ECLI:NL:RBNHO:2026:1840

ECLI:NL:RBNHO:2026:1840

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 26-01-2026
Datum publicatie 25-02-2026
Zaaknummer 15-216643-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlemmermeer

Samenvatting

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing door in de nacht een cobra aan te steken en te plaatsen in de brievenbus van een woning. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een drietal diefstallen. De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van twintig maanden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15-216643-25 en 15-144449-25 (gev. ttz.) (P)

Uitspraakdatum: 26 januari 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 januari 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

Willemsoord 66, 1781AS [geboorteplaats] ,

nu gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd ter terechtzitting van 20 oktober 2025.

De zaak met parketnummer 15-216643-25 wordt hierna aangeduid als zaak A.

De zaak met parketnummer 15-144449-25 wordt hierna aangeduid als zaak B.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. M. Lenderink, en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. M. Berbee, advocaat te Den Helder, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Zaak A

hij op of omstreeks 20 april 2025 te Den Helder, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een cobra, althans een explosief aan te steken en/of tot ontploffing te brengen en/of deze cobra/dit explosief in de brievenbus te plaatsen en/of in de nabijheid van de woning gelegen aan de [adres 1] te leggen/gooien terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en/of en de in de woning aanwezige goederen te duchten was;

Zaak B

feit 1 hij op of omstreeks 6 april 2025 te Den Helder een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 2 hij op of omstreeks 7 april 2025 te Den Helder kaas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam supermarkt 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 3 hij op of omstreeks 12 mei 2025 te Den Helder winkelgoederen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam supermarkt 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de in zaak A en zaak B ten laste gelegde feiten. Op het standpunt van de officier van justitie zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het in zaak A ten laste gelegde feit. Ten aanzien van de in zaak B ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op het verweer van de raadsman zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de in zaak A en zaak B ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.

Bewijsmotivering zaak A

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast. In de nacht van 20 april 2025 heeft er een ontploffing plaatsgevonden aan de [adres 1] te Den Helder, door een cobra aan te steken en in de brievenbus te plaatsen. Daardoor is schade aan de woning ontstaan. Op camerabeelden van de [adres 2] (camera 1) is te zien dat een persoon verschijnt ter hoogte van de steeg gelegen tussen de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] . De persoon begeeft zich naar de woning van aangever en stopt voor de woning. Enkele seconden later is op diezelfde plek een lichtflits te zien die in korte tijd steeds feller wordt en vervolgens verdwijnt. De persoon verdwijnt vervolgens achter een geparkeerde autobus ter hoogte van de eerdergenoemde steeg. Kort daarna is te zien dat een fel en groot licht verschijnt, gevolgd door een hele korte grote lichtflits. Op datzelfde moment is een harde knal te horen.

Kort na de knal zien twee getuigen een man op een fiets voorbijkomen vanuit de richting van de knal. Getuige [naam 1] heeft verklaard dat hij de man zag fietsen over de [straatnaam 2] en rechtsaf zag slaan naar de [straatnaam 3] . Getuige Lont heeft verklaard dat hij keek in de richting vanwaar de knal kwam en de man zag fietsen over de [straatnaam 3] . De persoon fietste in de richting van de [straatnaam 4] / [straatnaam 5] . De getuigen verklaren beiden dat de persoon op de fiets een man was met een rode broek en zwart hoofddeksel.

De route van de fietser is door verbalisanten aan de hand van de getuigenverklaringen en camerabeelden nagelopen. Op verschillende camerabeelden is een man te zien met een witte huidskleur, donker hoofddeksel, zwarte bovenkleding en een roodgekleurde lange broek. Deze man is op verschillende camerabeelden door verbalisanten herkend als zijnde de verdachte, te weten op camerabeelden van de [straatnaam 3] 167 (camera 3) en de [straatnaam 6] (camera 4), als ook camerabeelden van de [naam supermarkt 1] bij de [straatnaam 6] en [naam 2] aan het Helden ter Zeeplein. De fiets met grijze fietstassen, die op de camerabeelden ook is te zien, is door de politie aangetroffen vlakbij de woning van de vriendin van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de persoon is die te zien is op een deel van de camerabeelden (te weten camera 3 en 4) en dat hij een rode broek heeft. In het perkje voor de woning waar de explosie heeft plaatsgevonden is een sigaret aangetroffen. Uit forensisch DNA-onderzoek blijkt dat op het filter van de sigaret DNA van de verdachte is aangetroffen.

Betrokkenheid verdachte bij de explosie

De rechtbank gaat er vanuit dat de persoon die op alle camerabeelden is te zien, dus ook op camera 1 en 2, dezelfde persoon is als door de getuigen is gezien en omschreven. De rechtbank leidt dit af uit het volgende. Op camera 1 is te zien dat de dader van de explosie om 00.37.25 uur via een steeg naar de [straatnaam 2] wegvlucht. De twee getuigen zagen zeer kort na die explosie een man met een opvallend rode broek fietsen. Deze man komt, zo blijkt uit camera 2 ( [straatnaam 1] 26), 28 seconden na de knal uit de [straatnaam 2] fietsen. De rechtbank gaat er vanwege dit korte tijdsbestek vanuit dat de getuigen de dader hebben zien wegfietsen. De route van de fietser met de rode broek is door de politie via camerabeelden in de stad nagelopen en op de camerabeelden 3 en 4 wordt de fietser door verbalisanten herkend als zijnde de verdachte. Daar komt bij dat op het filter van een sigaret in de directe nabijheid van de woning van aangever het DNA van de verdachte is aangetroffen.

