RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummers: 15/042495-24 en 13/303610-23 (tul) (P)
Uitspraakdatum: 26 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 februari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres 1],
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Lelystad.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie
mr. C.J. Booij en A. van den Driest (hierna elk afzonderlijk, dan wel gezamenlijk aangeduid als: de officier van justitie) en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.C.E.A. Kloosterman, advocaat te Laren, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
De verdachte wordt er – verkort en zakelijk weergegeven – van verdacht dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan de volgende strafbare feiten:
Feit 1: het op 14 januari 2024 medeplegen van het veroorzaken van een ontploffing en brand bij een woning aan de [adres 2] in Alkmaar (primair), dan wel (subsidiair) medeplichtigheid aan dit feit;
Feiten 2, 3 en 4: het op 20 februari 2024 te Amsterdam voorhanden hebben van, respectievelijk, twee stuks professioneel vuurwerk (Cobra 6), een vuurwapen (Glock 19) en een stroomstootwapen;
Feit 5: het op 3 februari 2024 medeplegen van een poging tot het veroorzaken van een ontploffing en brand bij een woning aan de [adres 3] in Alkmaar (primair), dan wel (subsidiair) medeplichtigheid aan dit feit;
Feit 6: het op 4 februari 2024 medeplegen van een poging tot het veroorzaken van een ontploffing en brand bij een woning aan de [adres 3] in Alkmaar (primair), dan wel (subsidiair) medeplichtigheid aan dit feit, dan wel (meer subsidiair) het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor dit feit;
Feit 7: het op 10 februari 2024 medeplegen van een poging tot het veroorzaken van een ontploffing en brand bij een woning aan de [adres 3] in Alkmaar (primair), dan wel (subsidiair) medeplichtigheid aan dit feit, dan wel (meer subsidiair) het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor dit feit.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
2. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd van de zaak kennis te nemen, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 primair, 6 primair en 7 primair ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek aan de drie onder de verdachte in beslag genomen telefoons onrechtmatig is geweest, hetgeen moet leiden tot bewijsuitsluiting en vrijspraak voor de feiten 1, 5, 6 en 7.
Ten aanzien van feit 1 stelt de raadsvrouw bovendien dat uit het dossier volgt dat de verdachte niet de enige gebruiker was van de telefoons en de bijbehorende telefoonnummers.
Subsidiair heeft de raadsvrouw vrijspraak voor feit 1 bepleit, omdat geen sprake is van medeplegen, dan wel medeplichtigheid. Meer subsidiair moet de verdachte partieel worden vrijgesproken van de verdenking dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar te duchten was.
Met betrekking tot de feiten 5, 6 en 7 laten de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging zich als volgt samenvatten:
- er was geen sprake van een begin van uitvoering en dus is geen poging gedaan;
- er was sprake van een absoluut ondeugdelijke poging;
- er is geen sprake van medeplegen/medeplichtigheid;
- er was geen gevaar voor zwaar lichamelijk letsel/levensgevaar te duchten.
De rechtbank zal bij de beoordeling van het bewijs per feit aandacht besteden aan de gevoerde verweren, voor zover van toepassing en van belang.
Tot slot heeft de verdediging verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 2 ten laste gelegde voorhanden hebben van verboden vuurwerk, omdat dit vuurwerk niet is onderzocht door een vuurwerkdeskundige, zodat niet bewezen kan worden dat het daadwerkelijk om echte Cobra’s 6 ging.
Oordeel van de rechtbank
Bespreking van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting
Aanleiding onderzoek
In het kader van een onderzoek naar een reeks van aanslagen op woningen in Alkmaar zijn op 20 februari 2024 onder de verdachte drie telefoons in beslag genomen: een iPhone 7, een iPhone 12 en een iPhone 15. Van de telefoons zijn zogeheten images gemaakt, die zijn onderzocht.
Onderzoek aan de telefoons
De raadsvrouw heeft gesteld dat het onderzoek aan de in beslag genomen telefoons onrechtmatig is geweest. Ter onderbouwing van het verweer heeft de raadsvrouw gewezen op het arrest CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck (C-548/21) (ECLI:EU:C:2024:830) van de Grote Kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024 (hierna: het Landeck-arrest) en het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2025 (ECLI:NL:HR:2025:409), waarin de Hoge Raad zijn eerdere rechtspraak met betrekking tot het onderzoek aan telefoons heeft bijgesteld. Uit deze jurisprudentie volgt dat onderzoek aan de opgeslagen gegevens in mobiele telefoons een ernstige of zelfs zeer ernstige inmenging in het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)) kan opleveren. Gelet daarop is toestemming door een rechter of onafhankelijke autoriteit vereist voordat een telefoon wordt onderzocht. Deze toestemming ontbreekt in deze zaak. Naar de mening van de raadsvrouw is daarmee sprake van een onherstelbaar vormverzuim, dat dient te leiden tot bewijsuitsluiting, dan wel strafvermindering.
Vormverzuim
De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie toestemming heeft gegeven om onderzoek te doen aan de inbeslaggenomen telefoons (dossierpagina’s A 99, respectievelijk A 145 en A 137). Een expliciete wettelijke regeling voor onderzoek aan gegevens op een in beslag genomen telefoon ontbreekt. Uit het Landeck-arrest volgt dat de voorgenomen verzameling van de gegevens het relevante aangrijpingspunt is voor de beoordeling of voorafgaande rechterlijke toestemming is vereist. Op grond van de strekking van het Landeck-arrest kan worden gesteld dat in alle gevallen, ongeacht de aard en de ernst van de inbreuk, voorafgaand aan het veiligstellen van op een telefoon aanwezige gegevens en aan het rechtstreeks raadplegen daarvan toestemming van een rechter of een onafhankelijke autoriteit is vereist, omdat de uit een telefoon verkregen gegevens een min of meer compleet beeld van het privéleven van een verdachte kunnen geven en de inbreuk dus zeer ingrijpend kan zijn. Aangezien in deze zaak slechts sprake was van voorafgaande toestemming van de officier van justitie om de telefoons uit te lezen en voorafgaande toestemming van een rechter daartoe ontbreekt, constateert de rechtbank dat sprake is van een vormverzuim.
Bij de bepaling welk rechtsgevolg aan dit vormverzuim moet worden verbonden, dient de rechtbank rekening te houden met het geschonden belang, de ernst van het verzuim en het nadeel dat door het verzuim wordt veroorzaakt.
Geschonden belang
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een vormverzuim waarbij niet (rechtstreeks) het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM aan de orde is, maar waarbij het gaat om schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, te weten het recht op privacy zoals neergelegd in artikel 8 EVRM. In die gevallen geldt als uitgangspunt dat de omstandigheid dat de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met een vormverzuim dat betrekking heeft op een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan het recht op een eerlijk proces, niet eraan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het ten laste gelegde feit worden gebruikt.
Ernst van het verzuim
Als sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, kan onder omstandigheden bewijsuitsluiting toch noodzakelijk worden geacht. Naar het oordeel van de rechtbank doet een dergelijke situatie zich hier niet voor.
Er was immers sprake van een onderzoek naar (zeer) ernstige strafbare feiten, te weten meerdere aanslagen op woningen met explosieven en brandbommen over een langere periode. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat een machtiging van de rechter-commissaris voor onderzoek aan de telefoons, indien op de juiste wijze aangevraagd, naar alle waarschijnlijkheid zou zijn verkregen. De ongerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte tast bovendien de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal niet aan.
Nadeel
Met betrekking tot het onderzoek aan de telefoons die onder de verdachte in beslag zijn genomen, is door de verdediging niet gesteld welk concreet nadeel daardoor is veroorzaakt. De rechtbank overweegt daarbij dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte het geschonden voorschrift betreft en niet het specifieke nadeel. Het enkel in verband brengen van de verdachte met strafbare feiten, heeft ook niet te gelden als nadeel dat hier is bedoeld. Het had op de weg van de verdediging gelegen dat nadeel te concretiseren. Aangezien niet is onderbouwd waar dat nadeel uit zou bestaan, verbindt de rechtbank geen consequenties aan het geconstateerde vormverzuim.
Conclusie
De rechtbank verwerpt het verweer tot bewijsuitsluiting.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 primair, 6 primair en 7 primair ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
Bewijsmotivering en bespreking van de verweren
Met betrekking tot feit 1 primair
Andere gebruikers van de onder de verdachte in beslag genomen telefoons?
