RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/201017-24 en 09/099440-23 (tul) (P)
Uitspraakdatum: 26 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 februari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] ,
nu uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie
mr. A. van den Driest en mr. C.J. Booij (hierna elk afzonderlijk, dan wel gezamenlijk aangeduid als: de officier van justitie) en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.S.E. Bruinen, advocaat te Amsterdam , naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
De verdachte wordt er – zakelijk weergegeven – van verdacht dat hij zich op 14 januari 2024 schuldig heeft gemaakt aan het, samen met een ander, veroorzaken van een ontploffing en brand bij een woning aan de [adres 2] in Alkmaar.
De tenlastelegging luidt als volgt:
hij op of omstreeks 14 januari 2024 te Alkmaar tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht bij een pand (woning), gelegen aan de [adres 2] te Alkmaar door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres 2] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) te duchten was.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd van de zaak kennis te nemen, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de verdachte partieel vrij te spreken van het stichten van brand. Volgens de raadsvrouw kan op basis van het onderzoek door de politie niet worden vastgesteld dat bij de ontploffing – naast vuurwerk – ook een brandbare vloeistof is gebruikt. Ook wanneer de rechtbank zou oordelen dat sprake is van een voltooide brandstichting wordt verzocht de verdachte daarvan vrij te spreken, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het stichten van brand.
De raadsvrouw heeft verder betoogd dat in deze zaak geen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor personen te duchten was, zodat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging partieel moet worden vrijgesproken. Mocht de rechtbank hier anders over oordelen, dan verzoekt de raadsvrouw de rechtbank om het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar alleen aan te nemen voor aanwezigen in het pand en niet voor (een) passant(en). Ten slotte heeft de raadsvrouw verzocht de verdachte vrij te spreken van gemeen gevaar voor goederen met betrekking tot ‘aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen’.
Oordeel van de rechtbank
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsmotivering
Brandstichting
De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van brandstichting en overweegt daartoe het volgende.
Bij forensisch onderzoek op de plaats delict zijn, naast de resten van minimaal één Cobra 6, deels verbrande delen van een plastic fles aangetroffen, alsmede een door hitte aangetaste tie-wrap. Op camerabeelden van 14 januari 2024, vanaf 00:39:43 uur, is te zien dat twee mannen langs de woning aan de [adres 2] in Alkmaar lopen. Vervolgens is te zien dat vanuit de richting van de twee mannen een stuk vuurwerk in de richting van de voordeur van genoemde woning wordt gegooid, waarna een explosie plaatsvindt. De rechtbank leidt uit de screenshots 12, 13 en 14 (dossierpagina’s A 47 en 48) af dat er direct na de ontploffing vuur ontstaat, dat zich verspreidt over de grond in de tuin en tegen de voordeur. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de conclusie van de Forensische Opsporing dat het, gelet op het aantreffen van de verbrande fles en het ontstane vuur, niet anders kan dan dat gebruik is gemaakt van een zelfgemaakte explosieve constructie, te weten een combinatie van vuurwerk en brandstof (hierna ook: VBC). Het toevoegen van een fles met brandbare vloeistof aan een stuk vuurwerk dient geen ander doel dan het veroorzaken van brand en die brand is in dit geval ook daadwerkelijk ontstaan.
Het (vol) opzet van de verdachten op de brandstichting ligt besloten in de handeling van het gooien van de VBC naar de woning.
Gemeen gevaar voor goederen
Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het veroorzaakte gemeen gevaar voor goederen zich niet uitstrekt tot aangrenzende panden en daarin aanwezige goederen. Van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt de verdachte partieel vrijgesproken.
Gevaar voor zwaar lichamelijk letsel/levensgevaar
De rechtbank is van oordeel dat vanwege de brand niet alleen gemeen gevaar voor goederen, maar ook gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor de bewoners van de woning aan de [adres 2] in Alkmaar te duchten was. Van zodanig te duchten gevaar is sprake als ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing/de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest dat mensen door de brand zouden kunnen omkomen of zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in de nacht door de ontploffing van de VBC vuur bij de voordeur van de woning is ontstaan en dat dit vuur zich, wanneer het niet tijdig was gedoofd, via de voordeur had kunnen uitbreiden naar binnen in de woning, waar op dat moment meerdere personen aanwezig waren die – op één persoon na – lagen te slapen (althans in hun slaapkamers waren). Ook uit het forensisch onderzoek (dossierpagina A 244) volgt dat gevaar is ontstaan voor de bewoners. Onder deze omstandigheden was levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige bewoners van de [adres 2] in Alkmaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar. De rechtbank weegt hierbij mee dat uit de Vakbijlage “Vuurwerk Brandstof Combinaties” van het NFI (dossierpagina A 227 e.v.) volgt dat bij het ontsteken van een VBC onder andere het risico ontstaat op een drukgolf, scherfwerking en gevaar dat samenhangt met de brandstof (waaronder het ontstaan van brand).
Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar geldt ten aanzien van de in de woning aanwezige personen en niet ten aanzien van ‘passanten’. De verdachte wordt daarom van dat onderdeel van de tenlastelegging partieel vrijgesproken.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 14 januari 2024 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht bij een woning, gelegen aan de [adres 2] te Alkmaar, door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een Cobra 6) en een flesje met snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en ontbranding te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres 2] te Alkmaar en de in voornoemd pand aanwezige goederen en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten aanwezigen in voornoemd pand te duchten was.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
Medeplegen van opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht het adolescentenstrafrecht (ASR) toe te passen, of in ieder geval in strafmatigende zin rekening te houden met de jeugdige leeftijd van de verdachte. Verder moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld, met het tijdsverloop en met de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis van de verdachte sinds december 2024 is geschorst. De raadsvrouw heeft verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis te laten voortduren, dan wel de voorlopige hechtenis opnieuw te schorsen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich, samen met een ander, op 14 januari 2024, kort na middernacht, schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing en aan brandstichting bij een woning in Alkmaar. De verdachten hebben bij de voordeur van de woning een vuurwerkbom (een Cobra 6 in combinatie met een flesje benzine) tot ontploffing gebracht, met een brand als gevolg. In de woning waren meerdere personen aanwezig, die – op één na – boven in hun slaapkamers waren. De vader van het gezin zat beneden in de woonkamer. Door deze toevallige omstandigheid was hij in staat om het vuur in de kiem te smoren. Wanneer dit niet het geval was geweest, had dit desastreuze gevolgen kunnen hebben. De enorme knal van de explosie en het ontstane vuur moeten voor de aanwezige bewoners zeer beangstigend zijn geweest. Het gezin heeft de woning noodgedwongen moeten verlaten en heeft geruime tijd onder moeilijke omstandigheden elders moeten verblijven. De aanslag heeft ook in bredere kring maatschappelijke onrust en gevoelens van angst en onveiligheid teweeg gebracht. De verdachten hebben kennelijk alleen oog gehad voor geldelijk gewin of andere eigen belangen en zich niets gelegen laten liggen aan de gevolgen van hun handelen voor de slachtoffers.
Persoon van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte van 22 januari 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
De rechtbank heeft verder kennis genomen van het advies van de reclassering van 30 januari 2026. De verdachte staat sinds augustus 2023 onder toezicht van de reclassering. De reclassering constateert dat in de afgelopen twee jaar, ondanks de ingezette interventies, geen gedragsverandering is opgetreden. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Toepasselijk sanctiestelsel
De verdachte was ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit 19 jaar oud.
Uitgangspunt is dat op een jongvolwassene, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit meerderjarig is, het volwassenenstrafrecht wordt toegepast, tenzij de rechtbank in bijzondere omstandigheden aanleiding ziet daarvan af te wijken en op grond van artikel 77c Sr de bepalingen van het jeugdstrafrecht (ASR) toe te passen. Hiertoe kan de rechtbank beslissen op grond van de persoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De reclassering rapporteert dat zij met de beschikbare informatie niet kan adviseren of toepassing van het ASR wenselijk is. Vanwege de proceshouding van de verdachte heeft de reclassering geen zicht gekregen op de (eventuele) motieven van de verdachte met betrekking tot het ten laste gelegde feit. Daardoor is niet duidelijk geworden of er sprake is van beperkte handelingsvaardigheden. Uit overleg met de Raad voor de Kinderbescherming is naar voren gekomen dat ook zij geen aanwijzingen zien voor toepassing van het ASR. De reclassering komt, alles afwegend, tot het advies om het volwassenenstrafrecht toe te passen.
De rechtbank kan zich vinden in dit advies. De verdachte wordt daarom berecht volgens het volwassenenstrafrecht, waarbij de rechtbank overigens bij de strafbepaling wel rekening houdt met de jonge leeftijd van de verdachte.
Strafoplegging
De rechtbank is van oordeel dat alleen oplegging van een gevangenisstraf recht doet aan de ernst van het bewezen verklaarde feit. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.
