vecht”-response" terecht komt. Ook is het voorstelbaar dat het gebruik van alcohol een verdere ontremmende werking heeft gehad op zijn gedrag. Voor onderzoekers is helder dat er een directe relatie bestaat tussen de psychose van betrokkene en dat er een interactie is geweest met de aan traumagerelateerde klachten en het alcoholgebruik. Van enige keuzevrijheid is geen sprake geweest.

Onderzoekers adviseren het tenlastegelegde, indien bewezen, geheel niet toe te rekenen.

De rechtbank is van oordeel dat het rapport op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de conclusies van de gedragsdeskundigen worden gedragen door een deugdelijk en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over. De rechtbank acht de verdachte ten aanzien van het in zaak A bewezenverklaarde dan ook volledig ontoerekeningsvatbaar. Dit betekent dat de verdachte niet strafbaar is, zodat hij ten aanzien van dit feit zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van de onder zaak B en zaak C ten laste gelegde feiten is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom ten aanzien van deze feiten strafbaar.

6. Motivering van de sancties

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde feit gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met dwangverpleging zal worden opgelegd, gezien de ernst van het feit, de ernst van de stoornis en het daaruit voortvloeiende herhalingsgevaar, de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht ten aanzien van de in zaak B en zaak C onder 1 ten laste gelegde feiten artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) toe te passen en de verdachte daarvoor schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van zaak A primair gerefereerd aan de verzochte tbs-maatregel met dwangverpleging. Subsidiair heeft de verdediging verzocht aan de verdachte naast een tbs-maatregel geen aanvullende gevangenisstraf op te leggen.

Ten aanzien van de in zaak B en zaak C ten laste gelegde feiten heeft de verdediging de rechtbank verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdediging heeft de rechtbank verzocht artikel 9a Sr toe te passen dan wel aan de verdachte een geldboete op te leggen, dan wel een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen of een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Zaak A

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat het in zaak A ten laste gelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend en dat zij hem daarom ten aanzien van dat feit zal ontslaan van alle rechtsvervolging. Om die reden is het opleggen van een straf niet meer aan de orde. De rechtbank moet echter wel beoordelen of aan de verdachte een maatregel moet worden opgelegd ter bescherming van de maatschappij. Bij de beslissing of aan de verdachte de tbs-maatregel moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de zitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door meermalen met een mes in het lichaam en het hoofd van het slachtoffer te steken. Het geweld dat de verdachte tegen het slachtoffer heeft gebruikt, heeft niet enkel fysiek letsel tot gevolg gehad, maar heeft ook psychische schade veroorzaakt zoals blijkt uit de door hem ingediende vordering tot schadevergoeding.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft bij de beantwoording van de vraag of aan de verdachte een tbs-maatregel moet worden opgelegd het hierboven onder 5.2 genoemde multidisciplinaire Pro Justitia rapport betrokken. Uit de rapportage komt onder meer het volgende naar voren:

Op grond van risicotaxatie-instrumenten en klinische weging wordt het risico op recidive hoog in geschat.

Betrokkene ontvangt sinds 2019 (verplichte) GGZ-behandeling. Voor het tenlastegelegde was hij middels een zorgmachtiging in zorg bij een ambulant forensisch team. Dit kader heeft echter de huidige escalatie niet kunnen voorkomen en is niet meer passend bij het risiconiveau. Betrokkene heeft geen ziekte-inzicht en aldus geen probleembesef. Zijn psychosociale omstandigheden zijn zeer ongunstig.

De beschreven ernst en duur van de aanwezige schizofrenie, de gebrekkige response op de geboden behandelingen tot nu toe en de ernstige mate van comorbiditeit sorteren een negatief effect op het verdere beloop en dus de prognose van de schizofrenie. Een langdurige, intensieve en integratieve behandeling is daarom noodzakelijk. Gezien de ernstige psychotische klachten met agressieve bevelshallucinaties en wanen, zijn beïnvloedbaarheid en de sterke craving naar middelen wordt een behandeling in een kliniek met een hoog beveiligingsniveau geadviseerd. Inhoudelijk gezien zijn de belangrijkste behandelgebieden bij schizofrenie farmacotherapie en interventies zoals psycho-educatie, cognitieve gedragstherapie en verschillende vormen van vaktherapie. Op termijn dient er aandacht en zorg te zijn voor maatschappelijke participatie en rehabilitatie. Gezien de link die er is tussen de schizofrenie en het middelenmisbruik dient er een geïntegreerde behandeling plaats te vinden waarbij ook op de verslaving gerichte psychosociale interventies wordt ingezet. Voor de aanwezige traumagerelateerde klachten kunnen hiervoor bestemde behandeltechnieken zoals EMDR of imaginaire rescripting / exposure worden ingezet.

Bovengenoemde interventies en condities kunnen naar mening van onderzoekers alleen naar behoren worden uitgevoerd binnen een TBS-maatregel met dwangverpleging.