De raadsvrouw heeft gesteld dat uit het dossier blijkt dat de verdachte niet de enige gebruiker is geweest van de drie onder hem in beslag genomen telefoons en dat de telefoons ook zijn gebruikt toen de verdachte in detentie zat.
Anders dan de raadsvrouw stelt, kan naar het oordeel van de rechtbank uit het dossier niet worden afgeleid dat de telefoons gedurende de gehele periode dat de nummers in gebruik waren, continu actief zijn geweest. Het onderzoek van de politie heeft zich immers, vanwege de grote hoeveelheid aangeleverde data, beperkt tot een relatief korte periode. Gegevens die buiten deze periode vallen zijn niet in het onderzoek betrokken. Uit het dossier volgt dan ook niet dat de telefoons door anderen zijn gebruikt toen de verdachte in detentie zat. Daar komt bij dat de telefoons zijn aangetroffen bij de verdachte, dat de ‘thuismast’ van de telefoons in de nabijheid van de verblijfplaats van de verdachte staat, dat de selfies op de toestellen van de verdachte zijn en dat de verdachte degene is die met deze telefoons getapte gesprekken heeft gevoerd. Tegenover al deze gegevens die in de richting van de verdachte wijzen, ziet de rechtbank geen concrete aanknopingspunten om te veronderstellen dat anderen dan de verdachte van deze telefoons gebruik hebben gemaakt. De rechtbank verwerpt het verweer.
Medeplegen
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en medeverdachte [naam 1] in de nacht van 13 op 14 januari 2024 vanuit Amsterdam naar de woning aan de [adres 2] in Alkmaar zijn gereisd. Op camerabeelden is te zien dat twee personen langs de woning lopen en dat er iets gegooid wordt naar de woning, waarna een explosie en brand volgen. Ter plekke worden resten van een Vuurwerk Brandstof Combinatie (VBC) gevonden. Op de restanten van de fles met brandstof wordt DNA van de verdachte aangetroffen. Op de telefoon van de verdachte is een video gevonden, waarin een persoon een explosief gooit naar de woning aan de [adres 2] in Alkmaar, waarna een ontploffing volgt. Deze video is opgenomen met de telefoon van de verdachte. Uit andere zaken in dit onderzoek is bekend dat opdrachtgevers voor een dergelijke aanslag filmbeelden willen zien, (mogelijk) als bewijs dat de opdracht is uitgevoerd. Ook is in de telefoon van de verdachte te zien dat kort voor de ontploffing via Google is gezocht naar het adres [adres 2] in Alkmaar. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte [naam 1] met betrekking tot het teweegbrengen van de ontploffing. De rechtbank acht daarom medeplegen bewezen.
Gevaar voor zwaar lichamelijk letsel/levensgevaar
De rechtbank is van oordeel dat vanwege de brand niet alleen gemeen gevaar voor goederen (te weten de betreffende woning en de daarin aanwezige goederen), maar ook gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar voor de bewoners van de woning aan [adres 2] in Alkmaar te duchten was. Van zodanig te duchten gevaar is sprake als ten tijde van het teweegbrengen van de ontploffing/de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest dat mensen door de brand zouden kunnen omkomen of zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat in de nacht door de ontploffing van de VBC vuur bij de voordeur van de woning is ontstaan en dat dit vuur zich, wanneer het niet tijdig was gedoofd, via de voordeur had kunnen uitbreiden naar binnen in de woning, waar op dat moment meerdere personen aanwezig waren die – op één persoon na – lagen te slapen (althans in hun slaapkamers waren). Ook uit het forensisch onderzoek (dossierpagina A 244) volgt dat gevaar is ontstaan voor de aanwezige bewoners. Onder deze omstandigheden was levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige bewoners van de [adres 2] in Alkmaar naar algemene ervaringsregels voorzienbaar. De rechtbank weegt hierbij mee dat uit de Vakbijlage “Vuurwerk Brandstof Combinaties” van het NFI (dossierpagina A 227 e.v.) volgt dat bij het ontsteken van een VBC onder andere het risico ontstaat op een drukgolf, scherfwerking en gevaar dat samenhangt met de brandstof (waaronder het ontstaan van brand).
Het gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar geldt ten aanzien van de in de woning aanwezige personen en niet ten aanzien van ‘passanten’. De verdachte zal daarom van dat onderdeel van de tenlastelegging partieel worden vrijgesproken.
Met betrekking tot feit 2
Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat de twee stuks vuurwerk die zijn aangetroffen in de woning waar de verdachte verbleef daadwerkelijk Cobra’s 6 waren. Bij aanvang van de doorzoeking is aan de hoofdbewoonster (oma van de verdachte) gevraagd of er zwaar vuurwerk of explosieven in de woning aanwezig waren. Zij antwoordde daarop dat er twee dingen met zo'n ‘slangennaam’ in de blauwe prullenbak in de keuken lagen, dat die van de verdachte waren en dat deze over waren van oud en nieuw. Hierop heeft de bij de doorzoeking aanwezige Teamleider Explosieven Verkenning (TEV) in de prullenbak twee Cobra’s 6 aangetroffen. Op aanwijzing van de TEV hebben daarop twee verbalisanten, werkzaam als explosievenverkenners, de afvalbak onderzocht. Hierbij hebben zij twee artikelen vuurwerk aangetroffen, die zij ambtshalve herkenden als Cobra 6. Op de foto op pagina A 62 van het dossier is duidelijk dat één van de aangetroffen stuks vuurwerk het opschrift ‘Cobra 6’ draagt.
Naar het oordeel van de rechtbank staat gelet op het voorgaande genoegzaam vast dat de verdachte op 20 februari 2024 professioneel vuurwerk (Cobra’s 6) voorhanden heeft gehad.
Met betrekking tot feit 5 primair
Begin van uitvoering
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast.
In de vroege nacht van 3 februari 2024 hield de politie in de [straatnaam 1] in Alkmaar een persoon aan die later bleek te zijn de medeverdachte [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1]). Kort daarvoor, rond 00.40 uur, had een politieagent gezien dat [naam medeverdachte 1] in de Amstelstraat uit een auto stapte en vanuit de Amstelstraat met iets witkleurigs in zijn handen richting de woning aan de [adres 3] liep. [naam medeverdachte 1] liep naar de woning en liep vervolgens door richting nabij gelegen garageboxen. Op beelden van de bewakingscamera van de [straatnaam 1] was te zien dat [naam medeverdachte 1] kort de voortuin van de woning aan de [adres 3] instapte, voordat hij doorliep richting de garageboxen. Nadat een andere politie-eenheid de [straatnaam 1] inreed, liep [naam medeverdachte 1] terug over de [straatnaam 1] en liep hij voorbij de woning met nummer 19. Op camerabeelden was te zien dat [naam medeverdachte 1] ter hoogte van de woning aan de [adres 3] iets weggooide in de bosjes en vervolgens doorliep richting de Amstelstraat. Na de staandehouding van [naam medeverdachte 1] vond de politie naast de heg tegenover de woning aan de [adres 3] een Cobra 6 en een wit plastic tasje met daarin een flesje met (wat later bleek) benzine. Ongeveer zes meter verder, ter hoogte van de woning aan de [straatnaam 1] 21, vond de politie een aansteker.
De verdediging heeft bepleit dat geen sprake is geweest van een poging tot het teweeg brengen van een ontploffing of van brandstichting, maar hoogstens van (niet ten laste gelegde) voorbereidingshandelingen. De rechtbank volgt dit standpunt niet en legt hierna uit waarom.
Juridisch kader
Voor een strafbare poging tot het plegen van een misdrijf is vereist dat het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Volgens de Hoge Raad is sprake van een begin van uitvoering indien de door de verdachte verrichte gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van het misdrijf. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van een begin van uitvoering, komt het aan op de feiten en omstandigheden van het concreet voorliggende geval. Een belangrijke beoordelingsfactor daarbij is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Verder kan het bij een poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele andere deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.
Uit de bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte 2] (hierna: [voornaam]), volgt dat [naam medeverdachte 1] op de late avond van 2 februari 2024 met een snorder van Amsterdam naar Alkmaar is gekomen. [naam medeverdachte 1] had een tasje bij zich met daarin een Cobra 6 en een flesje benzine. Dit flesje had hij eerder die avond zelf bij een tankstation gevuld met benzine. Deze Vuurwerk Brandstof Combinatie (hierna ook: VBC) is geschikt om een ontploffing/brand te veroorzaken.