Alles afwegend acht de rechtbank met de officier van justitie een gevangenisstraf van twintig maanden (met aftrek van voorarrest) passend.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis
De voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 11 december 2024 geschorst tot de einduitspraak in eerste aanleg. Sinds 16 januari 2026 bevindt de verdachte zich in voorlopige hechtenis in verband met een nieuwe verdenking, waarvoor ernstige bezwaren en gronden zijn aangenomen. Vooralsnog moet het er voor worden gehouden dat de verdachte hiermee de aan de schorsing verbonden voorwaarde zich niet schuldig te maken aan een strafbaar feit, heeft overtreden. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding om de voorlopige hechtenis van de verdachte opnieuw te schorsen. Eventuele persoonlijke belangen van de verdachte (die overigens niet zijn aangevoerd) wegen niet op tegen het belang van strafvordering.
7. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
De vorderingen
Als benadeelde partijen hebben de volgende personen, te weten de bewoners van de woning [adres 2] te Alkmaar, zich in de strafzaak gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend:
1. [slachtoffer 1] ;
2. [slachtoffer 2] ;
3. [slachtoffer 3] ;
4. [slachtoffer 4] ;
5. [slachtoffer 5] en
6. [slachtoffer 6] .
De benadeelde partijen 2, 3, 4, 5, en 6 vorderen elk een bedrag van € 8.000,- wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zouden hebben geleden.
De benadeelde partij 1 vordert een bedrag van € 8.794,90 wegens materiële schade. Dit betreft schade aan de inboedel, reinigingskosten, kosten voor verblijf elders en opstalschade, voor zover niet vergoed door de verzekering, vermeerderd met het eigen risico van de verzekering van € 100,-. Daarnaast vordert de benadeelde partij 1 een bedrag van € 8.000,- wegens immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
De benadeelde partijen werden bijgestaan door mr. P.W. van Rijmenam-van Oosterom, advocaat te Amsterdam, als hun gemachtigde.
De gemachtigde heeft de vorderingen ter terechtzitting mondeling toegelicht.
De benadeelde partijen verzoeken elk toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vorderingen van alle benadeelde partijen voldoende onderbouwd en daarom voor toewijzing vatbaar, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft de rechtbank verzocht de vordering van de benadeelde partij 1 ( [slachtoffer 1] ) wat betreft de materiële schade af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren. De bij de vordering gevoegde stukken van de verzekeringsmaatschappij zien namelijk op schade van 9 januari 2024. De schade waarvoor vergoeding wordt gevorderd lijkt dan ook te zijn ontstaan door een andere gebeurtenis dan het ten laste gelegde feit.
De raadsvrouw heeft de rechtbank verder verzocht de benadeelde partij 3 ( [slachtoffer 3] ) niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat deze benadeelde partij niet thuis was ten tijde van de ontploffing bij de woning. De aard en de ernst van de normschending zijn in dit geval niet van dien aard dat geestelijk letsel zonder nadere onderbouwing kan worden vastgesteld.
Met betrekking tot de overige vorderingen heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat het wegens immateriële schade toe te wijzen bedrag telkens moet worden gematigd tot een bedrag van € 1.000,-, omdat de schade beperkt is gebleven en het gevorderde schadebedrag (ad € 8.000,-) kennelijk ziet op meerdere explosies die hebben plaatsgevonden bij de woning.
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partijen 2, 4, 5 en 6
De rechtbank oordeelt dat bewezen is dat de verdachte het feit waarop de vorderingen van de benadeelde partijen 2, 4, 5 en 6 zijn gebaseerd, heeft gepleegd. Dit betekent dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover deze benadeelde partijen (allen bewoners van de getroffen woning aan de [adres 2] in Alkmaar) en dat hij in beginsel verplicht is de daarmee rechtstreeks verband houdende schade van de benadeelde partijen te vergoeden.
Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW heeft degene die in zijn persoon is aangetast (op andere wijze dan door lichamelijk letsel of geschaad zijn in zijn eer of goede naam) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. In beginsel moet degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met voldoende concrete gegevens onderbouwen, zodat het bestaan van geestelijk letsel objectief kan worden vastgesteld. In bepaalde gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending echter meebrengen dat relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen (Hoge Raad 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465).
De rechtbank acht, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting, voorshands duidelijk dat de impact van de vuurwerkbom bij de bewoners van de woning psychisch leed heeft veroorzaakt. De benadeelde partijen 2, 4, 5 en 6 waren thuis toen in de nacht voor de deur van hun woning een ontploffing plaatsvond, waardoor een brand is ontstaan. De knal van de gebruikte Cobra 6 en het vuur moeten zeer beangstigend zijn geweest. Als gevolg van de aanslag hebben de benadeelde partijen geruime tijd niet in hun eigen huis kunnen verblijven. De rechtbank stelt vast dat de aard en de ernst van de onderhavige normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De benadeelde partijen 2, 4, 5 en 6 hebben dus recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogde van deze schadevergoeding heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het feit en de daardoor ontstane psychische schade. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken worden toegewezen en op de Rotterdamse Schaal, een binnen de rechtspraak ontwikkelde ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de in die schaal bij 19.3 (bedreigende situaties door opzettelijke ontploffing) onder b (categorie “ernstig”) genoemde bandbreedte (€ 1.000,- tot € 5.000,-).
Vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 4.000,- voor elk van de benadeelde partijen 2, 4, 5 en 6 komt de rechtbank billijk voor.
De rechtbank zal de benadeelde partijen 2, 4, 5 en 6 elk in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen kunnen dit deel van de vordering desgewenst aanbrengen bij de civiele rechter.
De benadeelde partij 1, F. [slachtoffer 1]
Materiële schade
Ter onderbouwing van de gestelde materiële schade zijn bij de vordering van de benadeelde partij 1 een expertiserapport en twee brieven van verzekeringsmaatschappij Nationale Nederlanden gevoegd. De onderwerpregel van de brieven luidt ‘schade d.d. 9 januari 2024’. De gemachtigde van de benadeelde partij heeft ter zitting toegelicht dat naar aanleiding van een incident op 9 januari 2024 een schademelding is gedaan en dat de melding van de schade als gevolg van het incident van 14 januari 2024 vervolgens onder die eerste schademelding is meegenomen. Hierdoor kan naar het oordeel van de rechtbank niet eenvoudig worden vastgesteld welk deel van de schade het rechtstreeks gevolg is van de ontploffing op 14 januari 2024. Nadere bewijsvoering hierover zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de benadeelde partij 1 niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering voor zover die ziet op vergoeding van materiële schade. De benadeelde partij 1 kan dit deel van de vordering desgewenst voorleggen aan de civiele rechter.
Immateriële schade
Vergoeding van de immateriële schade van de benadeelde partij 1 tot een bedrag van € 4.000,- komt de rechtbank billijk voor. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen 2, 4, 5 en 6.
De benadeelde partij 3 [slachtoffer 3]
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij 3 onvoldoende informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij niet met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit (de ontploffing/brandstichting) voor hem heeft gehad. Van de hiervoor bedoelde uitzonderlijke situatie, waarin nadelige geestelijke gevolgen voor het slachtoffer zonder nadere onderbouwing kunnen worden aangenomen, is in dit geval geen sprake. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat de benadeelde partij 3 ten tijde van het bewezenverklaarde feit (ontploffing/brandstichting) niet in de woning aanwezig was.
De benadeelde partij 3 krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een onevenredige belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij 3 niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij 3 kan zijn vordering desgewenst aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Wettelijke rente en kosten
De benadeelde partijen hebben verzocht de toe te wijzen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank zal die wettelijke rente toewijzen, telkens vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken. De tot op heden door de benadeelde partijen gemaakte kosten worden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Ten behoeve van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] , [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] zal de rechtbank, als extra waarborg voor betaling aan hen, aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opleggen, zodat de benadeelde partijen de toegewezen bedragen niet zelf hoeven te innen. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) de inning van de toegekende schadevergoeding zal verzorgen en dat bij het geheel of gedeeltelijk uitblijven van betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat de verdachte het bewezen verklaarde feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht elk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. De rechtbank zal daarom de vordering en de schadevergoedingsmaatregel telkens hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat de verdachte niet hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald en andersom.
8. Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 7 juli 2023 in de zaak met parketnummer 09/099440-23 heeft de politierechter te Den Haag de verdachte ter zake van – kort gezegd – verboden wapenbezit veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van dertig uur, subsidiair 15 dagen hechtenis. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 26 juli 2023 aan de verdachte toegezonden.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 22 juli 2023 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.
De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 9 augustus 2024 gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
Ter zitting heeft de officier van justitie geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
Gebleken is dat er rondom de veiligheidssituatie van de verdachte dusdanige zorgen zijn, dat deze voor de reclassering een contra-indicatie vormen voor de uitvoering van een taakstraf. De rechtbank is daarom met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de vordering moet worden afgewezen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De artikelen 36f, 47, 63 en 157 Wetboek van Strafrecht zijn van toepassing.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij F. [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan F. [slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer F. [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 4] geleden schade tot een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 4] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 5] geleden schade tot een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 5] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 5] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 6] geleden schade tot een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 6] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 6] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Den Haag in de zaak met parketnummer 09/099440-23 opgelegde voorwaardelijke straf.
Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. L. Boonstra, voorzitter,
mr. P. Reemst en mr. I.E. Voorberg, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 februari 2026.
Bijlage
[De bewijsmiddelen]