Gelet op alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat de verdachte de persoon is geweest die op 20 april 2025 een explosief tot ontploffing heeft gebracht aan de [adres 1] te [geboorteplaats] . Aan die conclusie draagt bij dat de verdachte voor bovenstaande feiten en omstandigheden geen aannemelijke, ontzenuwende verklaring heeft gegeven.

De enkele, niet nader onderbouwde stelling, van de verdachte dat hij mantelzorger was van iemand daar in de buurt is daarvoor niet voldoende. De verdachte heeft bij de politie noch tegen de rechtbank willen zeggen om wie het hier gaat, zodat zijn stelling niet verifieerbaar is. Reeds hierom legt de rechtbank zijn verklaring als ongeloofwaardig terzijde.

Het door de raadsman aangevoerde verweer, inhoudende dat de DNA-match niet redengevend kan zijn omdat de sigarettenpeuk een verplaatsbaar object is en mogelijk geplaatst is (dwaalspoor), volgt de rechtbank evenmin. Er is door de verdachte geen enkele alternatieve reden voor het aantreffen op de plaats delict van de sigaret met de DNA-match naar voren gebracht. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de DNA-match pas volgde nadat de herkenningen van de verdachte als de fietser met de rode broek al waren gedaan, terwijl deze afzonderlijke bevindingen elkaar dus ondersteunen.

Conclusie

Het voorgaande betekent dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing bij het huis van aangever.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Zaak A

hij op 20 april 2025 te Den Helder opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een cobra aan te steken en tot ontploffing te brengen en deze cobra in de brievenbus te plaatsen van de woning gelegen aan de [adres 1] terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voor voornoemde woning en de in de woning aanwezige goederen, te duchten was;

Zaak B

feit 1 hij op 6 april 2025 te Den Helder een fiets, die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 2 hij op 7 april 2025 te Den Helder kaas, die aan [naam supermarkt 1] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

feit 3 hij op 12 mei 2025 te Den Helder winkelgoederen, die aan [naam supermarkt 2] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

zaak A:

opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

zaak B:

telkens, diefstal.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is daarom strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gelet op de in zaak A bepleitte vrijspraak, verzocht om aan de verdachte een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht een gevangenisstraf op te leggen waarbij het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest met eventueel een voorwaardelijk deel met een proeftijd van 2 jaren.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing door in de nacht een cobra aan te steken en te plaatsen in de brievenbus van een woning. Het teweegbrengen van dergelijke explosies is de laatste jaren in aantal toegenomen en heeft kennelijk tot doel personen te intimideren. Deze explosies veroorzaken grote schade en hebben niet alleen een grote impact op de direct betrokkenen, zoals aangever ook heeft verwoord in zijn vordering tot schadevergoeding, maar zorgen ook voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid voor anderen in de samenleving. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan het ontstaan van die gevoelens en heeft zich niet laten weerhouden door het voorzienbare gevaar. Door zijn handelen is immers een zeer gevaarlijke situatie ontstaan, waarbij schade is ontstaan aan de woning. De rechtbank neemt de verdachte kwalijk dat hij dit gevaar kennelijk voor lief heeft genomen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een drietal diefstallen. Hiermee heeft hij inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 juli 2025. Hieruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor het teweegbrengen van een ontploffing. De verdachte is wel veelvuldig veroordeeld voor vermogensfeiten.

Het reclasseringsadvies van 17 december 2025 vermeldt dat er indicaties aanwezig zijn voor het inzetten van interventies en dat een omvangrijk plan van aanpak nodig is om het recidiverisico te verlagen. De reclassering ziet echter dat de verdachte niet gemotiveerd is en ziet geen mogelijkheden om aan de wensen van de verdachte te voldoen en het recidiverisico te verlagen. Zij adviseren daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden.

De op te leggen straf

De ernst van de feiten maakt dat de rechtbank alleen oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden vindt. Daarbij heeft de rechtbank gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor de strafoplegging van de rechtspraak en straffen die rechtbanken en gerechtshoven in vergelijkbare zaken opleggen.

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van twintig maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Voor een voorwaardelijk deel ziet de rechtbank geen aanleiding.

Tenuitvoerlegging

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. Beslag

De rechtbank is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een telefoon, moet worden teruggegeven aan de verdachte.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel – zaak A

Inhoud van de vordering

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.000,- ingediend, vermeerderd met de wettelijke rente hierover, wegens immateriële schade die hij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

Standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade geheel voor vergoeding in aanmerking komt.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende met concrete gegevens onderbouwd is en dat onduidelijk is of de vordering ziet op schade van de benadeelde partij of zijn gezinsleden. De raadsman heeft daarom verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag redelijk is en voor vergoeding in aanmerking komt.

Oordeel van de rechtbank

Gelet op artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in de eer of goede naam of op andere wijze. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.

Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat hij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft voldoende concrete gegevens gesteld waaruit de ernst van de gevolgen blijkt. De benadeelde partij was in de woning op het moment dat de ontploffing plaatsvond midden in de nacht, hij werd wakker van de knal en aan zijn woning is schade ontstaan. De ontploffing heeft een grote impact gehad op het hele gezin. Het vermoeden bestond dat een en ander een relatie had met het werk van benadeelde, zodat dit ook gevolgen heeft gehad voor de manier waarop hij zijn werk nadien heeft uitgevoerd. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijke rente.

Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes in zaak A bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: opzettelijk een ontploffing teweegbrengen] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 57, 157, 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de in zaak A en zaak B ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de teruggave aan de verdachte van: één telefoon, goednummer: PL1100-2025087337-1722749;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 1.000,- (duizend euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,- (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A. Buiskool, voorzitter,

mr. S. Mac Donald en mr. I.E. Voorberg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.D.C. Schoenmaker,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 januari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A. Buiskool
  • mr. S. Mac Donald
  • mr. I.E. Voorberg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?