Uit de chatgesprekken die [naam medeverdachte 1] op 2 en 3 februari 2024 met anderen heeft gevoerd, ontstaat het beeld dat [naam medeverdachte 1] met die meegenomen VBC bij de woning aan de [adres 3] een ontploffing moest veroorzaken. Zo vroeg ene “Wrb” een kleine tien minuten voor de staandehouding van [naam medeverdachte 1] per sms-bericht aan [naam medeverdachte 1] of “die c6 aan die fles” was. [naam medeverdachte 1] antwoordde hierop: “ja, lont is lang” en “is in een zak samen”. Gevraagd of hij ook moet filmen, schreef [naam medeverdachte 1] vervolgens aan “Wrb”: “jamn filmen ook” en “gw 1 hand film 1 hand aansteken”.
De rechtbank komt in het licht van de hierboven beschreven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, tot het oordeel dat sprake is geweest van een begin van uitvoering. Het was de bedoeling van [naam medeverdachte 1] om de VBC bij de woning aan de [adres 3] tot ontploffing te brengen. [naam medeverdachte 1] is met dat doel naar Alkmaar gekomen, in de nabije omgeving van de [straatnaam 1] uit de auto van de snorder gestapt en vervolgens met het tasje met de VBC richting de woning aan de [adres 3] gelopen. Hij is de voortuin van die woning kort ingelopen, voordat hij doorliep richting nabije garageboxen. Vervolgens is [naam medeverdachte 1] teruggelopen richting de woning op nummer 19 en heeft hij het tasje met de VBC in de heg tegenover deze woning gegooid omdat een politie-eenheid de [straatnaam 1] inreed. Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht op de voltooiing van het misdrijf. De gedragingen van [naam medeverdachte 1] lagen in tijd en plaats heel dicht bij de voltooiing van het misdrijf en hij zou het misdrijf hebben voltooid als hij niet was gestoord door de politie. Dat geen sprake zou zijn van een poging omdat [naam medeverdachte 1] geen lucifers of aansteker bij zich had, volgt de rechtbank niet. Op korte afstand van de plek waar de Cobra 6 en het tasje met de flesje benzine lagen, is namelijk een aansteker aangetroffen. De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat deze aansteker, net als de Cobra en het tasje, door [naam medeverdachte 1] is weggegooid toen hij de politie zag.
Gelet op het voorgaande, kan het verweer van de raadsvrouw dat sprake was van een absoluut ondeugdelijke poging ook niet slagen.
Medeplegen
Op de avond van 2 februari 2024 vindt een Snapchat-gesprek plaats tussen [naam medeverdachte 1] en [voornaam], waarin [voornaam] zegt dat er een opdracht (‘model’) in Alkmaar is. Er wordt gesproken over het regelen van vervoer en het fixen van een “c6” (de rechtbank begrijpt: Cobra 6). [voornaam] heeft verklaard dat hij die avond met [naam medeverdachte 1] naar een tankstation is gereden om daar een flesje met benzine te vullen. Dit deed hij omdat dat moest van de opdrachtgever. [voornaam] heeft [naam medeverdachte 1] het adres gegeven waar hij in Alkmaar naar toe moest en hem afgezet bij een snorder die [naam medeverdachte 1] naar Alkmaar zou vervoeren. [voornaam] heeft, kortom, [naam medeverdachte 1] aangestuurd.
Op de iPhone 15 van de verdachte staat op 2 februari 2024 om 22.18 uur op de tijdlijn een screenshot met de tekst ‘2 ossos Alkmaar c6 met benzine bomme’. Op 22.20 uur is een screenshot te zien van een chatgesprek met ‘Expensive Pain’. De gebruiker van dit account is geïdentificeerd als [naam 2]. ‘Expensive Pain' zegt “oke Hoelang" en “neeman pla (de rechtbank begrijpt: geld) kan gelijk opgehaald worden als is gekino (de rechtbank begrijpt: gefilmd)". “lk" zegt “mitta” en ‘bel ze nu Voorschot”.
Op 23.25 uur is op de tijdlijn van de telefoon van de verdachte een zwarte afbeelding met de tekst ‘Tegel door de voorruit en dan die ding na binnen, kino maken en wegwezen morgen doen ze die andere adje (de rechtbank begrijpt: adres)’. Deze zelfde afbeelding is ook aangetroffen op de telefoon van [voornaam]. De versie op de telefoon van de verdachte is een minuut eerder gemaakt.
Op 2 februari 2024 om 23:25 uur is op de tijdlijn van de telefoon van de verdachte een screenshot te zien van een chatgesprek tussen ‘Expensive Pain’ en ‘Ik’. “Ik” zegt "En die adje van morgen. 2.5?" waarop ‘Expensive Pain' zegt "yes". De interpretatie van de politie is dat voor het adres van morgen 2500 euro wordt betaald. ‘Expensive Pain’ zegt "die man v me Zegt nu Tegel hoeft niet Tegen die raam van die woonkamer plakken aansteken Kino Wegwezen Laten ze niet met eigen Karie gaan” Dit betekent volgens de politie dat de opdrachtgever van [naam 2] zegt dat er geen tegel door de ruit heen hoeft, maar dat het explosief tegen het raam geplakt kan worden. Er moet een video van de explosie gemaakt worden en dan wegwezen. Ze moeten niet het hun eigen auto gaan.
Op 3 februari om 01:03:31 uur, is op de tijdlijn van de verdachte een screenschot van een kaart zichtbaar, waarop te zien is dat ‘[accountnaam 2]’ zich bevindt ter hoogte van het politiebureau in Alkmaar. De tekst op de afbeelding is “hopen dat hij het al heeft geklaard". ‘[accountnaam 2]' is de gebruikersnaam van [naam medeverdachte 1].
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de verdachte de opdracht voor de aanslag op de [adres 3] in Alkmaar en het filmen daarvan heeft ontvangen van [naam 2] en dat de verdachte deze opdracht vervolgens heeft doorgezet naar [voornaam] (die op zijn beurt de uitvoerder, [naam medeverdachte 1], heeft aangestuurd). De verdachte geeft instructies aan [voornaam] met betrekking tot de uitvoering (‘Tegel door de voorruit en dan die ding na binnen, kino maken en wegwezen morgen doen ze die andere adje’) en maakt afspraken over de betaling (‘pla’, ‘voorschot’ en ‘morgen. 2.5’). De verdachte meldt [naam 2] ook dat hij de anderen zal bellen (‘bel ze nu’).
Uit het screenshot van de livelocatie van [naam medeverdachte 1] op de telefoon van de verdachte blijkt dat de verdachte bovendien de voortgang van de uitvoering van de opdracht in de gaten houdt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte hiermee een essentiële en onmisbare rol gespeeld in de uitvoering van de poging tot ontploffing/brandstichting. Zijn bijdrage was van voldoende gewicht om van de voor een bewezenverklaring van medeplegen noodzakelijke nauwe en bewuste samenwerking te kunnen spreken. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde medeplegen daarom bewezen.
Gevaarzetting
De rechtbank is van oordeel dat in het geval van ontploffing van de VBC bij de woning aan de [adres 3], sprake zou zijn geweest van gemeen gevaar voor goederen, namelijk materiële schade aan die woning en/of aangrenzende woningen.
De rechtbank acht niet bewezen dat ook sprake zou zijn geweest van potentieel (levens)gevaar voor andere personen dan uitvoerder [naam medeverdachte 1]. De verdachte zal daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. Voor deze conclusie is allereerst van belang dat de woning aan de [adres 3] door de burgemeester was gesloten en er in de nacht van 3 februari 2024 niemand in de woning aanwezig was. Uit het dossier wordt verder niet duidelijk of de bewoners van nabijgelegen woningen thuis waren en, zo ja, waar zij zich bevonden op het moment dat [naam medeverdachte 1] de woning aan de [adres 3] naderde. Evenmin volgt uit het dossier op welke afstand tot de woning aanwezige politieagenten zich bevonden en of zich nog andere personen in de (directe) omgeving van de woning bevonden.
Met betrekking tot feit 6 primair
Begin van uitvoering
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast.