De huidige zorgmachtiging is onvoldoende om het hoge recidiverisico te beheersen en heeft, indien bewezen, het huidige tenlastegelegde niet kunnen voorkomen. Psychotische symptomen zijn sinds hun aanvang nagenoeg onafgebroken aanwezig en behandeling daarvan wordt ernstig bemoeilijkt door het comorbide middelengebruik en het gebrek aan ziektebesef. Een eventuele verplichte opname in het kader van een zorgmachtiging zal slechts dienen ter stabilisatie van een acuut beeld en na ontslag zal betrokkene hoogstwaarschijnlijk weer terugvallen in middelengebruik met alle negatieve gevolgen op zijn toestandsbeeld en functioneren van dien. Een zorgmachtiging biedt per definitie geen garantie op de benodigde langdurige behandeling en betrokkene heeft een meer dwingend forensisch behandelkader nodig.

Onderzoekers hebben nagedacht over of het recidiverisico voldoende in te perken valt met een TBS met voorwaarden. Betrokkene heeft niet eerder een behandelkader binnen het strafrecht opgelegd gekregen en is niet eerder veroordeeld voor een geweldsdelict. Echter, wil een TBS met voorwaarden een kans van slagen hebben, dan is het belangrijk dat betrokkene zich gemotiveerd en daarmee verantwoordelijk toont voor behandeling en in staat is zich te committeren aan de voorwaarden. En het is juist deze motivatie die is aangedaan, samenhangend met een gebrek aan probleembesef. Het ziektebeeld schizofrenie creëert defecten zoals emotionele vervlakking en een gebrek aan empathie / invoeling welk zich in gedrag toont door een toenemende mate van “onverschilligheid”. De kans is dus

aanzienlijk dat het hem niet zal lukken zich te houden aan de voorwaarden waardoor hij alsnog een TBS met dwangverpleging opgelegd zal krijgen. Hierdoor zal er veel tijd verloren gaan welk betrokkene en het risiconiveau niet ten goede zal komen.

Bovenstaande overziend komen onderzoekers tot de conclusie dat de veiligheid van de

ander en de algemene veiligheid enkel voldoende geborgd kan worden door het opleg-

gen van een maatregel TBS met dwangverpleging.

De op te leggen maatregel

De rechtbank kan zich met het hierboven besproken rapport verenigen en zij neemt de weergegeven conclusie en het advies over. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de verdachte dringend noodzakelijk is met het oog op het terugdringen van het als hoog ingeschatte recidivegevaar. De verdachte kampt met een ziekelijke stoornis van de geestvermogens en deze stoornis was ten tijde van het gepleegde delict aanwezig. Het door de verdachte begane delict is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Omdat de algemene veiligheid van personen deze maatregel eveneens eist, zal de rechtbank aan de verdachte de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege (dwangverpleging) opleggen. Het bewezenverklaarde feit is een misdrijf gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de tbs-maatregel is daarom niet beperkt tot vier jaren.

Zaak B en zaak C

Gelet op de ernst van de bij de verdachte vastgestelde psychiatrische problematiek en in het licht van de op te leggen tbs-maatregel, ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van een afzonderlijke straf ter zake van de in zaak B en zaak C bewezenverklaarde diefstallen. De verdachte zal op grond van artikel 9a Sr voor dit feit schuldig worden verklaard zonder oplegging van een straf of maatregel.

7. Beslag

De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een mes, verbeurd moet worden verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het in zaak A bewezenverklaarde feit met behulp van dat voorwerp, dat aan de verdachte toebehoort is begaan.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel - zaak A

Inhoud van de vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 23.782,72 ingediend, vermeerderd met de wettelijke rente, wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit € 8.282,72 aan materiële schade en € 15.500,- immateriële schade.

Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de immateriële schade geheel voor vergoeding in aanmerking komt. Ten aanzien van de materiële schade heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.790,84. Dit betreft de gemaakte kosten voor medisch vervoer, ziekenhuisdaggeldvergoeding, huishoudelijke hulp, verhuiskosten en reiskosten. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overige gevorderde schadeposten (inrichting woning, verlies arbeidsvermogen en telefoonkosten) onvoldoende onderbouwd zijn en daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze op een dusdanig laat moment is ingediend, dat hij zich niet goed op de vordering heeft kunnen voorbereiden. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat vanwege het ontslag van alle rechtsvervolging aan de verdachte geen schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd. Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het standpunt van de officier van justitie, maar de rechtbank verzocht om de vordering wel te matigen wegens eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer en de draagkracht van de verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Tijdstip indienen vordering en belasting strafgeding

De rechtbank ziet geen aanleiding de vordering niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het tijdstip waarop deze is ingediend. De vordering is relatief eenvoudig van aard en onderbouwd met bewijsstukken en jurisprudentie. De verdediging heeft voldoende gelegenheid gehad om zich ten aanzien van de vordering voor de inhoudelijke behandeling op de terechtzitting voor te bereiden en op die vordering te reageren.