De medeverdachte [naam medeverdachte 3] (hierna: [naam medeverdachte 3]) heeft op 2 februari 2024 de medeverdachte [naam medeverdachte 4], thans genaamd [naam 3], (hierna: [naam medeverdachte 4]) de opdracht gegeven om tegen betaling VBC’s bij een woning in Alkmaar te plaatsen. [naam medeverdachte 4] heeft deze opdracht aanvaard en heeft daarop medeverdachte [naam medeverdachte 5] (hierna: [naam medeverdachte 5]) ingeschakeld als uitvoerder. [naam medeverdachte 5] heeft zich bereid verklaard tegen betaling de VBC’s voor de woning te plaatsen. [naam medeverdachte 4] heeft met [naam medeverdachte 5] via Snapchat gecommuniceerd over het verkrijgen van materialen voor de VBC’s. [naam medeverdachte 3] heeft de verdachte via Snapchat laten weten waar hij Cobra’s kon ophalen.
Op 4 februari 2024 heeft [naam medeverdachte 4] de Cobra’s vervolgens opgehaald in Amsterdam, waarna hij de Cobra’s aan twee flessen wasbenzine heeft vastgeplakt. Diezelfde avond heeft [naam medeverdachte 4] met zijn auto [naam medeverdachte 5] opgehaald in Utrecht. De VBC’s bevonden zich in een plastic tas in de auto. [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] zijn samen naar Alkmaar gereden. Op enig moment is [naam medeverdachte 5] uit de auto gestapt en heeft hij de twee VBC’s voor de voordeur van de woning aan de [adres 3] neergezet. Daarna is [naam medeverdachte 5] met versnelde pas weggelopen.
Met betrekking tot de vraag of sprake is van het voor een strafbare poging vereiste begin van uitvoering verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar het juridisch kader dat hiervoor uiteen is gezet (onder feit 5 primair).
De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een begin van uitvoering van een poging tot het teweeg brengen van een ontploffing en/of brandstichting en overweegt daartoe als volgt.
Op 4 februari om 19.05 uur is op de tijdlijn van de telefoon van de verdachte een screenshot te zien met de tekst: ‘[straatnaam 2] achternaam [naam 4] moeten ze zoeken en daar laaien’. Op 4 februari om 19.53 stuurt [naam medeverdachte 3] aan [naam medeverdachte 4] hetzelfde screenshot door. [naam medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij dit bericht had gekregen van ‘Rt’ en dat met ‘laaien’ werd bedoeld: uitvoeren, tot ontploffing brengen. Hieruit volgt dat het van meet af aan de bedoeling was dat een ontploffing zou plaatsvinden. Met deze opdracht zijn [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 5] naar Alkmaar gereisd, met twee zelfgemaakte, gebruiksklare VBC’s bij zich. [naam medeverdachte 5] is met een tas met daarin de VBC’s naar de voordeur van de [adres 3] gelopen. Al lopend pakt hij iets uit de tas, bukt voor de deur en zet daar iets neer, pakt opnieuw de tas om daar iets uit te pakken en kijkt dan achter zich. Op dat moment rijdt de politie de straat in en rent [naam medeverdachte 5] weg. Voor de voordeur worden twee VBC’s aangetroffen.
Deze gedragingen zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht op de voltooiing van het misdrijf. De gedragingen van [naam medeverdachte 5] lagen in tijd en plaats heel dicht bij het misdrijf en [naam medeverdachte 5] zou het misdrijf hebben voltooid als de komst van de politie dit niet had verhinderd. Dat geen vuurbron is aangetroffen is naar het oordeel van de rechtbank geen contra-indicatie voor het aannemen van een begin van uitvoering, reeds omdat [naam medeverdachte 5] heeft weten te ontkomen vanaf de plaats delict en niet ter plaatse is aangehouden. Het is met andere woorden geenszins uitgesloten dat hij een aansteker of andere vuurbron bij zich had op de plaats delict. Bovendien blijkt uit voornoemde berichten dat het de bedoeling was om de VBC’s tot ontploffing te brengen.
De verklaring van [naam medeverdachte 5] dat zijn opdracht niet verder strekte dan het voor de deur neerleggen van de VBC’s en dat het niet de bedoeling was deze aan te steken is in strijd met de verklaring van [naam medeverdachte 4] dat hij wel wist dat er ‘iets in de fik gestoken zou worden.’ De rechtbank acht deze verklaring van [naam medeverdachte 5] dan ook ongeloofwaardig.
Medeplegen
In de telefoon van [naam medeverdachte 3] wordt, na voornoemd doorgestuurde bericht over de [straatnaam 3] op de avond van 4 februari 2024, een screenshot aangetroffen van een chatgesprek van Rt met een derde persoon en een bericht van Rt aan [naam medeverdachte 3]. Vastgesteld is dat Rt een gebruikersnaam op Snapchat is van de verdachte. Het bericht dat Rt om 22.14 uur ontvangt van Expensive, geïdentificeerd als [naam 2], luidt: ‘Dan zeg ze ga naar die Lek maar zet whip (de rechtbank begrijpt: auto) voor de deur snel plakken op die raam Kino maken vanuit waggie Gas erop Dan komen ze makkelijk loezoe’. Het bericht van 22.25 uur van de verdachte (Rt) aan [naam medeverdachte 3] luidt: ‘Ze moeten naar andere adje. En die doen plakken tegen die raam [straatnaam 1] nummer 19". Om 22.39 uur stuurt de verdachte (Rt) aan [naam medeverdachte 3]: ‘Gwn waggie voor deur zetten beste dan plakken op raam driver filmt gassen erop en naar de buurt’.
Uit deze berichten blijkt duidelijk dat de verdachte concrete instructies (door)geeft aan [naam medeverdachte 3] over wat er moet gebeuren, waar en op welke manier. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [naam medeverdachte 3]. [naam medeverdachte 3] heeft namelijk verklaard dat hij en [naam medeverdachte 4] door de verdachte zijn benaderd om een explosief te plaatsen bij een woning in Alkmaar en dat hij de instructies van de verdachte doorstuurde aan de uitvoerders. De voor de VBC’s gebruikte Cobra’s zijn bij de verdachte thuis opgehaald. Bovendien is op de telefoon van de verdachte op 4 februari 2024 om 22.43 uur een screenshot te zien waarop staat ‘Blauw heeft stopteken gegeven. Persoon is die shit ging doen weggerend’. Kennelijk wordt de verdachte ook op de hoogte gehouden van de situatie ter plaatse, want de politie heeft [naam 3] inderdaad een stopteken gegeven en [naam medeverdachte 5] is weggerend.
Gelet op het voorgaande heeft de verdachte een sturende rol gespeeld in de uitvoering van de poging tot ontploffing/brandstichting en hij heeft daarbij nauw en bewust samengewerkt met de medeverdachten. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde medeplegen daarom bewezen.
Gevaarzetting
De rechtbank acht niet bewezen dat in geval van ontploffing van de VBC’s bij de woning aan de [adres 3] gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar te duchten zou zijn geweest. De rechtbank verwijst hiertoe naar hetgeen hiervoor bij feit 5 is overwogen met betrekking tot de gevaarzetting.
Met betrekking tot feit 7 primair
Begin van uitvoering
Op 10 februari 2024, net na middernacht, hebben zowel de medeverdachte [naam medeverdachte 6] (hierna: [naam medeverdachte 6] ) als de medeverdachte [naam medeverdachte 7] (hierna: [naam medeverdachte 7]) via hun Snapchat-accounts contact met de gebruiker van Snapchat-account [naam 6], gebruikersnaam [naam 5]. In opdracht van [naam 5] gaan zowel [naam medeverdachte 7] als [naam medeverdachte 6] op zoek naar een ‘speler’/‘bully’, dat wil zeggen iemand die een Cobra 6 tot ontploffing moet brengen bij de woning aan de [adres 3]. Met [naam 5] spreken ze over de betaling voor de opdracht. [naam 5] geeft [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 6] de opdracht de Cobra tegen het raam te (laten) plakken en schrijft dat er gefilmd moet worden.
Medeverdachte [naam medeverdachte 8] (hierna: [naam medeverdachte 8]) wordt bereid gevonden om tegen betaling de Cobra op de woning te plakken. [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 6] halen [naam medeverdachte 8] samen met de auto op, waarbij [naam medeverdachte 7] de bestuurder is. Samen met nog twee anderen rijden ze in één auto richting Alkmaar. In de auto is een Cobra 6 aanwezig. [naam medeverdachte 6] informeert [naam 5] over het feit dat ze de ‘bully’ gaan ophalen en dat zij onderweg zijn. Om 02:35 uur ziet een politieagent de auto in de buurt van de [straatnaam 1] in Alkmaar rijden en parkeren. [naam medeverdachte 8] stapt uit de auto met in zijn handen een Cobra en een aansteker. Ook heeft hij een rol plakband bij zich. Hij loopt in de richting van de woning aan de [adres 3]. Wanneer hij politie ziet, loopt hij de woning voorbij en gooit de Cobra weg in de voortuin van de woning aan de [straatnaam 1] 21. Op de behuizing van de Cobra zit plakband. Ook op de broek van [naam medeverdachte 6] ziet de politie een stuk plakband.
[naam medeverdachte 8] verklaart tegenover de politie dat hij een Cobra tot ontploffing moest brengen bij een woning waarvan hij het adres niet meer weet, maar het adres [adres 3] komt hem wel bekend voor. Gelet op de Snapchat-gesprekken en de verklaringen van [naam medeverdachte 6] en [naam medeverdachte 7], gaat de rechtbank ervan uit dat [naam medeverdachte 8] de instructie had gekregen de Cobra tot ontploffing te brengen bij de woning aan de [adres 3]. [naam medeverdachte 8] verklaart verder dat hij plakband bij zich had om de Cobra ergens op te plakken.
Met betrekking tot de vraag of sprake is van het voor een strafbare poging vereiste begin van uitvoering verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar het juridisch kader dat hiervoor uiteen is gezet (onder feit 5 primair).
In het licht van de geschetste feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is geweest van een begin van uitvoering. De verdachten wilden met plakband een Cobra aan de woning aan de [adres 3] in Alkmaar bevestigen en deze tot ontploffing brengen. [naam medeverdachte 8] is met dit doel in de buurt van de [straatnaam 1] de auto uit gestapt en richting de woning aan de [adres 3] gelopen met in zijn handen een Cobra met plakband erop en een aansteker. Toen hij de politie zag, is hij voorbij de woning aan de [adres 3] gelopen en heeft hij de Cobra in de voortuin van [straatnaam 1] 21 gegooid. Deze handelingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht op de voltooiing van het misdrijf. De gedragingen van [naam medeverdachte 8] lagen in tijd en plaats heel dicht bij de voltooiing van het misdrijf en hij zou het misdrijf hebben voltooid als hij niet was gestoord door de politie. Dat de lont van de Cobra nog niet was aangestoken, doet hier niet aan af.
Medeplegen
In de onder de verdachte in beslag genomen iPhone 12 Pro stond als geconfigureerd account geregistreerd: [accountnaam 1]. Voor Snapchat stond als gebruikersnaam geregistreerd: [naam 5], met een icoontje van een adelaar en als username: [naam 6]. De rechtbank gaat er daarom, evenals de politie, vanuit dat de verdachte de gebruiker is van het account [naam 6] / [naam 5].
Uit het onderzoek is verder komen vast te staan dat medeverdachte [naam medeverdachte 7] de gebruiker is van het account ‘[accountnaam 5]’ en medeverdachte [naam medeverdachte 6] de gebruiker van het account ‘[accountnaam 4]’.
Omwille van de leesbaarheid worden hierna de (gebruikers van) de accounts ‘[naam 6]’ / ‘[naam 5]’, ‘[accountnaam 5]’ en ‘[accountnaam 4]’ aangeduid als respectievelijk de verdachte, [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 6].
Op 10 februari 2024 om 00.25 uur vraagt de verdachte op Snapchat aan [naam medeverdachte 7] of hij nog een ‘speler’ heeft gevonden. [naam medeverdachte 7] zegt dat hij misschien iemand heeft en vraagt aan de verdachte waar de ‘jobbo’ is. ‘Alkmaar’ is het antwoord van de verdachte. Op de vraag ‘wnr?’ (de rechtbank begrijpt: wanneer) antwoordt de verdachte: ‘nu vanavond’. Als [naam medeverdachte 7] meldt: ‘de boys zijn fit, is alles gefix’, vraagt de verdachte: ‘hebben ze Cobras of pipe’ (de rechtbank begrijpt: pistool). [naam medeverdachte 7] zegt: ‘P wel maar cobra nii’. De verdachte zegt dan: ‘laten ze gwn bokken (de rechtbank begrijpt: schieten) op de osso. 2500 geef ik ze’. Vervolgens geeft [naam medeverdachte 7] aan dat ‘bokken4k’ is, ‘maar cobra 2.5’. Vervolgens geeft de verdachte het adres [adres 3] door. [naam medeverdachte 7] stuurt dit adres door aan [naam medeverdachte 6].
Aansluitend vindt een groepsgesprek plaats tussen de verdachte, [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 6]. Om 00.54 uur meldt [naam medeverdachte 6] dat hij zo onderweg gaat. De verdachte vraagt hem een screenshot te sturen van de navigatie als hij onderweg is. [naam medeverdachte 6] zegt om 01.10 uur dat ze de speler gaan ophalen. De verdachte waarschuwt dat ze scherp moeten zijn, want er zijn daar veel camera’s. Elf minuten later zegt de verdachte ‘Die man zegt plak het tegen het raam en film. Niet gooie’ en vraagt nogmaals naar de navigatie. [naam medeverdachte 6] informeert even later naar het geld, de ‘doekoe’. De verdachte zegt dat zij hiervoor samen naar de man gaan. Om 2.35 uur meldt [naam medeverdachte 6] dat zij er zijn.
[naam medeverdachte 7] heeft verklaard dat hij door ‘[naam 5]’ (de verdachte) is benaderd om vuurwerk op een deur te plakken van een woning op de [adres 3] in Alkmaar en dat als bewijs te filmen. De beloning zou 2.500,- euro zijn. De Cobra hadden ze opgehaald bij de opdrachtgever.
Uit deze berichten blijkt dat de verdachte bij [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 6] de opdracht uitzet om een Cobra 6 op een woning op het adres [adres 3] in Alkmaar te plakken. De verdachte geeft daarbij nauwkeurige instructies wat er moet gebeuren, hoe en waar en dat het gefilmd moet worden. Ook maakt de verdachte afspraken met de uitvoerders over de hoogte van de beloning en vraagt hij meermaals naar een screenshot van de navigatie van [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 6]. De verdachte is er kennelijk op gebrand om de voortgang van de uitvoering de opdracht op de voet te kunnen volgen. Uit de verklaring van [naam medeverdachte 7] volgt verder dat de verdachte de Cobra voor de beoogde aanslag aan [naam medeverdachte 7] en [naam medeverdachte 6] heeft verstrekt.
Gelet op het voorgaande heeft de verdachte een sturende en essentiële rol gespeeld in de uitvoering van de poging tot ontploffing/brandstichting en hij heeft daarbij nauw en bewust samengewerkt met de medeverdachten. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde medeplegen daarom bewezen.
Gevaarzetting
De rechtbank acht niet bewezen dat in geval van ontploffing van de Cobra 6 bij de woning [adres 3] gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar te duchten zou zijn geweest. De rechtbank verwijst hiertoe naar hetgeen hiervoor bij feit 5 is overwogen met betrekking tot de gevaarzetting.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 primair, 6 primair en 7 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
1. primair
hij op 14 januari 2024 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht bij een woning, gelegen aan de [adres 2] te Alkmaar, door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een Cobra 6) en een flesje met snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en ontbranding te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres 2] te Alkmaar en de in voornoemd pand aanwezige goederen en/of
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen, te weten aanwezigen in voornoemd pand te duchten was;
2
hij op 20 februari 2024 te Amsterdam opzettelijk twee stuks knalvuurwerk (Cobra 6), in elk geval professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad;
3
hij op 20 februari 2024 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van het merk Glock, type 19, kaliber 9mm x19, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, voorhanden heeft gehad;
4
hij op 20 februari 2024 te Amsterdam een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;
5. primair
hij op 3 februari 2024 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres 3] te Alkmaar en de in voornoemd pand aanwezige goederen te duchten was, met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en vervolgens
- een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een Cobra 6) en een flesje met snel ontbrandende vloeistof en een aansteker ter hand heeft genomen en vervolgens
- naar de woning aan de [straatnaam 1] (19) is gelopen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
6. primair
hij op 4 februari 2024 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing te weeg te brengen en brand te stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres 3] te Alkmaar en de in voornoemde pand aanwezige goederen te duchten was, met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en vervolgens
- twee zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinaties, te weten een fles met snel ontbrandende vloeistof en een daar aan vastgemaakt explosief (een Cobra 6) mee heeft genomen en vervolgens
- naar de woning aan de [adres 3] is gelopen en vervolgens
- deze vuurwerk-brandstof-combinaties voor de deur van voornoemd pand heeft neergezet,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
7. primair
hij op 10 februari 2024 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres 3] te Alkmaar en de in voornoemd pand aanwezige goederen te duchten was, met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en vervolgens
- een explosief (een Cobra 6) en een aansteker mee heeft genomen en vervolgens
- naar de woning aan de [adres 3] is gelopen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1 primair
Medeplegen van opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Ten aanzien van feit 2
Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
Ten aanzien van feit 3
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Ten aanzien van feit 4
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.