Dit verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Materiële schade

Het gedeelte van de vordering dat ziet op medische kosten (€ 387,95), ziekenhuisdaggeldvergoeding (€ 342,-), huishoudelijk hulp (€ 704,-) en reiskosten ten aanzien van afspraken in het ziekenhuis (€ 32,43) is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt de rechtbank vast dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (totaal € 1.466,38) daarom toe.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het (toekomstig) verlies van arbeidsvermogen, verhuiskosten, inrichting woning, telefoonkosten en overige reiskosten niet-ontvankelijk, omdat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd. De benadeelde heeft onvoldoende onderbouwd dat deze kosten het rechtstreeks gevolg zijn van het bewezenverklaarde feit en dat er dus sprake is van het vereiste causaal verband. Voor de verhuiskosten en daarbij komende kosten geldt dat niet vaststaat dat de benadeelde noodzakelijkerwijs moest verhuizen, vanwege de aan de verdachte verweten gedragingen. Uit de toelichting ter zitting is gebleken dat de benadeelde op advies van zijn behandelaars is verhuisd naar een andere woonvorm, vanwege bij hemzelf bestaande beperkingen. Ook heeft de benadeelde partij wat betreft het gestelde verlies arbeidsvermogen onvoldoende informatie aangeleverd over de duur van zijn dienstverband, het zicht op verlenging hiervan en de mate van arbeidsongeschiktheid.

De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een onevenredige belasting van deze strafprocedure. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Immateriële schade

Gelet op artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij heeft immers ernstig lichamelijk letsel opgelopen. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op het gevorderde bedrag van € 15.500,-. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag aansluiting gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal’, een ordening van smartengeldbedragen. Naar het oordeel van de rechtbank past het feit in de categorie a van ‘Milt’ van die schaal (14.11) met een bijpassend bedrag van minimaal € 14.000,- en wordt hierbij een bedrag opgeteld gelet op aard van de aansprakelijkheid: de verdachte heeft de benadeelde partij in een woning uit het niets meerdere messteken toegebracht.

Eigen schuld slachtoffer en draagkracht verdachte

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer, terwijl de verdediging dit evenmin voldoende heeft onderbouwd. Ook is niet gebleken dat sprake is van onvoldoende draagkracht aan de kant van de verdachte. Het enkele feit dat de verdachte op dit moment niet in staat zou zijn de vordering te betalen, betekent niet dit in de toekomst ook zo zal zijn. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Conclusie

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een totaalbedrag van € 16.966,38.

Wettelijke rente en kosten tenuitvoerlegging

De toegewezen schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de betreffende schade. Voor de immateriële schade en ziekenhuisdaggeldvergoeding van in totaal € 15.842,- betreft dit 8 maart 2025 (datum bewezenverklaard feit). Voor de huishoudelijke hulp en reiskosten van in totaal € 736,43 betreft dit 17 maart 2025 (datum ontslag uit ziekenhuis). Voor de medische kosten van € 387,95 betreft dit 2 juli 2025 (datum afschrijving eigen risico).

Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Artikel 36f, eerste lid, Sr bepaalt dat aan degene die wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld tot een straf of maatregel de verplichting kan worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer. Omdat aan de verdachte in de onderhavige zaak een maatregel zal worden opgelegd, kan aan hem ook de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van het slachtoffer worden opgelegd. Het verweer van de raadsman op dit punt wordt dan ook verworpen.

De rechtbank ziet als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte (kort gezegd: poging tot doodslag) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

De rechtbank acht het onwaarschijnlijk dat de verdachte, aan wie een tbs-maatregel is opgelegd, in staat zal zijn binnen redelijke termijn aan zijn verplichtingen te voldoen. Daarmee zou de normaliter op te leggen gijzeling, die is bedoeld als drukmiddel voor betalingsonwilligen, een punitief karakter krijgen, hetgeen de rechtbank onwenselijk acht. Daarom zal de rechtbank bepalen dat bij gebreke aan betaling van het aan de Staat te betalen bedrag geen gijzeling zal worden toegepast.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 37a, 37b, 45, 57, 287 en 310 Sr.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte in zaak C onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de in zaak A, zaak B en zaak C onder 1 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte voor het in zaak A bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging;

verklaart de verdachte voor de in zaak B en zaak C bewezenverklaarde feiten strafbaar;

bepaalt dat ten aanzien van de in zaak B en C bewezenverklaarde feiten geen straf of maatregel wordt opgelegd;

gelast ter zake van het in zaak A bewezen feit dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;

verklaart verbeurd: 1 STK mes, voorwerpnummer: G1706911;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 16.966,38 (zestienduizend negenhonderdzesenzestig euro en achtendertig eurocent), bestaande uit € 1.466,38 als vergoeding voor de materiële schade en € 15.500,- als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over:

tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 16.966,38 (zestienduizend negenhonderdzesenzestig euro en achtendertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 0 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente over:

tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Mac Donald, voorzitter,

mr. A. Buiskool en mr. I.E. Voorberg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier S.D.C. Schoenmaker,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 januari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S. Mac Donald
  • mr. A. Buiskool
  • mr. I.E. Voorberg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?