Ten aanzien van feit 5 primair en feit 6 primair (telkens)
Medeplegen van een poging tot opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Ten aanzien van feit 7 primair
Medeplegen van een poging tot opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Verzocht wordt een strafkorting van zes maanden toe te passen.
Voor het geval de rechtbank niet overgaat tot bewijsuitsluiting van de resultaten uit het onderzoek aan de telefoons van de verdachte, verzoekt de verdediging over te gaan tot een strafkorting in verband met dit vormverzuim.
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich, samen met een ander, op 14 januari 2024, kort na middernacht, schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing en aan brandstichting bij een woning in Alkmaar. De verdachten hebben bij de voordeur van de woning een vuurwerkbom (een Cobra 6 in combinatie met een flesje benzine) tot ontploffing gebracht, met een brand als gevolg. In de woning waren meerdere personen aanwezig, die (op één na) in hun slaapkamers aanwezig waren. De vader van het gezin zat in de woonkamer. Door deze toevallige omstandigheid was hij in staat om het vuur in de kiem te smoren. Wanneer dit niet het geval was geweest, had dit desastreuze gevolgen kunnen hebben. De enorme knal van de explosie en het ontstane vuur moeten voor de aanwezige bewoners zeer beangstigend zijn geweest. Het gezin heeft de woning noodgedwongen moeten verlaten en heeft geruime tijd onder moeilijke omstandigheden elders moeten verblijven. De aanslag heeft ook in bredere kring maatschappelijke onrust en gevoelens van angst en onveiligheid teweeg gebracht.
De verdachte heeft zich vervolgens op 3, 4 en 10 februari 2024 als medepleger schuldig gemaakt aan pogingen om ontploffingen en brand te veroorzaken bij een andere woning in Alkmaar. Het is aan waakzaam en alert optreden van de politie te danken dat het in die gevallen niet daadwerkelijk tot explosies is gekomen. Deze feiten speelden zich af in een periode waarin bij meerdere panden in Alkmaar ontploffingen plaatsvonden of pogingen daartoe werden ondernomen. Deze incidenten hebben veel impact gehad op de direct betrokkenen en omwonenden, maar ook meer algemeen op de (inwoners van de) stad Alkmaar. Onder andere tijdens bewonersbijeenkomsten bleek dat de angst en ongerustheid onder de burgers groot was.
De verdachte heeft kennelijk alleen oog gehad voor geldelijk gewin of andere eigen belangen en zich niets gelegen laten liggen aan de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers.
Daarnaast heeft de verdachte in een woning een (geladen) pistool en een stroomstootwapen voorhanden gehad. Wapenbezit draagt het grote risico in zich dat de wapens ook daadwerkelijk worden gebruikt en dat hier vervolgens op wordt gereageerd met andere wapens, met een geweldsspiraal als gevolg.
Tot slot heeft de verdachte verboden vuurwerk in de vorm van twee Cobra’s voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van zulk zwaar vuurwerk in een woning brengt onaanvaardbare risico’s met zich mee op schade aan goederen en letsel bij personen.
Persoon van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte van 6 januari 2026 blijkt dat de verdachte eerder wegens overtreding van de Wet wapens en munitie onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld. Deze omstandigheid weegt in het nadeel van de verdachte mee bij de straftoemeting. In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn nog jonge leeftijd.
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het advies van de reclassering van 20 januari 2026. De reclassering heeft de indruk dat de verdachte zijn leven voor zijn detentie redelijk op orde had. Hij beschikte over een afgeronde opleiding, huisvesting en een structurele dagbesteding met inkomen. Vanwege de proceshouding van de verdachte heeft de reclassering geen inschatting kunnen maken van de noodzaak van eventuele interventies. De reclassering adviseert daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn die volgens artikel 6, eerste lid, van het EVRM in acht moet worden genomen. Volgens vaste jurisprudentie moet een strafzaak worden afgedaan binnen 16 maanden als de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert. Deze termijn is aangevangen met de inverzekeringstelling van de verdachte op 20 februari 2024. De rechtbank doet uitspraak op 26 januari 2026. Daarmee is de redelijke termijn met ongeveer acht maanden overschreden. Hoewel het lange tijdverloop deels te verklaren is door de ingewikkeldheid van de zaak, zal de rechtbank met de overschrijding rekening houden bij de straftoemeting, ten gunste van de verdachte.
Strafoplegging
De rechtbank acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden passend, maar zal deze, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 56 maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank ziet, gelet op de overige inhoud van dit vonnis, geen aanleiding om de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. Het verzoek daartoe van de verdediging wordt afgewezen.
7. Verbeurdverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de twee onder de verdachte in beslag genomen en niet
teruggegeven telefoons dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter
terechtzitting is gebleken dat de onder 1 primair, 5 primair, 6 primair en 7 primair bewezen verklaarde feiten met behulp van die telefoons, die aan de verdachte toebehoren, zijn begaan of voorbereid.
8. Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank is van oordeel dat de volgende onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen:
- twee stuks vuurwerk
- een pistool
- een stroomstootwapen
- een slagwapen
dienen te worden onttrokken aan het verkeer.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat:
- het onder 2 bewezen verklaarde feit met betrekking tot de twee stuks vuurwerk is begaan;
- het onder 3 bewezen verklaarde feit met betrekking tot het pistool is begaan;
- het onder 4 bewezen verklaarde feit met betrekking tot het stroomstootwapen is begaan.
Het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen is in strijd met de wet en het algemeen belang.
Voor het slagwapen geldt dat dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en dat het is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten. Dit voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten en tevens is het ongecontroleerde bezit van het voorwerp in strijd met de wet en het algemeen belang.
9. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
Met betrekking tot feit 1 primair
De vorderingen
Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit hebben de volgende personen, te weten de bewoners van de woning [adres 2] te Alkmaar, zich als benadeelde partijen in de strafzaak gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend:
1. [slachtoffer 1];
2. [slachtoffer 2];
3. [slachtoffer 3];
4. [slachtoffer 4];
5. [slachtoffer 5] en
6. [slachtoffer 6].
De benadeelde partijen 2, 3, 4, 5, en 6 vorderen elk een bedrag van € 8.000,- wegens immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zouden hebben geleden.
De benadeelde partij 1 vordert een bedrag van € 8.794,90 wegens materiële schade. Dit betreft schade aan de inboedel, reinigingskosten, kosten voor verblijf elders en opstalschade, voor zover niet vergoed door de verzekering, vermeerderd met het eigen risico van de verzekering van € 100,-. Daarnaast vordert de benadeelde partij 1 een bedrag van € 8.000,- wegens immateriële schade die zij als gevolg van onder 1 het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
De benadeelde partijen werden bijgestaan door mr. P.W. van Rijmenam-van Oosterom, advocaat te Amsterdam, als hun gemachtigde.
De gemachtigde heeft de vorderingen ter terechtzitting mondeling toegelicht.
De benadeelde partijen verzoeken elk toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vorderingen van de benadeelde partijen 1, 2, 3, 4, 5 en 6 voldoende onderbouwd en daarom voor toewijzing vatbaar, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen 1, 2, 3, 4, 5 en 6 af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak voor de feiten waarop de vorderingen betrekking hebben.
Subsidiair stelt de verdediging met betrekking tot de gestelde immateriële schade dat geen bijzondere normschending kan worden aangenomen, omdat de brand buiten en niet in de woning was. Het bestaan van psychisch letsel is onvoldoende onderbouwd. Bovendien blijkt uit de vorderingen en de bijlagen dat er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden, waarbij niet kan worden vastgesteld welke schade door welk feit is veroorzaakt.
Meer subsidiair stelt de verdediging dat de benadeelde partijen aansluiting hebben gezocht bij de verkeerde categorie van de Rotterdamse Schaal. Verzocht wordt het eventueel toe te wijzen bedrag te matigen tot telkens maximaal € 600,-.
De raadsvrouw van de verdachte heeft met betrekking tot de vordering van de minderjarige benadeelde partij 6, [slachtoffer 6], gesteld dat niet-ontvankelijkverklaring moet volgen omdat slechts één van beide wettelijke vertegenwoordigers de vordering en machtiging hebben ondertekend.
De raadsvrouw van de verdachte heeft de rechtbank verder verzocht de benadeelde partij 3 ([slachtoffer 3]) niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, omdat deze benadeelde partij niet thuis was ten tijde van de ontploffing bij de woning en er dus geen sprake is van rechtstreekse schade.
Oordeel van de rechtbank
De ontvankelijkheid van de benadeelde partij 6, [slachtoffer 6]
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat de vordering van de minderjarige benadeelde partij [slachtoffer 6] niet door allebei de wettelijk vertegenwoordigers maar door één van hen (de moeder) is ondertekend niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij. Het voorschrift dat beide wettelijk vertegenwoordigers van een minderjarige dienen te ondertekenen en te machtigen strekt immers tot bescherming van de belangen van de minderjarige en niet die van de verdachte. In dit geval wordt de minderjarige [slachtoffer 6] bijgestaan door een advocaat, waardoor de behartiging van zijn belangen gewaarborgd is. Daar komt bij dat de vader van [slachtoffer 6] zelf ook een vordering tot schadevergoeding heeft ingediend, zodat er vanuit gegaan mag worden dat deze wettelijk vertegenwoordiger instemt met het verzoek tot schadevergoeding. Enige indicatie voor het tegendeel ontbreekt. De benadeelde partij [slachtoffer 6] is dus ontvankelijk in de vordering.
Inhoudelijke beoordeling met betrekking tot de benadeelde partijen 2, 4, 5 en 6
De rechtbank oordeelt dat bewezen is dat de verdachte het feit waarop de vorderingen van de benadeelde partijen 2, 4, 5 en 6 zijn gebaseerd, heeft gepleegd. Dit betekent dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover deze benadeelde partijen (allen bewoners van de getroffen woning aan de [adres 2] in Alkmaar) en dat hij in beginsel verplicht is de daarmee rechtstreeks verband houdende schade van de benadeelde partijen te vergoeden.
Op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW heeft degene die in zijn persoon is aangetast (op andere wijze dan door lichamelijk letsel of geschaad zijn in zijn eer of goede naam) recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. In beginsel moet degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met voldoende concrete gegevens onderbouwen, zodat het bestaan van geestelijk letsel objectief kan worden vastgesteld. In bepaalde gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending echter meebrengen dat relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen (Hoge Raad 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465).
De rechtbank acht, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting, voorshands duidelijk dat de impact van de vuurwerkbom bij de bewoners van de woning psychisch leed heeft veroorzaakt. De benadeelde partijen 2, 4, 5 en 6 waren thuis toen in de nacht voor de deur van hun woning een ontploffing plaatsvond, waardoor een brand is ontstaan. De knal van de gebruikte Cobra 6 en het vuur moeten zeer beangstigend zijn geweest. Als gevolg van de aanslag hebben de benadeelde partijen geruime tijd niet in hun eigen huis kunnen verblijven. De rechtbank stelt vast dat de aard en de ernst van de onderhavige normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De benadeelde partijen 2, 4, 5 en 6 hebben dus recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor immateriële schade. Bij het bepalen van de hoogde van deze schadevergoeding heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het feit en de daardoor ontstane psychische schade. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken worden toegewezen en op de Rotterdamse Schaal, een binnen de rechtspraak ontwikkelde ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de in die schaal bij 19.3 (bedreigende situaties door opzettelijke ontploffing) onder b (categorie “ernstig”) genoemde bandbreedte (€ 1.000,- tot € 5.000,-).
Vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 4.000,- voor elk van de benadeelde partijen 2, 4, 5 en 6 komt de rechtbank billijk voor.
De rechtbank zal de benadeelde partijen 2, 4, 5 en 6 elk in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen kunnen dit deel van de vordering desgewenst aanbrengen bij de civiele rechter.
De benadeelde partij 1 [slachtoffer 1]
Materiële schade
Ter onderbouwing van de gestelde materiële schade zijn bij de vordering van de benadeelde partij 1 een expertiserapport en twee brieven van verzekeringsmaatschappij Nationale Nederlanden gevoegd. De onderwerpregel van de brieven luidt ‘schade d.d. 9 januari 2024’. De gemachtigde van de benadeelde partij heeft ter zitting toegelicht dat naar aanleiding van een incident op 9 januari 2024 een schademelding is gedaan en dat de melding van de schade als gevolg van het incident van 14 januari 2024 vervolgens onder die eerste schademelding is meegenomen. Hierdoor kan naar het oordeel van de rechtbank niet eenvoudig worden vastgesteld welk deel van de schade het rechtstreeks gevolg is van de ontploffing op 14 januari 2024. Nadere bewijsvoering hierover zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de benadeelde partij 1 niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering voor zover die ziet op vergoeding van materiële schade. De benadeelde partij 1 kan dit deel van de vordering desgewenst voorleggen aan de civiele rechter.
Immateriële schade
Vergoeding van de immateriële schade van de benadeelde partij 1 tot een bedrag van € 4.000,- komt de rechtbank billijk voor. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen 2, 4, 5 en 6.
De benadeelde partij 3 A. [slachtoffer 3]
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij 3 onvoldoende informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij niet met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit (de ontploffing/brandstichting) voor hem heeft gehad. Van de hiervoor bedoelde uitzonderlijke situatie, waarin nadelige geestelijke gevolgen voor het slachtoffer zonder nadere onderbouwing kunnen worden aangenomen, is in dit geval geen sprake. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat de benadeelde partij 3 ten tijde van het bewezenverklaarde feit (ontploffing/brandstichting) niet in de woning aanwezig was.
De benadeelde partij 3 krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een onevenredige belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij 3 kan de vordering desgewenst aan de burgerlijke rechter voorleggen
Wettelijke rente en kosten
De benadeelde partijen hebben verzocht de toe te wijzen bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank zal die wettelijke rente toewijzen, telkens vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Daarnaast moet de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken. De tot op heden door de benadeelde partijen gemaakte kosten worden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Ten behoeve van de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] zal de rechtbank, als extra waarborg voor betaling aan hen, aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opleggen, zodat de benadeelde partijen de toegewezen bedragen niet zelf hoeven te innen. Dit betekent dat het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) de inning van de toegekende schadevergoeding zal verzorgen en dat bij het geheel of gedeeltelijk uitblijven van betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat de verdachte het bewezen verklaarde feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar burgerlijk recht elk aansprakelijk zijn voor de gehele schade. De rechtbank zal daarom de vordering en de schadevergoedingsmaatregel telkens hoofdelijk toewijzen. Dit betekent dat de verdachte niet hoeft te betalen voor zover het bedrag door één of meer mededaders is betaald en andersom.
Met betrekking tot de feiten 5, 6 en 7
De vordering
De benadeelde partij [slachtoffer 7] vordert een bedrag van € 1.000,- wegens immateriële schade die hij als gevolg van de onder 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] voldoende onderbouwd en daarom voor toewijzing vatbaar, met toekenning van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht de benadeelde partij [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak voor de feiten waarop de vordering ziet. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat niet is onderbouwd dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen tot € 150,-.
Oordeel van de rechtbank
Zoals hiervoor reeds aangehaald is vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat hij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij niet met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen de strafbare feiten (de pogingen tot ontploffing/brandstichting) voor hem hebben gehad. Van de hiervoor bedoelde uitzonderlijke situatie, waarin nadelige geestelijke gevolgen voor het slachtoffer zonder nadere onderbouwing kunnen worden aangenomen, is in dit geval geen sprake. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat de benadeelde partij ten tijde van de bewezenverklaarde feiten (pogingen tot ontploffing/brandstichting) niet in zijn woning aanwezig was.
De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een onevenredige belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
10. Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 22 november 2023 in de zaak met parketnummer 13/303610-23 heeft de politierechter in de rechtbank Amsterdam de verdachte ter zake van – kort gezegd – verboden wapenbezit veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden en ter zake van rijden zonder geldig rijbewijs tot twee weken voorwaardelijke hechtenis.
Ten aanzien van die voorwaardelijke straffen is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 12 december 2023 aan de verdachte toegezonden.
De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijden zijn ingegaan op 7 december 2023.
De officier van justitie vordert nu dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straffen alsnog ten uitvoer zullen worden gelegd.
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank stelt vast dat uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De vordering ligt daarom in beginsel voor volledige toewijzing gereed. De rechtbank is van oordeel dat de vordering met betrekking tot de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden moet worden toegewezen. Ten aanzien van de voorwaardelijke hechtenis van twee weken zal de rechtbank de vordering afwijzen, omdat die straf is opgelegd ter zake van een feit van een geheel andere orde dan de feiten waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
- de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 45, 47, 57, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht;
- artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit;
- artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer;
- de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
- de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
12. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 primair, 6 primair en 7 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 56 (zesenvijftig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd:
- 1 STK GSM, Apple (805834)
- 1 STK GSM, Apple (805776)
Onttrekt aan het verkeer:
- 2 STK Vuurwerk (805617)
- 1 STK Pistool (805695)
- 1 STK Stroomstootwapen (1577300)
- 1 STK Slagwapen (1577316)
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij A. [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk in de vordering.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 4] geleden schade tot een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 4], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 5] geleden schade tot een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 5], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 5] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 6] geleden schade tot een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), als vergoeding voor immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 6], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 6] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij R.G. [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk in de vordering.
Wijst de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/303610-23 gedeeltelijk toe en gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 november 2023.
Wijst af de vordering van de officier van justitie voor zover deze ziet op de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde hechtenis van twee weken.
Wijst af het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. L. Boonstra, voorzitter,
mr. P. Reemst en mr. I.E. Voorberg, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier A. Helder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 februari 2026.
Bijlage I
De tenlastelegging
1
hij op of omstreeks 14 januari 2024 te Alkmaar tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht bij een pand (woning), gelegen aan de [adres 2] te Alkmaar door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres 2] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en)
te duchten was
subsidiair
een of meer anderen op of omstreeks 14 januari 2024 te Alkmaar tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht bij een pand (woning), gelegen aan de [adres 2] te Alkmaar door bij voornoemd pand een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof tot ontsteking en/of ontbranding te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een pand gelegen aan de [adres 2] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen, en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en)
te duchten was
bij het plegen van welk voorgenomen misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- het verstrekken van een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof ten behoeve van voornoemde brandstichting en/of het teweegbrengen van de ontploffing en/of
- een of meer dader(s) met een auto te vervoeren naar (de omgeving van) voornoemd pand en/of
- ( voor hem/hen) op de uitkijk te staan en/of
- zich met voornoemde auto gereed te houden teneinde voornoemde personen/persoon en zichzelf van een spoedige vlucht van de plaats van voornoemde ontploffing/brandstichting te verzekeren en/of
- voornoemde dader(s) weg van de van de plaats delict te vervoeren;
2
hij op of omstreeks 20 februari 2024 te Amsterdam, al dan niet opzettelijk, twee, althans één of meer, stuks knalvuurwek (Cobra 6), in elk geval professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, voorhanden heeft gehad en/of heeft opgeslagen;
3
hij op of omstreeks 20 februari 2024 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van het merk Glock, type 19, kaliber 9mmx19 zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
4
hij op of omstreeks 20 februari 2024 te Amsterdam een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht voorhanden heeft gehad;
5
hij op of omstreeks 3 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres 3] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners
te duchten was
met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en/of (vervolgens)
- een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof en/of een aansteker ter hand heeft genomen/mee heeft genomen en/of (vervolgens)
- naar de woning aan de [straatnaam 1] (19) is gelopen
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair
een of meer anderen op of omstreeks 3 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres 3] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners
te duchten was
met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en/of (vervolgens)
- een zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie, te weten een explosief (een cobra 6) en/of (een flesje met) snel ontbrandende vloeistof en/of een aansteker ter hand heeft genomen/mee heeft genomen en/of (vervolgens)
- naar de woning aan de [straatnaam 1] (19) is gelopen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij het plegen van welk voorgenomen misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- een of meer personen te zoeken/benaderen voor de uitvoering van de voornoemde (poging tot) brandstichting en/of het teweegbrengen van de ontploffing en/of
- het plan van aanpak en/of de wijze van communicatie (mede) te bepalen/af te stemmen/te coördineren en/of het doorgeven van informatie/instructies;
6
hij op of omstreeks 4 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing te weeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres 3] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners
te duchten was
met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en/of (vervolgens)
- een of meerdere zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie(s), te weten (een fles met) snel ontbrandende vloeistof en/of een (daar aan vastgemaakt) explosief (een cobra 6) mee heeft genomen en/of (vervolgens)
- naar de woning aan de [straatnaam 1] (19) is gelopen en/of (vervolgens)
- deze vuurwerk-brandstof-combinatie(s) voor de deur van voornoemd pand heeft neergezet,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
een of meer anderen op of omstreeks 4 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing te weeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres 3] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners
te duchten was
met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en/of (vervolgens)
- een of meerdere zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie(s), te weten (een fles met) snel ontbrandende vloeistof en/of een (daar aan vastgemaakt) explosief (een cobra 6) mee heeft genomen en/of (vervolgens)
- naar de woning aan de [straatnaam 1] (19) is gelopen en/of (vervolgens)
- deze vuurwerk-brandstof-combinatie voor de voordeur van voornoemd pand neergezet,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij het plegen van welk voorgenomen misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- een of meer personen te zoeken/benaderen voor de uitvoering van de voornoemde (poging tot) brandstichting en/of het teweegbrengen van de ontploffing en/of
- het plan van aanpak en/of de wijze van communicatie (mede) te bepalen/af te stemmen/te coördineren en/of het doorgeven van informatie/instructies en/of
- het (al dan niet door tussenkomst van anderen) verstrekken van cobra’s/explosieven ten behoeve van de voornoemde (poging tot) brandstichting en/of het teweegbrengen van de ontploffing;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 4 februari 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het teweegbrengen van een ontploffing en/of brandstichting in/bij het pand gelegen aan de [adres 3] waarbij gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (artikel 157 Sr), opzettelijk
voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten een explosief (een cobra 6) waarmee een ontploffing teweeg kan worden gebracht en/of waarmee brand kan worden gesticht, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad
7
hij op of omstreeks 10 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres 3] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners
te duchten was
met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en/of (vervolgens)
- een explosief (een cobra 6) en/of een aansteker mee heeft genomen en/of (vervolgens)
- naar de woning aan de [straatnaam 1] (19) is gelopen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair
een of meer anderen op of omstreeks 10 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres 3] te Alkmaar en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners
te duchten was
met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en/of (vervolgens)
- een explosief (een cobra 6) en/of een aansteker mee heeft genomen en/of (vervolgens)
- naar de woning aan de [straatnaam 1] (19) is gelopen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij het plegen van welk voorgenomen misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- een of meer personen te zoeken/benaderen voor de uitvoering van de voornoemde (poging tot) brandstichting en/of het teweegbrengen van de ontploffing en/of
- het plan van aanpak en/of de wijze van communicatie (mede) te bepalen/af te stemmen/te coördineren en/of het doorgeven van informatie/instructies en/of
- het (al dan niet door tussenkomst van anderen) verstrekken van cobra's/explosieven ten behoeve van de voornoemde (poging tot) brandstichting en/of het teweegbrengen van de ontploffing
meer subsidiair
hij op of omstreeks 10 februari 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het teweegbrengen van een ontploffing en/of brandstichting in/bij het pand gelegen aan de [adres 3] waarbij gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (artikel 157 Sr), opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten een explosief (een cobra 6) waarmee een ontploffing teweeg kan worden gebracht en/of waarmee brand kan worden gesticht, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad.
Bijlage II [De bewijsmiddelen]